HR, 19-12-2014, nr. 14/02493
ECLI:NL:HR:2014:3608, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2014
- Zaaknummer
14/02493
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑12‑2014
ECLI:NL:HR:2014:3608, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2014:1328, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑05‑2014
- Vindplaatsen
NTFR 2016/96
NTFR 2015/1482 met annotatie van drs. W. Brink
FutD 2014-2976
Viditax (FutD) 2014121910
Beroepschrift 19‑12‑2014
Edelhoogachtbaar college,
Namens [X] B.V. hebben wij op 12 mei 2014 beroep in cassatie aangetekend tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag 4 april 2014, kenmerk BK-13/01135. Per brief van 15 mei 2014 verzoekt u het cassatieberoepschrift nader te motiveren. De motivatie is hieronder weergegeven.
Per separate brief van 15 mei 2014 geeft u aan dat door de wederpartij tevens (principaal) beroep in cassatie is ingesteld. Van dat beroepschrift (althans de motivatie) hebben wij nog geen afschrift ontvangen. Het verweer daartegen zullen we bijgevolg en op uw verzoek separaat voeren.
Ons principaal beroep in cassatie richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank opgenomen in onderdeel 6.1 van de uitspraak van het Gerechtshof. Het Gerechtshof heeft daarin geoordeeld dat de glasopstanden en andere opstallen niet delen in de cultuurgrondvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q Wet belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR).
Als middelen van cassatie dragen wij het volgende voor:
Middelen van cassatie
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 2 WBR in verbinding met artikel 15, eerste lid aanhef en artikel 15, eerste lid, onderdeel q WBR in het bijzonder, schending van rechtsregels neergelegd in door uw Raad eerder gewezen arresten waaronder Hoge Raad 11 december 2009, nr. 08/05312 en schending van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de wetgever de vrijstelling heeft beperkt tot de (onder)grond en dat de wetgever daarmee zijn bevoegdheid niet heeft overschreden. Dit oordeel is ten onrechte althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen dan wel niet naar behoren gemotiveerd.
Toelichting
Door de te oordelen dat de wetgever de vrijstelling heeft beperkt tot de ondergrond van opstallen, miskent het Hof dat juist de wetgeving of althans het systeem van de wetgeving meebrengt dat in het systeem van de overdrachtsbelasting aan niet zakenrechtelijk verzelfstandigde opstallen geen zelfstandige betekenis toekomt.
In de onderhavige zaak is sprake van een verkrijging als bedoeld in artikel 2, eerste lid WBR. Er is geen sprake van zakenrechtelijk verzelfstandigde opstallen. De verkrijging betreft daarmee de grond welke grond de gebouwen en werken die daar duurzaam mee zijn verenigd natrekt. Dit belastbare feit — deze enkelvoudige verkrijging — is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op de voet van artikel 15, eerste lid aanhef en onderdeel q WBR. De systematiek van de wetgeving verhindert een kennelijk ook door het Hof (in navolging van de Rechtbank en de Belastingdienst) gevolgde uitleg van deze vrijstelling als zou die tot een gedeeltelijke vrijstelling van het verkregene leiden. Wij verwijzen met name naar de overwegingen 25 tot en met 30 in het beroepschrift bij de Rechtbank en pagina 2 van het hoger beroepschrift bij het Gerechtshof.
De namens belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep betrokken primaire stelling is dan ook niet dat de wetgever de vrijstelling heeft beperkt tot de ondergrond, maar dat de vrijstelling systematisch niet tot een opsplitsing in een enkelvoudige verkrijging kan leiden en derhalve op het geheel ziet casu quo de vrijstelling met de aanduiding ‘ondergrond’ of ‘cultuurgrond’ juist de gehele onroerende zaak omvat. Een betere aanduiding is vanuit civieljuridische optiek zelfs niet denkbaar (vergelijk artikel 3:3 Burgerlijk Wetboek). Hiermee heeft het Hof het recht geschonden, maar op dit punt is de uitspraak tevens niet naar behoren gemotiveerd (iedere motivatie op dit punt ontbreekt zelfs).
Mocht u oordelen dat de wetgever de vrijstelling wel heeft beoogd te beperken tot artikel 15, eerste lid, onderdeel q WBR dan dient te gelden dat de wetgever niet in haar bedoelingen is geslaagd aangezien de door diezelfde wetgever aangelegde wetssystematiek een gedeeltelijke vrijstelling uitsluit. In dit verband zij verwezen naar de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder de uit deze geschiedenis volgende nauwe verbinding met het burgerlijk recht alsmede de rechtsregels neergelegd in vaste jurisprudentie van uw Raad (waaronder Hoge Raad 11 december 2009, nr. 08/05312). In zoverre heeft het Hof het recht geschonden. Bovendien heeft het Hof niet naar behoren gemotiveerd dat de wetgever de vrijstelling heeft beperkt tot de ondergrond en waarom de wetgever daarmee de bevoegdheid niet heeft overschreden. Hiertegen richten zich de motiveringsklachten.
