In de toelichting op het middel wordt per abuis gesproken over het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2010, terwijl de terechtzitting in hoger beroep op 13 april 2010 heeft plaatsgevonden.
HR, 18-06-2013, nr. 12/02254 P
ECLI:NL:HR:2013:CA3312
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-06-2013
- Zaaknummer
12/02254 P
- Conclusie
Mr. Hofstee
- LJN
CA3312
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:CA3312, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 18‑06‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3312
ECLI:NL:PHR:2013:CA3312, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3312
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑08‑2012
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0275
Uitspraak 18‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Onderzoek naar afwezigheid raadsman betrokkene. Het Hof heeft kennelijk vastgesteld dat de mededeling van de zittingsdatum aan de raadsman slechts betrekking kon hebben op de ontnemingszaak, en dat in die mededeling per abuis de reeds geruime tijd daarvoor onherroepelijk afgedane strafzaak is genoemd. ’s Hofs kennelijke oordeel dat o.g.v. het faxbericht van de raadsman kan worden aangenomen dat deze ervan heeft afgezien op de hem bekende zitting te verschijnen, is niet onbegrijpelijk, en het Hof was niet gehouden tot een nader onderzoek naar de afwezigheid van de raadsman.
18 juni 2013
Strafkamer
nr. S 12/02254 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 april 2010, nummer 23/003537-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen blijk heeft gegeven onderzoek te hebben gedaan naar de afwezigheid van de raadsman van de verdachte, mr. P.H.L.M. Souren, ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2010.
2.2. Bij de stukken van het geding bevinden zich:
(i) een op 4 juli 2008 uitgesproken 'beslissing' van de Rechtbank Haarlem met het parketnummer 15/635310-05, waarin de betrokkene een betalingsverplichting als bedoeld in art. 36e Sr is opgelegd, en waarin is vastgesteld dat de betrokkene bij onherroepelijk vonnis van 14 november 2005 ter zake van diverse strafbare feiten is veroordeeld;
(ii) een akte met parketnummer 15/635310-05 betreffende het instellen van hoger beroep, krachtens een door de betrokkene verleende volmacht, tegen de ontnemingsuitspraak van 4 juli 2008;
(iii) het dubbel van een oproeping van de betrokkene om op dinsdag 13 april 2010 te verschijnen ter terechtzitting van het Hof, "teneinde aanwezig te zijn bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van de officier van justitie ex artikel 36e Sr (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel) en de daarop genomen beslissing van de arrondissementsrechtbank te Haarlem d.d. 04 juli 2008 bekend onder parketnummer 15-635310-05"; deze akte vermeldt het parketnummer 23-003537-08 en bevat de (geparafeerde) aantekening "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 2/3";
(iv) het dubbel van een oproeping van de betrokkene om op vrijdag 16 april 2010 te verschijnen ter terechtzitting van het Hof "teneinde aanwezig te zijn bij de nadere behandeling in hoger beroep van de vordering van de officier van justitie ex artikel 36e (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel), waarin ter terechtzitting van 13 april 2010 het onderzoek voor bepaalde tijd zal worden aangehouden", met wederom vermelding van het parketnummer 23-003537-08 en de (geparafeerde) aantekening "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 2/3";
(v) een brief van de griffier van het Hof gedateerd 2 maart 2010, gericht aan mr. P.H.L.M. Souren, met het kenmerk
23-003537-08 en de mededeling "De inhoudelijke behandeling van de strafzaak (...) tegen [betrokkene], waarin u als raadsman/raadsvrouwe optreedt is vastgesteld op 13 april 2010 en 16 april 2010";
(vi) het dubbel van een intrekking van de tot de betrokkene gerichte oproeping "als verdachte te verschijnen ter terechtzitting van dit gerechtshof op dinsdag 16 april 2010", met vermelding van het parketnummer 23-003537-08 en de (geparafeerde) aantekening "Afschrift aan raadsman verstrekt op 29/3";
(vii) een faxbericht van mr. P.H.L.M. Souren aan de voorzitter van de tweede meervoudige strafkamer van het Hof met dagtekening 11 april 2010 en het kenmerk 23/003537-08, verzonden op 12 april 2010 om 12.03 uur, luidende
"In bovenvermelde strafzaak wend ik mij tot u als advocaat van [betrokkene] met de mededeling dat ik morgen niet ter terechtzitting zal verschijnen omdat ik door cliënt niet bepaaldelijk gevolmachtigd ben om namens hem de verdediging te voeren en evenmin vernomen heb dat cliënt zelf ter zitting zal verschijnen";
(viii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2010 dat inhoudt dat aldaar noch de "verdachte" noch diens raadsman is verschenen.
