NJB 2026/708:Strafbaarstelling van onder anderen ‘degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet’, art. 69 lid 1 AWR: pleger van het niet doen van de aangifte is degene die tot het doen van aangifte gehouden is. De verplichting tot het doen van aangifte ontstaat pas door uitreiking van een aangiftebiljet aan de belastingplichtige. Deze aangifteplicht kan aldus slechts worden vastgesteld bij degene die tot het doen van aangifte is uitgenodigd als voorzien in art. 8 lid 1 AWR. De wettelijke aangifteplicht rust op de vennootschap waaraan het aangiftebiljet blijkens de tenaamstelling daarvan is uitgereikt en op de belastingplicht van welke vennootschap die aangifte betrekking heeft, en niet (ook) op degene die als vertegenwoordiger of gemachtigde namens de vennootschap het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst heeft genomen of de aangifte feitelijk heeft gedaan. Opmerking verdient dat art. 47 t/m 51 Sr verschillende mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.