Conclusie
Voor het in onderdeel 6.1 van de uitspraak van het Gerechtshof opgenomen oordeel kan de uitspraak van het Hof op voornoemde gronden niet in stand blijven.
Gelet op de oordelen opgenomen in de onderdeel 6.2 en 6.3 van de uitspraak van het Hof (waarmee ook de ondergrond van andere opstallen in de vrijstelling wordt getrokken), geldt derhalve dat voor een bedrag van € 167.904 teveel overdrachtsbelasting op aangifte is voldaan hetwelk gerestitueerd dient te worden.
Verzoek om proceskostenvergoeding
Wij verzoeken u een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Uitspraak 19‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 15, lid 1, letter q, Wet BRV. Cultuurgrondvrijstelling is noch op de ondergrond van andere opstallen dan glasopstanden noch op glasopstanden van toepassing.
Partij(en)
19 december 2014
nr. 14/02493
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 april 2014, nr. BK-13/01335, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/892) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Op 3 augustus 2010 heeft belanghebbende een perceel tuinland met glasopstanden, andere opstallen en installaties met toe- en aanbehoren verkregen.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of de in artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) opgenomen vrijstelling (hierna: de cultuurgrondvrijstelling) van toepassing is op (a) de glasopstanden zelf, (b) de andere opstallen en (c) de grond onder die andere opstallen.
2.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat de glasopstanden en de andere opstallen niet in de cultuurgrondvrijstelling delen. Het heeft daartoe redengevend geacht dat de vrijstelling slechts ziet op de verkrijging van (onder)grond. De grond onder de andere opstallen deelt wel in de cultuurgrondvrijstelling, omdat die grond bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd, aldus het Hof.
3. Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
3.1.
Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de glasopstanden en de andere opstallen niet delen in de cultuurgrondvrijstelling.
3.2.
Het middel slaagt niet. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15, lid 1, letter q, Wet BRV, zoals dat in 2010 luidde, volgt dat onder cultuurgrond wordt verstaan de grond die is bestemd voor veeteelt, akker-, weide-, tuin- en bosbouw, waaronder mede begrepen de ondergrond van glasopstanden (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9, blz. 17). Naar de uit deze beschrijving af te leiden bedoeling van de wetgever kunnen opstallen niet worden aangemerkt als cultuurgrond in de zin van voormelde bepaling (vgl. HR 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284). Dat is ook in overeenstemming met de bewoordingen van de vrijstellingsbepaling, die spreekt over “cultuurgrond”. De omstandigheid dat de glasopstanden en de ondergrond daarvan tezamen één onroerende zaak vormen, staat niet in de weg aan de door de wetgever gewenste toepassing van de cultuurgrondvrijstelling op alleen de ondergrond.
4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
4.1.
Het door de Staatssecretaris voorgestelde middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de cultuurgrondvrijstelling kan worden toegepast op de grond onder andere opstallen dan glasopstanden.
4.2.
Het middel slaagt. Zoals reeds is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284, moeten voor de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling opstallen en ondergrond in de regel als één geheel worden beschouwd. Alleen voor wat betreft de ondergrond van glasopstanden heeft de wetgever hierop een uitzondering gemaakt. Voor andere opstallen dan glasopstanden heeft derhalve als uitgangpunt te gelden dat de ondergrond niet kan delen in de vrijstelling (vgl. HR 19 september 2014, nr. 13/06088, ECLI:NL:HR:2014:2696, BNB 2014/243).
4.3.
Gelet op het overwogene onder 4.2 kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.
Beroepschrift 22‑05‑2014
Den Haag, 12 [MEI 2014]
Kenmerk: DGB 2014-2638
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 april 2014, nr. 13/01335, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de op aangifte voldane overdrachtsbelasting. Van deze uitspraak is op 4 april 2014 een afschrift aan de Belastingdienst, [P] toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor;
Schending van het Nederlandse recht, met name van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet), doordat het Hof heeft geoordeeld dat de grond onder de andere opstallen kan delen in de cultuurgrondvrijstelling, zulks In verband met het hiernavolgende ten onrechte.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Vooraf
Rechtstheoretisch is de onderhavige zaak te vergelijken met de bij uw Raad lopende procedure, bekend onder nummer 13/06088. Het betreft het door ondergetekende ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 november 2013, nr. 12/00497.
