NJB 2018/1442:Meerdaadse samenloop art. 57, eendaadse samenloop art. 55 lid 1 Sr of voortgezette handeling art. 56 lid 1 Sr? De Hoge Raad herhaalt HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831. In casu sprake van poging diefstal in vereniging met braak (art. 311 lid 1 Sr) en medeplegen van vernieling (art. 350 lid 1 Sr). Het hof oordeelt in casu ten onrechte dat sprake is van meerdaadse samenloop nu de bewezenverklaarde vernielingshandelingen een zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren, waarbij de bewezenverklaarde braak door het trachten te forceren van twee ramen bestaat uit het vernielen en/of beschadigen van ramen van de woning. De strekking van de betreffende strafbepalingen – te weten art. 311 lid 1 onder 5° Sr en art. 350 Sr – loopt niet dusdanig uiteen dat niet zou kunnen worden geoordeeld dat de verdachte van die handelingen (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Dit leidt echter niet tot cassatie nu de door het hof opgelegde gevangenisstraf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden wanneer van eendaadse samenloop zou worden uitgegaan, terwijl het hof ook dan gewicht zou mogen toekennen aan de schade die bij de poging tot gekwalificeerde diefstal is ontstaan aan ramen van de woning