Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.5.3.1
5.3.1 De insluitingsclausule als quasi-spiegelbeeld van de uitsluitingsclausule
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948314:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 6, p. 16.
Zie De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 232; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 244 en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/288c.
Daarbij zij wel opgemerkt dat, anders dan de uitsluitingsclausule, de insluitingsclausule wél als een voorwaarde of last in de zin van artikel 4:72 BW kwalificeert. De erflater bewerkstelligt dat wat onder het toepasselijke huwelijksvermogensregime uitsluitend aan de bevoordeelde zou toekomen, in de huwelijksgemeenschap valt. De erfrechtelijke verkrijging kwalificeert in dit geval dus niet als ‘vrij en onbezwaard’, zodat – anders dan een uitsluitingsclausule – de insluitingsclausule de erfrechtelijke verkrijging inferieur maakt in de zin van artikel 4:72 BW. Dat betekent dat de verwerpende legitimaris zich op grond van artikel 4:72 sub a BW ongestraft van de geclausuleerde bevoordeling kan ontdoen. Zie Asser/Perrick 4 2021/324. Vgl. voor de uitsluitingsclausule voetnoot 228 hiervóór.
370. Juist omdat erfenissen en giften sinds de invoering van de Wet beperking gemeenschap van goederen niet meer in de wettelijke gemeenschap van goederen vallen, bepaalt artikel 1:94 lid 3 sub b BW dat artikel 1:94 lid 2 sub a BW niet van toepassing is op goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen. Deze bepaling wordt ook wel aangeduid als de ‘insluitingsclausule’.1 Deze insluitingsclausule vormt in belangrijke mate het spiegelbeeld van de uitsluitingsclausule.2 Veel van wat in paragraaf 5.2 over de werking van de uitsluitingsclausule is opgemerkt, geldt dus ook voor de insluitingsclausule. Dat geldt in ieder geval voor de vorm, het tijdstip en te behalen voordeel (zie paragraaf 5.2.2 hiervóór). Bovendien geldt dit voor de reikwijdte van de insluitingsclausule bij erfrechtelijke verkrijgingen en bij giften (zie paragraaf 5.2.4 hiervóór).3 Dat betekent dat ook de insluitingsclausule niet kan worden verbonden aan de vordering ten aanzien van het legitimair tekort, en aan de andere wettelijke rechten van Afdeling 4.3.2 BW. De insluitingsclausule kan, net zoals een uitsluitingsclausule, daarentegen wél worden verbonden aan giften die bestaan uit de kwijtschelding van een deel van de tegenprestatie voor de verkrijging van een goed, de kwijtschelding van een deel van een lening die in verband met de verwerving van een goed is aangegaan, of uit een verkrijging van een goed tegen een te lage tegenprestatie (de materiële bevoordeling). In dat geval heeft het spiegelbeeldige effect van de insluitingsclausule tot gevolg dat het voorwerp van de gift onverminderd de kwijtschelding of materiële bevoordeling betreft, en dus niet het verkregen goed zelf (net zoals dat bij de uitsluitingsclausule ook niet het geval is). De insluitingsclausule zorgt er in dat geval voor dat de gift niet als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW kwalificeert, waardoor de werking van artikel 1:95 lid 1 BW eerder zal worden doorkruist. Bedraagt de gift méér dan de helft van de totaal verschuldigde tegenprestatie of de werkelijke waarde van het goed, dan kan überhaupt niet meer aan de voorwaarden van artikel 1:95 lid 1 BW worden voldaan, en zal het verkregen goed op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW zonder meer in de beperkte huwelijksgemeenschap vallen waarin de begiftigde is gehuwd. Eventuele schulden die zijn verbonden aan deze verkrijging gaan dan op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 7 BW óók tot de huwelijksgemeenschap behoren. Bedraagt het deel van de tegenprestatie dat onder insluitingsclausule is kwijtgescholden mínderdan de helft van de totaal verschuldigde tegenprestatie, en heeft de betreffende echtgenoot bij de verkrijging alsnog meer dan de helft van de totaal verschuldigde tegenprestatie uit eigen vermogen voldaan, dan heeft de insluitingsclausule die aan de gift is verbonden tot gevolg dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW een vergoedingsrecht van de beperkte huwelijksgemeenschap op de begiftigde ontstaat. Datzelfde geldt wanneer de insluitingsclausule is gekoppeld aan het voordeel dat besloten ligt in de verkrijging van een goed tegen een te lage tegenprestatie, en dat voordeel niet meer bedraagt dan de helft van de werkelijke waarde van dat goed, terwijl de begiftigde echtgenoot de wel verschuldigde tegenprestatie alsnog voor meer dan de helft van de werkelijke waarde uit eigen vermogen heeft voldaan. Ook in dat geval valt het door de begiftigde verkregen goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap en heeft de insluitingsclausule die aan de gift is verbonden tot gevolg dat er op grond van artikel 1:95 lid 1 BW een vergoedingsrecht van de beperkte huwelijksgemeenschap op de begiftigde ontstaat.