Feiten en geschil
In cassatie kan worden uitgegaan van de in de uitspraak onder punt 3 vermelde vaststaande feiten. Het geschil betreft de beantwoording van de vraag of de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de Wet niet alleen van toepassing is op de bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond en de ondergrond van de glasopstanden, doch zich mede uitstrekt tot de glasopstanden, loods, bijgebouwen, overige opstallen en bassins, alsmede de grond die niet is gelegen onder de glasopstanden maar onder de andere opstallen. Zie voor een helder overzicht ook de onderdelen 1 en 2 van het verweerschrift in hoger beroep van de Inspecteur.
Het Hof is van oordeel dat de waarde van de glasopstanden en de andere opstallen, niet kan delen in de cultuurgrondvrijstelling (r.o. 6.1). Met dat oordeel kan ik mij verenigen. Het Hof is echter tevens van oordeel dat de grond onder de andere opstallen wel in de genoemde cultuurgrondvrijstelling kan delen (r.o. 6.2). Het laatstvermelde oordeel van het Hof wordt door mij niet onderschreven, meer in het bijzonder omdat dat oordeel naar mijn mening blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip cultuurgrond in de zin van de voormelde wettelijke bepaling.
Beschouwingen
Het Hof heeft daartoe overwogen dat de passage uit de wetsgeschiedenis — Tweede Kamer, 2005–2006, 30 572, nr. 9, blz. 17 en 18 — niet anders kan worden uitgelegd dan dat de wetgever heeft bedoeld ook die elementen ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de Wet vrij te stellen. De bedoelde passage biedt mijns inziens echter geen steun aan het standpunt van het Hof, integendeel.
Mede gezien de door het Hof in r.o. 6.3 opgenomen verklaring lijkt het Hof te miskennen dat de genoemde vrijstelling cumulatief vereist, dat het gaat om cultuurgrond en dat die grond ten behoeve van de landbouw duurzaam bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd.
De bedoelde passage luidt als volgt:
‘De wijziging van artikel 15, eerste lid, onderdeel q, van da Wet op belastingen van rechtsverkeer strekt ertoe de verkrijging van alle cultuurgrond vrij te stellen. Hoewel de van oudsher in de overdrachtsbelasting vigerende term landerijen is vervangen door het de laatste tijd meer gebruikelijke begrip cultuurgrond, is daar geen inhoudelijke wijziging mee beoogd. Onder cultuurgrond wordt naast grond die bestemd is voor veeteelt, akker-, welde-, tuin- en bosbouw en dergelijke mede begrepen de ondergrond van glasopstanden. Deze ondergrond hoeft niet zelf als kweek- of teeltmiddel te worden gebruikt. De cultuurgrond moet duurzaam en bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd. Het begrip landbouw dient In dit kader ruim te worden geïnterpreteerd en omvat mede veeteelt, akker-, weide-, tuin- en bosbouw en dergelijke. De eis dat de grond bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd strekt ertoe de verkrijging voor privé-doeleinden én de bedrijfsmatige verkrijging ten behoeve van niet-landbouwdoeleinden uit te sluiten van de vrijstelling. Vervreemding van de grond behoeft er niet toe te leiden dat de vrijstelling wordt teruggenomen. De vrijstelling kan intact blijven indien de functie van de grond niet verandert en de bedrijfsmatige exploitatie als cultuurgrond door de opvolger wordt voortgezet. Ook de verkrijger zal in dat geval een beroep kunnen doen op de vrijstelling: dit houdt in dat de verplichting dat de functie van de grond niet wijzigt gedurende de komende tien jaar op hem komt te rusten. In voorkomende gevallen waarbij binnen de tienjaarstermijn wordt doorverkocht doet de verkopende partij er verstandig aan een kettingbeding in de koopovereenkomst op te nemen om financiële risico's uit ta sluiten. Door het opnemen van een algemene vrijstelling voor de verkrijging van cultuurgrond hebben de in artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer opgenomen onderdelen, s, t, v en w, hun belang verloren en kunnen vervallen.’
(Tweede Kamer, 2005–2006, 30 572 (Werken aan winst), nr. 9, blz. 17–18)
Het begrip cultuurgrond komt derhalve overeen met de oude term landerijen. De wetgever heeft slechts een uitbreiding voorgestaan ten aanzien van de ondergrond van glasopstanden, waarbij ook de grond ten behoeve van de substraatteelt In de vrijstelling kan delen.
Voor wat betreft de uitleg van de term landerijen kan worden verwezen naar het arrest van uw Raad van 25 juni 1997, nr. 29 597, BNB 1997/284, waarin uw Raad o.a. het volgende overwoog:
‘3.3.
