Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.2
3.2 De rol van (onmiddellijke) voorzieningen in de ontwikkeling van het enquêterecht
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363603:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk VI van het Belgische Wetboek van Vennootschappen luidt als volgt. Art. 168: “Op verzoek van één of meer vennoten die ten minste 1 % hebben van het geheel aantal stemmen, of die effecten bezitten die een gedeelte van het kapitaal vertegenwoordigen ter waarde van ten minste (1 250 000 EUR), kan de rechtbank, indien er aanwijzingen zijn dat de belangen van de vennootschap op ernstige wijze in gevaar komen of dreigen te komen, Één of meer deskundigen aanstellen om de boeken en de rekeningen van de vennootschap na te zien en ook de verrichtingen die haar organen hebben gedaan.” Art. 169: “De vordering bedoeld in artikel 168 wordt bij dagvaarding ingeleid. De rechtbank hoort de partijen in raadkamer, en doet uitspraak in openbare terechtzitting. Het vonnis vermeldt de problemen of de soorten problemen waarop het onderzoek betrekking zal hebben. Het bepaalt het bedrag dat de eisers in voorkomend geval vooraf in consignatie moeten geven voor de betaling van de kosten. Deze kosten kunnen gevoegd worden bij die van het geding waartoe de bevonden feiten aanleiding zouden kunnen geven. De rechtbank beslist of het verslag moet worden bekendgemaakt. Zij kan onder meer beslissen dat het verslag op kosten van de vennootschap moet worden bekendgemaakt volgens de regels die zij bepaalt.”
Zie Byttebier, François, Janssens en Van de Gehuchte, par. III.3.
Zie daarover Byttebier, François, Janssens en Van de Gehuchte, p. 11.
Zie daarover par. 2.7.1.
Zie onder meer HR 27 september 2000, NJ 2000, 653, JOR 2000/217 (Gucci), r.o. 4.2.
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (OGEM).
Zie daarover
Een constatering die in nagenoeg alle beschikbare historische overzichten van het enquêterecht wordt gedaan, is dat het gebruik van het enquêtemiddel steeds toeneemt naarmate er meer voorzieningen mogelijk worden. De eerste enquêteregeling (van 1928) werd zeer weinig gebruikt en kende niet de mogelijkheid om voorzieningen te treffen. Het enquêtemiddel werd al wat populairder, nadat het in 1971 mogelijk werd om eindvoorzieningen te treffen. In de literatuur bestaat evenwel consensus dat het gebruik van het enquêtemiddel pas echt een vlucht begon te nemen, toen het in 1994 mogelijk werd om onmiddellijke voorzieningen te treffen. De toename van het gebruik van het enquêtemiddel wordt ook wel (mede)toegeschreven aan het voorzitterschap van Willems in 1996. Kenmerkend voor de onder zijn voorzitterschap gewezen beschikkingen is een doortastend gebruik van onmiddellijke voorzieningen.
Dat de mogelijkheid om (onmiddellijke) voorzieningen te vragen een belangrijke bijdrage levert aan de populariteit van het enquêtemiddel, wordt voorts onderstreept door de praktijk ten aanzien van het zogeheten vennootschappelijk deskundigenonderzoek naar Belgisch recht. Deze Belgische procedure vertoont belangrijke overeenkomsten met de Nederlandse enquêteregeling van 1928.1Zo voorziet de Belgische regeling enkel in een onderzoek zonder dat over de uitkomsten van dat onderzoek een oordeel kan worden gevraagd en zonder dat voorzieningen getroffen kunnen worden. De desbetreffende Belgische procedure wordt nauwelijks gebruikt door justitiabelen.2 In de Belgische praktijk weten partijen kennelijk zonder onderzoek een oplossing te vinden voor de problemen die bij ons in de enquêteprocedure worden opgelost.3
Het feit dat de populariteit van het enquêtemiddel bij justitiabelen in belangrijke mate wordt verklaard door de mogelijkheid om voorzieningen te treffen, de ervaringen in de Belgische praktijk en de populariteit van “ontkoppeling”4 is reden om na te denken over de opvatting van de Hoge Raad en wetgever dat het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken de kern van het enquêterecht betreft.5 Weliswaar worden sommige enquêteprocedures juist geëntameerd om opening van zaken te krijgen en vast te stellen bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid,6 maar dat neemt niet weg dat het desbetreffende onderzoek soms onnodige ballast is, terwijl daar wel de aanzienlijke onderzoekskosten tegenover staan. Daartegenover staat dat het onderzoek het voornaamste bewijsmiddel is in de enquêteprocedure en partijen in deze procedure geen recht hebben op getuigenbewijs en tegenbewijs.7 Als het onderzoek dan ook nog weg valt, word de bewijslevering wel erg summier, terwijl (onmiddellijke) voorzieningen aanzienlijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor degenen die bij de organisatie van de vennootschap zijn betrokken.