2.3. Het Hof heeft kennelijk vastgesteld dat onder het parketnummer 23-003537-08 aanhangig was het namens de betrokkene ingestelde hoger beroep tegen het op 4 juli 2008 uitgesproken vonnis in de ontnemingszaak, en voor de raadsman kenbaar was dat de hiervoor onder 2.2 (v) genoemde, tot hem gerichte mededeling van de zittingsdatum slechts op de ontnemingszaak betrekking kon hebben en dat daarin per abuis de reeds geruime tijd tevoren onherroepelijk afgedane strafzaak is genoemd. Voorts heeft het Hof kennelijk op grond van het onder 2.2 (vii) vermelde faxbericht aangenomen dat de raadsman ervan heeft afgezien op de hem bekend gemaakte zitting te verschijnen. Dat is niet onbegrijpelijk, en het Hof was, anders dan het middel wil, niet gehouden tot een nader onderzoek naar de afwezigheid van de raadsman.
2.4. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 18 juni 2013.
Conclusie 16‑04‑2013
Mr. Hofstee
Partij(en)
Nr. 12/02254 P
Mr. Hofstee
Zitting: 16 april 2013
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1.
De betrokkene is bij arrest van 13 april 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam, op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 4 juli 2008, waarbij aan de betrokkene de verplichting is opgelegd om aan de Staat een bedrag te betalen van € 25.000,30, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.
Namens de betrokkene heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel behelst de klacht dat noch uit het arrest noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting1. blijkt dat het Hof onderzoek heeft gedaan naar de reden van afwezigheid van de raadsman. Bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt het middel meer in het bijzonder dat het in de uitspraak besloten liggend oordeel van het Hof dat art. 51, tweede volzin, Sv is nageleefd onbegrijpelijk is, nu niet blijkt dat het Hof heeft onderzocht of een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de betrokkene (mr. P.H.L.M. Souren) is verzonden.
4.
Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevindt zich een drietal exemplaren van het dubbel van de "oproeping van verdachte/veroordeelde in hoger beroep" om op 13 april 2010 ter terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam te verschijnen voor de behandeling van de ontnemingsvordering.2. Op alle exemplaren is een van een paraaf voorziene aantekening geplaatst, inhoudende "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 2/3" (ik begrijp: 2 maart 20103.). Onder de gedingstukken bevindt zich echter ook een drietal exemplaren van het dubbel van de "oproeping van verdachte/veroordeelde in hoger beroep"4. om - aldus de mededeling op deze oproepingen - op 16 april 2010 ter terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam te verschijnen "teneinde aanwezig te zijn bij de nadere behandeling in hoger beroep van de vordering van de officier van justitie ex artikel 36e Sr (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel), waarin ter terechtzitting van 13 april 2010 het onderzoek voor bepaalde tijd zal worden aangehouden". Ook op al deze exemplaren is een van een paraaf voorziene aantekening geplaatst, inhoudende "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 2/3" (ik begrijp wederom: 2 maart 20105.). Tot de gedingstukken behoort voorts een dossierexemplaar (zonder paraaf of handtekening)6. van een aan mr. P.H.L.M. Souren - de raadsman van de betrokkene7. - gerichte brief van de griffier van 2 maart 2010, inhoudende dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen [betrokkene] is vastgesteld op 13 april 2010 en 16 april 2010 te 09:00 uur.8. Namens de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft een parketmedewerker bij brieven van 25 maart 2010 aan de raadsman van de betrokkene laten weten dat de oproepingen tegen zijn cliënt om als verdachte ter terechtzitting van 16 april 2010 te verschijnen, zijn ingetrokken. De afschriften van deze intrekkingen zijn blijkens de daarop van een paraaf voorziene aantekening "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 29/3" kennelijk op 29 maart 2010 aan de raadsman van de betrokkene verstrekt. Uit de gedingstukken blijkt evenwel niet dat ook de oproepingen om op 16 april 2010 ter terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam te verschijnen voor de nadere behandeling in hoger beroep van de ontnemingsvordering zijn ingetrokken. Ook zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden voor het vermoeden dat de oproepingen voor de ontnemingszitting van 16 april 2010 niet aan de raadsman zijn toegezonden, dan wel deze hem niet zouden hebben bereikt.
5.
Gelet op het voorgaande meen ik dat de raadsman van de betrokkene in de gerechtvaardigde veronderstelling heeft kunnen verkeren dat de ontnemingszaak op de terechtzitting van 13 april 2010 voor bepaalde tijd zou worden aangehouden, en wel tot aan de terechtzitting van 16 april 2010 alwaar vervolgens de ontnemingszaak inhoudelijk zou worden behandeld. Een aanwijzing in die richting kan ook worden gevonden in een door de raadsman aan de Voorzitter van de Tweede Meervoudige Strafkamer gericht faxbericht, inhoudende dat - voor zover hier van belang - hij in de strafzaak niet ter terechtzitting in hoger beroep zal verschijnen omdat hij door zijn cliënt niet bepaaldelijk gevolmachtigd is om namens hem de verdediging te voeren.9.
