Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.2.3.2
6.2.3.2 Bevoegdheid tot omzetting
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587118:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 652. Zie ook Van Gaalen 2001, nr. 112.
Zie hiervóór nr. 42.
Zie voor de deelgenoot, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 138.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 772-773. Zie hierna nr. 469 en 473.
Zie Verdaas 2008a, nr. 359 (en vgl. nr. 360); Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 23.4.
In de parlementaire geschiedenis en de literatuur wordt het bestaan van deze bevoegdheid niet expliciet gemaakt. Vgl. M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 178; Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2005 (A.I.M. van Mierlo), art. 477a, aant. 6; Broekveldt 2003a, nr. 290-292;. Vgl. ook HR 16 maart 1951, NJ 1952, 155 (Flora/Beheersinstituut), m.nt. DJV.
Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 32.
Zie hiervóór nr. 52-54.
340. De bevoegdheid om de vordering om te zetten komt na de stille cessie bij de stille cessionaris uit hoofde van het schuldeiserschap. Het is de vraag of de stille cedent deze bevoegdheid dient te kunnen uitoefenen.
Voor het antwoord wordt te rade gegaan bij de rechtsfiguren waarbij een derde ook andermans vordering uitoefent.
De bevoegdheid tot omzetting komt blijkens de parlementaire geschiedenis toe aan de vruchtgebruiker, omdat hij het beheer over de vordering voert.1 De vruchtgebruiker is tot omzetting bevoegd wanneer dit tot een goed beheerdienstig kan zijn. Hij dient bij de uitoefening van deze bevoegdheid de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen. Gelet op het rechtsgevolg, schuldvernieuwing, is de omzettingshandeling ook als een beschikkingshandeling aan te merken. Beide kwalificaties sluiten elkaar niet uit.2
Uit het voorgaande vloeit voort dat meer in het algemeen de beheersbevoegde derde op grond van zijn beheersbevoegdheid bevoegd om de hoofdvordering om te zetten in een tot vervangende schadevergoeding, als dit dienstig kan zijn voor een goed beheer. De omzettingsbevoegdheid komt derhalve aan de vruchtgebruiker, de beheersbevoegde deelgenoot, de bewindvoerder, de vereffenaar, de executeur en de curator toe, als dit voor een goed beheer dienstig kan zijn.3
De bevoegdheid tot omzetting komt blijkens de parlementaire geschiedenis bij art. 3:246 BW niet toe aan de inningsbevoegde pandhouder, maar dient bij de pandgever te blijven, omdat de bevoegdheid behoort tot de bevoegdheden die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen.4 Alleen de pandgever is derhalve bevoegd tot omzetting ex art. 6:87 BW.5 De pandgever dient de vordering zelf om te zetten of aan de pandhouder daartoe een last of volmacht te geven. De pandhouder kan vervolgens overgaan tot inning van de vervangende schadevergoedingsvordering.
Bij derdenbeslag volgt uit art. 477a lid 4 Rv dat de beslaglegger bevoegd is om in de nakomingsprocedure – dus in rechte – omzetting te vorderen.6
De rekeninghouder is jegens de kredietinstelling volledig bevoegd, en derhalve ook bevoegd tot omzetting. In zijn verhouding tot de belanghebbenden mist hij echter deze bevoegdheid (art. 25 lid 2 Wn).7 Hij heeft voor omzetting hun toestemming nodig.
341. Uit de lastgeving dient te volgen of de stille cedent bevoegd is tot omzetting van de hoofdvordering in één tot vervangende schadevergoeding als de schuldenaar tekortschiet en nakoming mogelijk is, of dat hij hiervoor toestemming dient te vragen aan de stille cessionaris. De bevoegdheid tot omzetting van de stille cedent vloeit blijkens de parlementaire geschiedenis bij art. 3:246 BW niet voort uit zijn inningsbevoegdheid. Wordt aangesloten bij de bevoegdheden van de pandhouder, dan zou de stille cedent deze bevoegdheid missen. Is de stille cedent daarentegen beheersbevoegd,8 dan is hij op grond daarvan wel bevoegd tot omzetting, als het dienstig kan zijn aan een goed beheer. Daarbuiten is de toestemming van de stille cessionaris vereist. Zijn partijen alleen een last tot inning overeengekomen, dan is nog verdedigbaar dat de stille cedent hiertoe bevoegd is, als de omzetting dienstig kan zijn tot de inning van de vordering (vgl. art. 3:62 lid 2 BW).
Zet de stille cessionaris de hoofdvordering om in een tot vervangende schadevergoeding, dan dient dit te worden beschouwd als het doen van mededeling in de zin van art. 3:94 lid 3 BW.