Hof 's-Hertogenbosch, 15-12-2022, nr. 200.295.952, 01
ECLI:NL:GHSHE:2022:4503
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
15-12-2022
- Zaaknummer
200.295.952_01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2022:4503, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 15‑12‑2022; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHSHE:2021:3141, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 14‑10‑2021; (Tussenuitspraak)
- Wetingang
Burgerlijk Wetboek Boek 1
art. 253c Burgerlijk Wetboek Boek 1
Uitspraak 15‑12‑2022
Inhoudsindicatie
1:253c BW. Afwijzen verzoek gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige noodzakelijk.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 15 december 2022
Zaaknummer: 200.295.952/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/252760 / FA RK 18-2700
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P. van der Geest,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.M.F. Prickartz.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost-Nederland, gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
Deze beschikking is een vervolg op de beschikking van dit hof van 14 oktober 2021.
5. De beschikking van 14 oktober 2021
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op 6 september 2021 is naar voren gekomen dat de ondertoezichtstelling voor [minderjarige] met een jaar is verlengd en dat het BOR-traject via [jeugdorganisatie] zou worden opgepakt. Aangezien voornoemd traject zich pas in de opstartfase bevond, achtte het hof zich op dat moment niet in staat om een beslissing over gezag te nemen. De ouders en de GI zijn verzocht om zich vóór 1 maart 2022 uit te laten over het verdere verloop van het BOR-traject bij [jeugdorganisatie] en de eventuele gevolgen van het verloop daarvan voor deze procedure. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van der Geest;
- mr. Prickartz;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI]
6.1.1.
De vader is hoewel behoorlijk opgeroepen niet op de mondelinge behandeling verschenen.
6.2.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI van 28 februari 2022 met bijlage;
- de brief van de GI van 31 maart 2022;
- het V7 formulier van de advocaat van de moeder van 8 april 2022;
- de e-mail van de advocaat van de vader van 21 april 2022;
- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 3 augustus 2022 met bijlage.
7. De verdere beoordeling
7.1.
De GI heeft het hof bij brief van 28 februari 2022 nader geïnformeerd over het verloop van het BOR3 traject door de toezending van de eindrapportage van het BOR3 traject van [jeugdorganisatie] van 10 januari 2022. Hierin komt het volgende naar voren. Het BOR3 traject rust op 3 pijlers: veiligheid, contactherstel en relatieopbouw. Veiligheid wordt daarbij gezien als een voorwaarde om aan contactherstel en relatieopbouw te kunnen werken. [jeugdorganisatie] komt tot de conclusie dat er in de huidige context geen mogelijkheden zijn om toe te werken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Uit de gesprekken met [minderjarige] komt volgens [jeugdorganisatie] naar voren dat het thema contactherstel, in ernstige mate raakt aan het ervaren van gevoelens van onveiligheid. Er zal daarom niet verder worden toegewerkt aan enige vorm van contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] heeft ernstige traumaklachten en er moet rust komen. Het BOR3 traject is afgerond en dit is terug gerapporteerd aan de raad en de gezinsvoogd.
7.2.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 27 juni 2022 met het zaaknummer C/03/252760 / FA RK 18-2700 is het verzoek van de vader tot het vaststellen van een contactregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen. De vader heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
7.3.
De moeder voert -samengevat- tijdens de mondelinge behandeling het volgende aanvullend aan. [minderjarige] ervaart veel traumaklachten en spanning rondom het thema vader. Wanneer de vader het gezag behoudt kan dit zorgen voor een complexe situatie tijdens de behandeling van [minderjarige] onder meer vanwege de informatie van de behandeling die gedeeld kan worden met beide gezaghebbende ouders. De moeder acht gezamenlijk gezag dan ook niet in het belang van [minderjarige] .
7.4.
De vader voert -samengevat- tijdens de mondelinge behandeling het volgende aanvullend aan. De vader erkent dat er rust nodig is voor [minderjarige] . Dat is ook de reden dat de vader niet in hoger beroep is gegaan tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het vaststellen van een contactregeling. De vader acht het in stand houden van het gezag echter wel noodzakelijk en van belang in de toekomst. Mede vanwege de ervaringen in het verleden wil de vader niet afhankelijk zijn van de welwillendheid van de moeder ten aanzien van welke informatie hij krijgt. De vrees dat de vader zijn gezag zou misbruiken is ten onrechte en dit is in het verleden ook niet gebeurd. Zo wenst de vader ook geen inhoudelijke informatie met betrekking tot de behandeling van [minderjarige] van zijn trauma en staat het gezag naar mening van de vader de behandeling niet in de weg. De vader wil alleen het traject monitoren en graag een betrokken ouder zijn.
7.5.