6.
Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat is voldaan aan het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv is gelet op voornoemde omstandigheden niet begrijpelijk. Het Hof had in die omstandigheden reden moeten zien om de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen alsnog de verdediging te voeren. De omstandigheid dat de raadsman naar zijn zeggen in de strafzaak niet uitdrukkelijk gemachtigd was om de verdediging te voeren, maakt dit mijns inziens niet anders.
7.
Het middel slaagt.
8.
Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
9.
Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld - te weten dat het cassatieberoep op 27 april 2010 zou zijn ingediend -, is blijkens de inhoud van de zich bij de stukken bevindende Akte rechtsmiddel en de daaraan gehechte schriftelijke volmacht van de raadsman van de betrokkene - welke volmacht blijkens een daarop gezet stempel op 27 april 2012 ter strafgriffie van het Gerechtshof Amsterdam is ingekomen - namens de betrokkene op 27 april 2012 beroep in cassatie ingesteld. Nu de stukken van het geding op 14 juni 2012 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, is de hier toepasselijke inzendtermijn van acht maanden niet overschreden. Het middel mist dus feitelijke grondslag, en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering, met dien verstande dat het middel onbesproken kan blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen (of verwezen).10.
10.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde haar op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑04‑2013
De drie exemplaren verschillen enkel wat de adressering betreft van elkaar.
De oproepingen zijn gedateerd op 25 februari 2010.
Zie voetnoot 2. De adresseringen zijn gelijk aan die welke op de in voetnoot 2 bedoelde oproepingen zijn vermeld.
Zie voetnoot 3.
Vgl. HR 14 november 2006, LJN AY9190. In die zaak ging het om twee vrijwel gelijkluidende brieven van het Hof, waarin datum en tijdstip van de behandeling van de zaak werden medegedeeld. Op de ene brief stond een paraaf van de Griffier en de mededeling 'Exemplaar bestemd voor het dossier', en de andere brief bevatte een volledige handtekening van de Griffier en de mededeling 'Dit formulier s.v.p. meenemen'. In het bijzonder uit de aanwezigheid in het dossier van de laatstgenoemde brief vloeide volgens de Hoge Raad het ernstige vermoeden voort dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep - anders dan uit de aantekening op het dubbel van de dagvaarding was vermeld - niet aan de raadsman was verstrekt.
Blijkens de zich bij de gedingstukken bevindende last tot toevoeging d.d. 11 januari 2010 is mr. P.H.L.M. Souren in hoger beroep - evenals dat overigens in eerste aanleg het geval was - als raadsman aan de betrokkene toegevoegd.
Uit een van een paraaf voorziene aantekening op het dubbel van de dagvaarding in combinatie met een brief waarin mededeling wordt gedaan van de datum en het tijdstip waarop de behandeling van de zaak plaatsvindt kan, indien er geen aanknopingspunten zijn te ontwaren dat deze stukken niet aan de raadsman zijn toegezonden, dan wel hem niet zouden hebben bereikt, voldoende zijn. Zie HR 8 september 1998, LJN ZD1243 alsmede HR 30 september 2008, LJN BD4859, waarin een afschrift van een kennisgeving van de Advocaat-Generaal bij het Hof aan de raadsman van de verdachte was verstuurd, inhoudende de dag en het tijdstip van de zitting. Nu er geen aanknopingspunten waren voor een vermoeden dat deze kennisgeving niet aan de raadsman zou zijn toegezonden dan wel hem niet zou hebben bereikt, kon er, aldus de Hoge Raad, van worden uitgegaan dat de raadsman tijdig op de hoogte was gesteld van dag en tijdstip van behandeling van de zaak.
Hoewel op het faxbericht een stempel van binnenkomst ter strafgriffie ontbreekt en het faxbericht is gedateerd op 11 april 2010, kan uit de datum van verzending - 12 april 2010 - in samenhang met de hierboven onder 4 genoemde brief van de griffier worden afgeleid dat de zinsnede 'ik morgen niet ter terechtzitting zal verschijnen' betrekking heeft op de terechtzitting van 13 april 2010. Voor het overige houdt dit faxbericht in dat de raadsman evenmin van zijn cliënt heeft vernomen dat deze zelf ter zitting zal verschijnen.
HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.5.3), m.nt. Mevis.
