Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/6.1
6.1 INLEIDING
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS447399:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze algemene verplichtingen vloeien voort uit art. 6, lid 1 Hrl respectievelijk art. 6, lid 2 Hrl. Art. 6, lid 3 en lid 4 Hrl bevat procedurele waarborgen met betrekking tot het voorkomen van plannen en projecten met significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Zie Europese Commissie 2000b, p. 8.
De aanschrijvingsbevoegdheid van art. 19c, lid Nbw 1998 is bedoeld om aantasting van kwalificerende natuurwaarden te voorkomen.
Aldus art 6, lid 1 Hrl, tweede deel. Een nadere uitleg van deze maatregelen is te vinden in Europese Commissie 2000b, p. 21-22.
Deze verplichting bestaat alleen voor zover dat noodzakelijk is om een speciale beschermingszone in stand te houden. Aldus Europese Commissie 2000b, p. 21.
Europese Commissie 2000b, p. 8.
Een overzicht van mogelijke financieringsbronnen voor de realisering en instandhouding van Natura 2000-gebieden is te vinden in Leneman e.a. 2009.
De hoofdlijn van deze regelingen wordt besproken in Kole 2011.
Een en ander hoeft dus niet te betekenen dat deze fondsen niet ten gunste van de bescherming van een Natura 2000-gebied kunnen worden ingezet.
De doelstelling van artikel 6 Hrl is het beschermen van kwalificerende habitats en soorten in Natura 2000-gebieden (Vrl-SBZ’s en Hrl-SBZ’s). Daarvoor is het noodzakelijk om een gunstige staat van instandhouding te behouden, dan wel te realiseren. Dit kan worden bereikt door het treffen van positieve en negatieve instandhoudingsmaatregelen (i.c. het voorkomen van kwaliteitsverlies van habitats en aanzienlijke verstoring van soorten).1 Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden kan daarvoor worden ingezet. In de huidige Nbw 1998 ontbreekt een bevoegdheidsgrondslag om algemeen verbindende voorschriften in een beheerplan op te nemen. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk om de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen – positief of negatief – op basis van een beheerplan af te dwingen.
Het ontbreken van algemeen verbindende voorschriften in het beheerplan is vooral problematisch met betrekking tot het afdwingen van positieve instandhoudingsmaatregelen.2 De Nbw 1998 bevat geen andere instrumenten om dat doel te realiseren.3 Dit is van belang omdat de lidstaten op basis van artikel 6, eerste lid Hrl verplicht zijn om voor het behoud van de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen te treffen. Hierbij kan worden gekozen uit ‘passende specifieke of van ruimtelijke ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen’ of ‘passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen’.4 De passende maatregelen kunnen bestaan uit plannen of overeenkomsten. Het is op basis van de Hrl niet verplicht om voor het beschermen van Natura 2000-gebieden gebruik te maken van een beheerplan.5
In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden onderzocht om Natura 2000-gebieden met behulp van ‘passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overkomst berustende maatregelen’ te beschermen. Onder de bescherming van een Natura 2000-gebied wordt verstaan: het behoud of het realiseren van een gunstige staat van instandhouding van kwalificerende habitats en soorten. De EC laat de keuze en de invulling van passende maatregelen over aan de lidstaten. In de EC-handreiking voor het ‘Beheer van Natura 2000-gebieden’ is een opsomming opgenomen van mogelijke passende maatregelen zoals milieumaatregelen in de land- en bosbouw. In de visie van de EC ‘kunnen alle relevante EU-financieringsmechanismen (bv. Life en de fondsen voor plattelandsontwikkeling en regionale ontwikkeling) worden gezien als potentiële instrumenten voor het ten uitvoer leggen van deze maatregelen’. Bij het treffen van passende maatregelen moet rekening worden gehouden met de sociaal economische vereisten van artikel 2, derde lid Hrl. Daarnaast moeten dergelijke maatregelen a) voldoen aan de ecologische eisen van de natuurlijke typen van habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in ieder gebied voorkomen, en b) ervoor zorgen dat het algemene doel van de richtlijn, te weten het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van unierechtelijk belang, wordt gerealiseerd.6
In dit hoofdstuk wordt onderzocht of het mogelijk is subsidieovereenkomsten in te zetten voor de bescherming van Natura 2000-gebieden in Nederland. Hiertoe worden de toepassingsmogelijkheden van enkele internationale en nationale subsidieregelingen geanalyseerd (par 6.2 en 6.3). Het gaat om subsidieregelingen die exclusief voor natuurbeheer en natuurontwikkeling zijn bedoeld.7 Dit betreft het LIFE+ programma, onderdelen van het Europese Landbouwfonds, de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer (hierna: SNL) en de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap (hierna: Sknl).8 De Europese structuurfondsen en het ESF zijn buiten beschouwing gelaten omdat genoemde regelingen niet exclusief zijn bedoeld voor natuurbeheer en natuurontwikkeling.9 In paragraaf 6.4 wordt aandacht besteed aan de relatie tussen de verschillende subsidieregelingen en artikel 6 Hrl. Het hoofdstuk wordt besloten met een conclusie.