De GI voert -samengevat- het volgende aan. [minderjarige] lijdt enorm onder de onzekerheid en onduidelijkheid van de situatie. Hierdoor komt [minderjarige] niet toe aan zijn volgende traject: de behandeling van zijn trauma die hij zo hard nodig heeft. Met name de situatie rondom het gezag zorgt voor deze onrust bij [minderjarige] . Voor de behandeling van [minderjarige] is het van belang dat er sprake is van rust en stabiliteit. De GI acht gezamenlijk gezag daarom niet in belang van [minderjarige] .
7.6.
De raad maakt zich grote zorgen over de problemen bij [minderjarige] . De behandeling van [minderjarige] is absoluut noodzakelijk en dat kan pas wanneer er rust is. De raad acht gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] .
7.7.
Het hof overweegt het volgende. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is duidelijk dat [minderjarige] door het gezag van de vader veel onrust ervaart. Deze onrust maakt ook dat de noodzakelijke therapie van [minderjarige] niet kan starten. Bovendien zorgt het in stand houden van het gezamenlijk gezag dat de gehele situatie rondom de noodzakelijke therapie van [minderjarige] ingewikkeld wordt. Vanwege de leeftijd van [minderjarige] dient een behandelaar of therapeut namelijk informatie te verstrekken aan de gezaghebbende ouder(s). Dit zorgt voor een onveilig gevoel bij [minderjarige] . Dit onveilige gevoel is verklaarbaar, omdat de behandeling juist (ook) ziet op de zorgelijke uitlatingen van [minderjarige] over gebeurtenissen die tussen hem en de vader zouden hebben plaatsgevonden. Dit alles samen maakt dat het hof van oordeel is dat het afwijzen van het verzoek tot gezamenlijk gezag van de vader in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof wijst het verzoek van de vader dus af op grond van art 1:253c lid 2 sub b BW. De door de advocaat van de vader aangehaalde jurisprudentie ziet op de afwijzingsgrond onder sub a, zodat deze hier geen nadere bespreking behoeft.
7.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en zal beslissen als na te melden.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 23 maart 2021 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen (de beslissing over het gezag)
en opnieuw rechtdoende:
wijst af het verzoek van de vader om samen met de moeder belast te worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.F.A.M. Graafland en A.J.F. Manders en is op 15 december 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 14‑10‑2021
Inhoudsindicatie
verzoek 1:253c BW. Aanhouding procedure in afwachting van het verloop van het BOR-traject.
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 oktober 2021
Zaaknummer: 200.295.952/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/252760 / FA RK 18-2700
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P. van der Geest,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. K.J. Hoogerwerf.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt: Stichting Bureau Jeugdzorg, gevestigd te [vestigingsplaats] , de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 23 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 juni 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt voor wat betreft de beslissing over het gezag) en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat het verzoek van de vader tot het vaststellen van gezamenlijk gezag wordt afgewezen en dat aldus aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 13 juli 2021, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van der Geest;
-de vader, bijgestaan door mr. Hoogerwerf, waarbij de vader via een beeldbelverbinding aanwezig is geweest;
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
2.3.1.
De raad heeft bij brief van 3 september 2021 aan het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 januari 2021;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 24 juni 2021;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 5 juli 2021.
3. De beoordeling
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.
Bij beschikking van 8 februari 2019 heeft de rechtbank de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] .
Tot aan de bestreden beschikking had de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
3.2.
Bij beschikking van 13 september 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI.
De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 september 2022.
3.3.
Bij beschikking van 2 oktober 2020, verbeterd bij beschikking van 22 januari 2021, heeft de rechtbank bepaald dat de moeder de vader een keer per drie maanden, telkens op de eerste van de maand, voor het eerst op 1 november 2020, schriftelijk dient te informeren over het wel en wee van [minderjarige] , in het bijzonder over hoe het met [minderjarige] gaat (thuis en op school), zijn gezondheid, de hulpverlening aan hem, zijn hobby’s/bezigheden en contacten met vriendjes, en dat zij dan tevens een recente, duidelijke foto van [minderjarige] aan de vader stuurt.
3.4.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de vader en de moeder belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .
3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.
De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan het advies van de raad, waarbij meerdere informanten betrokken zijn geweest. De rechtbank gaat er verder aan voorbij dat de moeder al geruime tijd hulpverlening vanuit een GZ-psycholoog ontvangt en dat volgens de psycholoog omgang (en volgens de moeder derhalve ook gezamenlijk gezag) tot paniekklachten en tot depressieve klachten bij de moeder zullen leiden, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is.
De moeder is gedurende de ondertoezichtstelling gegroeid en zij is emotioneel stabieler en rustiger.