Beroepschrift 28‑08‑2012
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
Van: mr. M.G. Vos
Inzake:
[rekwirant], rekwirant van cassatie van het te zijnen laste door het gerechtshof te Amsterdam op 13 april 2010 onder parketnummer 23-003537-08 gewezen arrest.
Middel I.
Het recht — in het bijzonder de artikelen 51, 348, 349, 350, 352, 358, 359, 415, 416 en 425 Wetboek van Strafvordering en artikel 6 lid 1 en lid 3 sub c Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof te Amsterdam de zaak ter terechtzitting van 13 april 2010 heeft behandeld, terwijl uit het arrest noch uit het proces-verbaal van voornoemde terechtzitting blijkt dat het gerechtshof onderzoek heeft gedaan naar de reden van afwezigheid van de raadsman, zulks terwijl bovendien uit de processtukken niet blijkt van enige mededeling omtrent het verzonden zijn van een afschrift van de appeldagvaarding, noch van de overige stukken, ex artikel 51 Sv aan die raadsman. Mitsdien lijdt het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Op 13 april 2010 heeft het onderzoek ter terechtzitting door het gerechtshof te Amsterdam plaatsgevonden. Op deze zitting was rekwirant noch zijn raadsman aanwezig.
2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2010 in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
‘De verdachte, gedagvaard als:
[rekwirant]
Geboren te [geboorteplaats], [land], op [geboortedatum] 1970,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, is eveneens niet verschenen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting een VIP-formulier overgelegd. De voorzitter constateert dat in de zaak geen schriftuur houdende grieven is ingediend.
De advocaat-generaal voert het woord, leest haar vordering voor en legt die aan het gerechtshof over.
Na beraad in raadkamer verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten. De voorzitter spreekt het arrest uit.’
3.
Na sluiting van het onderzoek heeft het gerechtshof (direct) arrest gewezen, waarbij rekwirant niet-ontvankelijk is verklaard:
‘Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf, zal hij gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaard worden in het ingestelde hoger beroep.’
4.
Artikel 38 lid 1 Sv bepaalt dat de verdachte te allen tijde bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen. Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van een raadsman — evenals ingevolge artikel 43 lid 1 Sv de toevoeging van een raadsman — voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.
5.
Ingevolge artikel 39 lid 1 Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier.
6.
In onder meer HR 12 februari 2002, LJN: AD7846 en HR 19 december 2000, NJ, 2001, 161 stelt uw Raad dat de regeling van artikel 39 Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend.
7.
Het beroep tegen de ontnemingsuitspraak van de rechtbank te Haarlem d.d. 4 juli 2008 is op 7 juli 2008 ingesteld door mr. H.P. Vos. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 13 april 2010 blijkt dat het gerechtshof bekend is met het feit dat mr. P.H.L.M. Souren de raadsman van rekwirant is. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep is rekwirant noch de raadsman van rekwirant verschenen. Het gerechtshof had, gezien de afwezigheid van de raadsman, dienen te onderzoeken of een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman was verzonden. Nu van een dergelijk onderzoek niet blijkt, is het in de uitspraak besloten liggende oordeel dat artikel 51 Sv is nageleefd onbegrijpelijk (zie ook HR 12 februari 2002, LJN: AD7846 en HR 19 december 2000, NJ, 2001, 161). Derhalve kan de uitspraak niet in stand blijven.
Middel II:
Het recht — in het bijzonder artikel 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat er een overschrijding heeft plaatsgevonden van de redelijke termijn, in casu de inzendingstermijn.
Toelichting:
8.
Op 4 juli 2008 is rekwirant door de rechtbank te Haarlem veroordeeld tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 25.000,30. Hiertegen is op 7 juli 2008 beroep ingesteld. Het beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam is op 27 april 2010 ingesteld.
9.
Uit de mededeling betekening van Uw Raad d.d. 9 juli 2012 blijkt dat de stukken van het geding op 14 juni 2012 ter griffie van Uw Raad zijn ontvangen.
10.
In HR 3 oktober 2000, LJN: AA7309 en HR 17 juni 2008, LJN: BD2578 wordt gesteld dat onder overschrijding van de redelijke termijn mede is begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Die inzendingstermijn is gesteld op acht maanden.
11.
In casu bedraagt de inzendingstermijn meer dan 8 maanden.
12.
Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het in laatste feitelijke instantie vastgestelde ontnemingsbedrag. In HR 17 juni 2008, LJN: BD2578 stelt Uw Raad in rechtsoverweging 3.6.4 jo 3.6.3 dat in de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden Uw Raad handelt naar bevind van zaken.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Maliebaan 57 (postbus 2169, 3500 GD), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Utrecht, 28 augustus 2012
Advocaat