In cassatie Is niet in geschil dat de glasopstanden waarover het gaat onroerend zijn.
Volgens de tekst van de Wet vallen zij, bij uitleg van het begrip landerijen naar het spraakgebruik, niet onder de vrijstelling. Ook naar de bedoeling van de wetgever, zoals volgt uit de door de Advocaat-Generaal in onderdeel 2.3 van zijn Conclusie uiteengezette geschiedenis van je totstandkoming van de vrijstelling, vallen gebouwde eigendommen — een begrip dat glasopstanden als deze omvat — niet onder landerijen in de zin van artikel 15, eerste lid, onder q van de Wet De omstandigheid dat in de moderne tuinbouw steeds meer glasopstanden als deze worden gebruikt, zodat — zoals volgt uit hetgeen hierna in 3.4 zal worden overwogen met betrekking tot de ondergrond — de vrijstelling minder vaak kan worden toegepast, legt onvoldoende gewicht in de schaal om de Wet voortaan zo uit te leggen dat (glas)opstanden onder het begrip landerijen in de zin van de vrijstelling vallen in de gevallen waarin de ondergrond van die opstanden als kweek- of teeltmiddel wordt gebruikt. Het Hof heeft derhalve de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder q, van de Wet ten onrechte toegepast op de verkrijging van de glasopstanden.
3.4.
Zoals door de Advocaat-Generaal in onderdeel 2.2 van zijn conclusie uiteengezet, brengt het stelsel van de Wet waarin wordt uitgegaan van het civielrechtelijke begrip onroerende zaak (toen: onroerend goed) mee dat opstallen en ondergrond, tenzij zij deze aan verschillende personen toebehoren, in de regel voor de toepassing van de Wet als één geheel moeten worden beschouwd. Er is geen grond daarover anders te oordelen bij de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder q, op het begrip ‘landerijen’. Dit betekent dat ook de ondergrond van de glasopstanden niet in de meergenoemde vrijstelling kan delen, anders dan — zoals kennelijk ook in het onderhavige geval is geschied — op grand van goedkeurend beleid.’
Onder landerijen zijn derhalve geen gebouwde eigendommen te verstaan en evenmin de ondergrond daarvan. Dat laatste vindt in het licht van de onderhavige vrijstelling slechts uitzondering ten aanzien van de ondergrond van glasopstanden, maar die uitzondering is in casu niet aan de orde.
Een bevestiging van de door mij voorgestane uitleg is ook te ontlenen aan de zogenoemde cultuurgrondvrijstelling in de onroerende-zaakbelastingen. Zie artikel 2 , eerste lid, aanhef en onderdeel a, en artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ en voor de omvang van de heffingsmaatstaf voor het Besluit OZB het bepaalde in artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en tweede lid, van de Gemeentewet, en de te dien aanzien gewezen jurisprudentie. In dat verband verwijs ik onder meer naar de navolgende jurisprudentie.
HR 24 september 1997, nr. 31 667, BNB 1997/378;
‘—3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de ondergrond van de glasopstanden moet worden aangemerkt als ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, als bedoeld in artikel 9, lid 1 van het Besluit gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen (tekst t/m 1994).
—3.3.
Het middel dat dit oordeel als onjuist bestrijdt is gegrond. Immers de door het Hof vastgestelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de ondergrond van de glasopstanden zelf niet meer primair de functie heeft de gewassen te voeden en te doen groeien. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat — zoals het Hof heeft overwogen — deze grond economisch dezelfde functie vervult en over eenzelfde oppervlakte wordt gebruikt als toen de teelt nog niet in bakken plaatsvond en evenmin de door het Hof genoemde omstandigheid dat de ondergrond mede een biologische functie voor de teelt zou hebben behouden. Blijkens de vaststellingen onder 2.3 van zijn uitspraak doe t het Hof met die laatstvermelde omstandigheid Immers uitsluitend erop dat de ondergrond gezond en onkruldvrij moet worden gehouden, mede dient tot bewerking en verzorging van het gewas, tot afvoer van overtollig water en als medium voor het op peil houden van de luchtvochtigheid. Dat een en ander brengt niet mee dat de ondergrond van de bakken (primair) de functie de gewassen te voeden en te doen groeien heeft. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt niet dat andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die deze gevolgtrekking wel zouden kunnen rechtvaardigen.
De ondergrond kan derhalve niet als cultuurgrond in de zin van de genoemde vrijstellingsbepaling worden aangemerkt.’