De GI heeft geconstateerd dat de angsten die de moeder voor de vader heeft voor haar reëel zijn en dat deze niet voortkomen uit manipulatie om de vader buiten beeld te houden. [jeugdorganisatie] geeft aan dat zolang de vader in beeld is, het de moeder niet lukt om haar primaire taak als beschermer van [minderjarige] los te laten en om zich open te stellen voor de hulpverlening die is gericht op haar taak als opvoeder. Wanneer de dreiging van de vader bestaat heeft dit een forse impact op de opvoedingssituatie van [minderjarige] .
In een ronde tafeloverleg met de raad, de GI, [jeugdorganisatie] en een gedragsdeskundige is geconcludeerd dat de verzoeken van de vader tot omgang en gezag moeten worden afgewezen, omdat dit een negatieve invloed zal hebben op het functioneren van de moeder, hetgeen een weerslag op [minderjarige] zal hebben.
De rechtbank suggereert dat de angst van de moeder ongegrond is en dat het aan haar te wijten is dat er geen sprake is van communicatie. Indien er sprake is van verplicht contact tussen de moeder en de vader zal haar angst echter worden getriggerd. De rechtbank gaat er verder aan voorbij dat uit het BOR-traject kan volgen dat omgang niet in het belang van [minderjarige] is. De beslissing over het gezag is prematuur.
Vanwege de contra-indicaties die er zijn brengt het belang van [minderjarige] met zich mee dat het verzoek tot gezamenlijk gezag dient te worden afgewezen.
3.6.1.
De moeder heeft hier tijdens de mondelinge behandeling nog het volgende aan toegevoegd.
Zij stemt in met het traject dat door [jeugdorganisatie] is ingezet en zij is ook blij dat [minderjarige] met iemand kan praten. Op deze wijze kan [minderjarige] zijn verhaal zelf doen. Het belang van [minderjarige] staat voorop en de moeder zal [minderjarige] volgen.
De moeder heeft verder geen beroep ingesteld tegen de informatieregeling en zij zal zich aan deze regeling gaan houden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is geregeld dat de ouders elkaars emailadres hebben gekregen. De moeder ging er overigens vanuit dat de vader al werd geïnformeerd. Zij heeft de GI nu ook toestemming gegeven om informatie aan de vader te verstrekken.
Er moet echter eerst worden bezien of er daadwerkelijk een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] van de grond gaat komen, voordat de vader met het gezag over [minderjarige] wordt belast.
De beslissing over het gezag heeft ervoor gezorgd dat de moeder meer spanningen ervaart.
De moeder voelt zich door het gezamenlijk gezag belemmerd in haar vrijheid om met [minderjarige] op vakantie te gaan en gaat derhalve niet. Verder staat ze op de wachtlijst voor een betere woning, maar voelt ze zich evenmin in staat om de vader toestemming voor een verhuizing te vragen.
Primair verzoekt de moeder nog steeds om het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af te wijzen; subsidiair verzoekt ze om de beslissing hierover aan te houden.
3.7.
De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.
Gezamenlijk gezag is het uitgangspunt van de wetgever. Er is geen sprake van een situatie waarbij [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders of afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige] is.
De vader is het eens met de overwegingen van de rechtbank. De vrees dat [minderjarige] klem zal raken is onterecht. De vader wil de dagelijkse beslissingen over [minderjarige] bij de moeder laten. Hij is in staat en bereid om met de moeder te communiceren.
De moeder doet er alles aan om de vader uit het leven van [minderjarige] te houden en zij blijft zich ten onrechte op het standpunt stellen dat er sprake is geweest van misbruik en slaan, terwijl de rechtbank reeds bij beschikking van 8 januari 2019 heeft overwogen dat hiervan geen sprake is.
Omdat de vader geen gezag had, zijn de GI, [jeugdorganisatie] en de raad door de moeder eenzijdig geïnformeerd. De vader heeft via de moeder nog steeds geen informatie over de hulpverlening van [minderjarige] ontvangen.
Het ligt op de weg van de moeder om hulp voor haarzelf te zoeken om een rol voor de vader in het leven van [minderjarige] te aanvaarden.
Het gezamenlijk gezag is een eerste noodzakelijke stap om bij [minderjarige] betrokken te raken. [minderjarige] zal hierdoor, alsmede via contactopbouw, een eigen en eerlijk beeld van de vader kunnen vormen.
3.7.1.
De vader heeft hier tijdens de mondelinge behandeling nog het volgende aan toegevoegd.
De beslissing van de rechtbank om de vader samen met de moeder met het gezamenlijke gezag over [minderjarige] te belasten heeft tot een positieve doorbraak geleid. De vader wil graag een positie krijgen en houden.
