Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/6.5.3:6.5.3 Testamentair bewind en legitieme portie
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/6.5.3
6.5.3 Testamentair bewind en legitieme portie
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232737:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parlementaire geschiedenis BW boek 4, pagina 486.
Artikel 4:175 BW.
Asser/Perrick 4, 2017/328.
Een beroep op de legitieme portie lijkt mij derhalve met name in het belang van de legitimaris indien hij is onterfd of in de legitieme is gesteld. Een legitimaris die zijn volledige erfdeel (of het grootste deel daarvan) verkrijgt onder een bewind heeft economisch gezien meer belang bij wachten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is reeds aangegeven dat een erfrechtelijke making (zowel een erfstelling als legaat) die door de erflater onder bewind gesteld wordt niet in alle gevallen inferieur is. Dit vloeit voort uit artikel 4:75 BW, waarin bepaald is dat indien de erflater het bewind mede1 op een of beide van de in deze bepaling genoemde gronden heeft ingesteld en deze grond(en) heeft vermeld in zijn testament, de legitimaire portie van de legitimaris wel verminderd wordt met de waarde van de desbetreffende making. Het betreft hier allereerst de grond dat de legitimaris zelf ongeschikt of onmachtig is om in het beheer van de hem nagelaten goederen te voorzien. Het gaat hier, aldus de wetgever, om de situatie dat de legitimaris niet alleen zelf ongeschikt is om de goederen naar behoren te beheren, maar dat hij ook niet in staat is de goederen te laten beheren door een ander die daar wel de capaciteiten voor heeft.2 De tweede grond ziet op de situatie dat de nagelaten goederen hoofdzakelijk ten goede zouden komen aan de crediteuren van de legitimaris, indien er geen bewind ingesteld zou zijn. Tijdens het bewind kunnen de onder bewind staande goederen slechts voor bepaalde schulden worden uitgewonnen, zodat de bestaande crediteuren van de legitimaris hier in beginsel geen verhaal op hebben.3
De legitimaris die zijn erfdeel of legaat heeft aanvaard, heeft de mogelijkheid om binnen drie maanden na het overlijden van de erflater de juistheid van de vermelde grond te betwisten.4 Degene die het bewind staande houdt, de bewindvoerder, zal dan de juistheid van deze grond moeten bewijzen.5 Zowel de solventie van de legitimaris als zijn capaciteiten om de nagelaten goederen te (doen) beheren, dienen beoordeeld te worden op het tijdstip van overlijden van de erflater en niet op het moment dat deze zijn testament maakte.6 Indien de grond onjuist verklaard wordt, heeft de legitimaris twee mogelijkheden. Enerzijds kan hij aanspraak maken op het ontvangen van zijn legitieme portie in geld.7 Anderzijds kan hij het bewind dulden, in welk geval bij het vaststellen van de op zijn legitimaire vordering te imputeren waarde rekening wordt gehouden met het bewind dat op de goederen rust.8
Deze uitzondering op het inferieur zijn van een making onder bewind is echter vrij beperkt, met name aangezien de grond, dat de legitimaris niet zelf in staat is om in het beheer van de nagelaten goederen te (doen) voorzien, naar mijn mening geen hele hoge drempel opwerpt. De kans dat een van de gronden van artikel 4:75 BW van toepassing is op het moment van overlijden van de erflater en stand houdt in geval van betwisting door de legitimaris is derhalve niet zo groot. In de meeste gevallen zal een making onder bewind derhalve inferieur zijn. Het voorgaande betekent dat, nog los van de mogelijkheid van opheffing door de rechtbank op verzoek van de rechthebbende,9 een testamentair bewind geen geschikte figuur is voor de bescherming van familievermogen door het aanbrengen van een duurzame scheiding tussen juridische zeggenschap en economisch belang, althans niet in gevallen waarin de legitimaris niet duidelijk onmachtig is om zelf zijn vermogen te beheren. Het hoeft natuurlijk geenszins zo te zijn dat de legitimaris door middel van een beroep op zijn legitieme portie het bewind vermijdt. Het gevolg van de legitieme portie kan niet zijn dat het bewind wordt opgeheven, maar hoogstens dat de legitimaris een (kleiner) bedrag in geld vrij in handen krijgt. Het verschil in waarde kan met zich brengen dat de legitimaris het bewind duldt, zeker omdat hij na een relatief korte termijn de mogelijkheid zal hebben om de rechter te verzoeken om opheffing van het bewind en dan zijn gehele verkrijging ter vrije beschikking zal hebben.10 Aangezien een beroep op de legitieme portie echter een reële mogelijkheid is, biedt het bewind de erflater ook vanuit dit perspectief onvoldoende zekerheid dat hij een duurzame scheiding tussen zeggenschap en belang heeft gecreëerd.