HR 28 juni 2002, nr. 36 895, V-N 2002/36.34:
‘Kennelijk en met juistheid heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat slechts dan sprake is van cultuurgrond in de zin van de vrijstellingsbepaling. Indien de grond (primair) da functie heeft gewassen te voeden en te doen groeien (HR 24 september 1997 , nr. 31 953, BNB 1997/378). 's Hofs kennelijke oordeel dat het perceel niet die functie heeft, is — gelet op de in cassatie te eerbiedigen vaststelling dat het dient als ondergrond woning, ondergrond diverse bijgebouwen, erf en erfverharding, tuin — niet onbegrijpelijk.’
Hof 's‑Hertogenbosch 16 september 2011, nr. 10/00242, V-N 2011/67.19.5:
‘4.3.
Tussen partijen is in geschil hoeveel grond kan worden opgenomen in de cultuurgrondvrijstelling.
Belanghebbende verdedigt het standpunt dat van de in 2.2 vermelde resterende oppervlakte van 6.966 m2 een deel, groot 800 m2, additioneel dient te worden opgenomen in de cultuurgrondvrijstelling. Genoemd deel ziet op een strook grond van 800 m2, welke in gebruik is voor het lossen van suikerbieten. De Heffingsambtenaar betoogt dat genoemde strook niet kan worden opgenomen in de cultuurgrondvrijstelling. Voorts neemt hij bij nader inzien het standpunt in dat de erfverharding, eveneens groot 800 m2, bij de waardering van de onroerende zaak ten onrechte in de cultuurgrondvrijstelling is opgenomen,
4.4.
Blijkens vaste jurisprudentie is de cultuurgronduitzondering slechts van toepassing indien de grond primair de functie heeft gewassen te voeden en te doen groeien ten behoeve van de land- of bosbouw (onder andere Hoge Raad 24 september 1997, nr. 31 953, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/378). Naar het oordeel van het Hof kan hieronder niet worden begrepen de grond die dient tot erfverharding en de grond die in gebruik is voor het lossen van suikerbieten. Gelet hierop is het gelijk op dit punt aan de Heffingsambtenaar en bedraagt de resterende oppervlakte (de niet in de cultuurvrijstelling opgenomen grond) 7.766 m2.’
Dat de wetgever ook niet heeft bedoeld in algemene zin de gebouwde eigendommen onder de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de Wet te laten vallen, wordt ook nog geïllustreerd door de navolgende passage uit de wetsgeschiedenis:
‘Gehandhaafd blijven die vrijstellingen waarbij naast de landbouwgrond mogelijk ook gebouwde eigendommen betrokken zijn. Dit betreft de vrijstellingen die van toepassing zijn Indien een verkrijging voortvloeit uit een krachtens een wet gemaakt plan tot landinrichting/ruilverkaveling of herinrichting van het land.’
(Tweede Kamer, 2005–2006, 30 572 (Werken aan winst), nr. 9, blz. 9)
Voorts kan ook worden verwezen naar de literatuur, waaronder J.C. van Straaten, Compendium overdrachtsbelasting, Sdu, tweede druk, par. 393, M.P. Bongard, Leidraad overdrachtsbelasting, FED,vierde druk, par. 165, en B.F. Preller en A. Verduijn, De nieuwe cultuurgrondvrijstelling in de WBR, FBN 2007/14. Binnen die literatuur bestaat consensus over het feit dat ondergrond van opstallen, met uitzondering van die van glasopstanden, niet tot cultuurgrond kunnen worden gerekend. Zie ook De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aantekeningen op artikel 15, lid 1, onderdeel q.
Het oordeel van het Hof in r.o. 6.2 van de onderhavige uitspraak geeft naar mijn mening mitsdien blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip cultuurgrond en daarmee van een onjuiste toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de Wet.
Hieraan doet de omstandigheid, dat in de Eerste Kamer (Eerste Kamer, 2006–2007, 30 572, C, blz. 40) is aangegeven dat niet alsnog overdrachtsbelasting zal worden geheven indien de grond binnen tien jaar wordt gebruikt voor de bouw van agrarische bedrijfsopstallen, niet af. Het gegeven antwoord dient te worden geplaatst in de context van het niet alsnog terugnemen van de genoten vrijstelling, maar staat geen andere invulling van het begrip cultuurgrond voor.
Aan de door het Hof aan het slot van r.o. 6.3 gemaakt opmerking dat het voor de praktijk niet werkbaar zou zijn, komt overigens reeds de grond te ontvallen wegens de rijke historie die op dit punt bestaat binnen de onroerende zaakbelastingen.
Derhalve heeft het Hof mijns inziens ten onrechte de grond onder de andere opstallen in de cultuurgrondvrijstelling laten deien.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco