Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/328:328 Belang van het onevenredigheidscriterium
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/328
328 Belang van het onevenredigheidscriterium
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS451074:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Huydecoper voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980, waarin hij verwijst naar HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1916, NJ 1988, 747, m.nt. W.H. Heemskerk (SOBI/Hollandia-Kloos) en HR 24 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0382, NJ 1989, 121, m.nt. J.B.M. Vranken (Van Ewijk/Staat).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onevenredigheidscriterium is nuttig in zaken waarin factoren op zichzelf niet, maar gestapeld wel, kunnen leiden tot afwijzing van het verzoek. Stel dat de materiële rechtspositie van de verzoeker weliswaar zwak is, maar geen sprake is van een kansloze vordering, namelijk een vordering die – bij oppervlakkige beoordeling – hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen. De verzoeker heeft dan voldoende belang bij zijn verzoek, maar de factor van een kansarme vordering kan wel een rol spelen bij de belangenafweging op grond van het onevenredigheidscriterium. Hetzelfde geldt als de rechter een verzoek niet een schaamteloze fishing expedition kan noemen, maar de te onderzoeken feiten geen duidelijke begrenzing kennen. De oeverloosheid van het verzoek wordt dan één van de relevante belangen in een belangenafweging op grond van het onevenredigheidscriterium.1 Ten slotte kan geen misbruik op grond van het doelcriterium worden aangenomen als de verzoeker geoorloofde en ongeoorloofde doelen nastreeft, maar de ongeoorloofde doelen niet doorslaggevend zijn voor het indienen van het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor. Als de verzoeker het voorlopig getuigenverhoor bijvoorbeeld ook kan en wil gebruiken om de publiciteit te zoeken, maar dit ongeoorloofde doel niet doorslaggevend is voor het indienen van het verzoek, dan bestaat geen misbruik op grond van het doelcriterium. Wel zijn de negatieve publiciteit en de gevolgen daarvan voor de verweerder een factor die meegenomen kan worden in een belangenafweging.