371. Met betrekking tot de vruchten van onder een insluitingsclausule verkregen goederen en de mogelijkheid om alleen aan de vruchten van door erfrecht of gift verkregen goed een insluitingsclausule te verbinden, wordt verwezen naar hetgeen in paragraaf 5.2.5 reeds is opgemerkt. Voor de insluitingsclausule leidt hetgeen daar is opgemerkt ertoe dat een erflater of gever bij uiterste wilsbeschikking of gift niet kan bepalen dat uitsluitend de vruchten van de door hem nagelaten of gegeven goederen in de beperkte huwelijksgemeenschap vallen waarin de begiftigde of erfgenaam is gehuwd. Die vruchten kwalificeren immers als absoluut toekomstige goederen, waar een erflater of gever niet over kan beschikken. En heeft de erflater of gever bij uiterste wilsbeschikking of gift bepaald dat de door hem nagelaten of gegeven goederen in de huwelijksgemeenschap vallen waarin de erfgenaam of begiftigde is gehuwd, dan zullen de vruchten van die goederen op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW óók tot de beperkte huwelijksgemeenschap gaan behoren. De erflater of gever kan dit dan niet verhinderen door aan de verkrijging van die vruchten een uitsluitingsclausule te verbinden, of te bepalen dat de insluitingsclausule zich slechts uitstrekt over het krachtens gift of krachtens uiterste wilsbeschikking verkregen goed zelf. Dat betekent dat zodra deze vruchten ontstaan deze op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW in de huwelijksgemeenschap vallen, zodat artikel 1:94 lid 3 sub b BW wat dat betreft ten overvloede bepaalt dat óók de vruchten van onder insluitingsclausule verkregen goederen in de huwelijksgemeenschap vallen waarin de begiftigde of erflater is gehuwd. Daarentegen staat het de echtgenoten zelf wél vrij om bij huwelijkse voorwaarden af te wijken van deze hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW, en aldus met elkaar af te spreken dat – in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW – de vruchten van onder insluitingsclausule verkregen goederen juist wél buiten de huwelijksgemeenschap vallen waarin zij zijn gehuwd. Neemt men evenwel aan dat een erflater of gever middels een in- of uitsluitingsclausule wél uitsluitend over de vruchten van krachtens erfrechtelijke titel of gift verkregen goederen zou kunnen beschikken, dan geldt dat dit in ieder geval niet mogelijk is wanneer het een gift betreft die bestaat uit de kwijtschelding van een lening of een deel van de tegenprestatie bij de verkrijging van een goed, dan wel een gift die bestaat uit een overdracht van een goed tegen een te lage tegenprestatie. Het object van de gift is in dat geval de kwijtschelding of het voordeel dat in de te lage tegenprestatie besloten ligt. Een dergelijke gift kan naar zijn aard geen vruchten opleveren (vergelijk hetgeen daar in randnummer 369 in het kader van de uitsluitingsclausule reeds over is opgemerkt), zodat de gever überhaupt niet de vrijheid heeft om te ‘beschikken’ over de vruchten van het goed dat door de (‘indirecte’ werking van de) insluitingsclausule in de huwelijksgemeenschap is gevallen. De vruchten zullen daardoor altijd op grond van artikel 1:94 lid 2 BW in de huwelijksgemeenschap vallen, tenzij de echtgenoten zelf bij huwelijkse voorwaarden van die bepaling zijn afgeweken. En om diezelfde reden kan een gever ook geen insluitingsclausule verbinden aan alléén de vruchten van een goed dat middels een ‘directe’ of ‘indirecte’ kwijtschelding dan wel een materiële bevoordeling is verkregen. Is aan een dergelijke gift zelf geen insluitingsclausule verbonden, dan zullen de vruchten van het aldus verkregen goed op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW altijd buiten de huwelijksgemeenschap vallen; ook hier staat het object van de gift (i.e. de kwijtschelding of materiële bevoordeling) eraan in de weg dat de gever aan uitsluitend de verkrijging van de vruchten een insluitingsclausule kan verbinden (vgl. randnummer 369 hiervóór voor de uitsluitingsclausule).