De vader is blij met het traject van [jeugdorganisatie] . Hij vindt het goed dat er bij het tempo van [minderjarige] wordt aangesloten en in het belang van [minderjarige] maakt de vader een pas op de plaats.
De vader zal voorzichtig met het gezag omgaan en zal niet dwarsliggen in het kader van bijvoorbeeld vakanties. Zo heeft hij bewust nog geen direct contact met de school opgenomen en dit via de GI gedaan, om te voorkomen dat de moeder onnodige stress krijgt. De vader wil rekening houden met de moeder. De beschuldigingen van de moeder gaan echter te ver.
In de toekomst wil de vader zelfstandig contact kunnen opnemen met instanties. Het is ook van belang dat de vader een positie krijgt in het kader van de hulpverlening. Toen de vader nog geen gezag had werd hij door de GI nergens bij betrokken en kreeg hij geen informatie. Hierdoor is er een eenzijdig beeld over hem ontstaan. De vader hoopt dat er een goede band met [minderjarige] kan gaan ontstaan en dat hij uiteindelijk een rol in het leven van [minderjarige] kan spelen en op een goede manier het gezag kan uitoefenen.
3.8.
De GI heeft - kort samengevat - het volgende verklaard.
Na de beschikking van de rechtbank is er direct contact met [jeugdorganisatie] geweest.
[jeugdorganisatie] heeft aangegeven dat er sprake is van een precaire situatie. Vanuit een eerder traject is [minderjarige] al bij hen bekend. Er hebben afzonderlijke gesprekken plaatsgevonden met beide ouders en [jeugdorganisatie] heeft aan hen uitgelegd hoe zij te werk willen gaan. De ouders zijn hiermee akkoord gegaan. Op zorgvuldige wijze zullen steeds kleine stapjes worden gemaakt, die voor [minderjarige] passend zijn. Zo wordt [minderjarige] eerst in de gelegenheid gesteld om te wennen aan de omgangsbegeleider, zodat hij met die begeleider een vertrouwensband kan opbouwen. Vervolgens zal het onderwerp ‘vader’ door middel van een foto of een kaartje worden geïntroduceerd.
De speltherapie die [minderjarige] via [jeugdorganisatie] krijgt dient echter niet te worden verstoord. Het blijft van belang dat [minderjarige] een goede band met de therapeut kan opbouwen. In de zomer hebben er wekelijkse contacten tussen [minderjarige] en de speltherapeut plaatsgevonden.
De ondertoezichtstelling is inmiddels voor de duur van een jaar verlengd.
In het kader van het gezag hebben er zich volgens de GI geen bijzonderheden voorgedaan. Voor [minderjarige] maakt het geen verschil of de vader al dan niet het gezag over hem krijgt.
De GI ziet echter wel dat de moeder uit haar evenwicht kan raken, hetgeen het proces kan belemmeren. De GI is nog steeds van mening dat het op dit niet moment niet passend is dat de vader met het gezag over [minderjarige] wordt belast en dat het BOR-traject moet worden afgewacht. De vader wordt door de GI en door de moeder geïnformeerd en er zal nog worden gekeken in overleg met de moeder en de leerkracht op welke wijze de vader structureel meer informatie over [minderjarige] kan krijgen. Zelfs als de vader geen gezag heeft kan hij in het belang van [minderjarige] bij de hulpverlening worden betrokken.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
- a.
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
- b.
afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.9.2.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is naar voren gekomen dat de ondertoezichtstelling voor [minderjarige] met een jaar is verlengd en dat het BOR-traject via [jeugdorganisatie] op zorgvuldige wijze wordt opgepakt.
Zowel de vader als de moeder staan positief tegenover de wijze waarop het proces door [jeugdorganisatie] in gang wordt gezet en werken daaraan mee, hetgeen het hof een goede ontwikkeling acht.
Aangezien voornoemd traject zich nog in de opstartfase bevindt, acht het hof zich op dit moment niet in staat om een beslissing over gezag te nemen.
3.9.3.
Het hof zal op grond hiervan de procedure tot 1 maart 2022 pro forma aanhouden in afwachting van het verdere verloop van het BOR-traject.
Aan de ouders en de GI wordt gevraagd om zich vóór die datum uit te laten over het verloop van het BOR-traject en de eventuele gevolgen hiervan voor deze procedure.
3.9.4.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
4. De beslissing
Het hof:
verzoekt de ouders en de GI om zich vóór 1 maart 2022 uit te laten over het verdere verloop van het BOR-traject bij [jeugdorganisatie] en de eventuele gevolgen van het verloop voor deze procedure;
houdt iedere overige beslissing aan tot 1 maart 2022 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, E.M.C. Dumoulin en H.M.A.W. Erven en is op 14 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.