Rb. Midden-Nederland, 19-01-2022, nr. 9447230
ECLI:NL:RBMNE:2022:94
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
19-01-2022
- Zaaknummer
9447230
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2022:94, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 19‑01‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 19‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Toewijzing geldvordering voor onbetaald gelaten facturen. Afwijzing beroep op opschorting wegens uitblijven tijdige terugbetaling van een uitstaande borg.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel rechtkantonrechter
locatie Utrecht
Vonnis van 19 januari 2022
in de zaak met zaaknummer / rolnummer 9447230 / UC EXPL 21-6721 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] , gemachtigde LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam], wonende te [woonplaats] , gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] , verschenen in persoon.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding;
- -
de conclusie van antwoord;
- -
de conclusie van repliek;
- -
de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Waar het in deze procedure om gaat
2.1.
[eiseres] leverde wekelijks onderdelen voor motorvoertuigen aan [gedaagde] . Ook leende zij wekelijks gereedschap uit, waarvoor [gedaagde] geen huurprijs betaalde, maar een borg die na retournering van het gereedschap gecrediteerd werd. Partijen hebben mondeling afgesproken dat [gedaagde] op de 8e, 15e en 23e en laatste dag van de maand een factuur zou krijgen voor de in de week daarvoor gedane bestellingen en te crediteren borgbedragen.
2.2.
Op 15, 23, 29 en 8 maart 2020 heeft [eiseres] vier facturen aan [gedaagde] verstuurd voor in totaal € 2.197,29 voor de bestellingen en crediteringen in de daaraan voorafgaande week. [gedaagde] heeft deze facturen onbetaald gelaten.
2.3.
In deze procedure vordert [eiseres] , na een vermindering van eis, om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.000,06 voor de openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, € 300,10 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Volgens [eiseres] verkeert [gedaagde] in verzuim met de betaling van de facturen. Voor een nog uitstaande borg van € 163,00 op de factuur van 8 maart 2020, die per abuis niet is gecrediteerd op de factuur van 15 maart 2020, heeft [eiseres] haar eis verminderd. [gedaagde] heeft niet eerder dan in deze procedure daarover geklaagd, ondanks dat zij meerdere aanmaningen en sommaties ontving. Bovendien ontslaat dit [gedaagde] niet van haar verplichting om het erkende deel van de facturen wel tijdig te betalen. Die facturen stonden al open voordat deze creditering op 15 maart 2020 diende plaats te vinden. [gedaagde] kon zich daarom niet meer beroepen op opschorting en heeft dat eerder ook niet gedaan. Bovendien is het beroep op opschorting voor alle openstaande facturen buitenproportioneel.
2.4.
[gedaagde] erkent dat er een bedrag van € 2.000,06 openstaat dat zij nog moet betalen. Van de vierde factuur van 8 maart 2020 (kenmerk [.] ) moet nog een bedrag van € 163,00 aan borg gecrediteerd worden voor een "timingkit distributieketting" op de factuur van 15 maart 2020 (kenmerk [..] ). Deze was uitgeleend door [eiseres] aan [gedaagde] op 6 maart 2020 en is de week erna geretourneerd. [gedaagde] heeft destijds tegen [eiseres] gezegd dat zij, zo lang deze borg nog niet terugbetaald was, de openstaande vier facturen niet zou betalen. Zodra het bedrag van € 163,00 is gecrediteerd, is [gedaagde] bereid het restant van € 2.000,06 te betalen, maar dan zonder rente en kosten. Bovendien wil [gedaagde] in termijnen betalen, omdat zij in betalingsonmacht verkeert.
3. De beoordeling
Het beoordelingskader: opschorting van betaling
3.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiseres] met de vermindering van eis het bedrag van € 163,00 heeft gecrediteerd en dat [gedaagde] nog een bedrag van € 2.000,06 aan [eiseres] dient te betalen, zodat de kantonrechter dat bedrag zal toewijzen.
3.2.
Partijen verschillen wel van mening over de vraag of het bedrag van € 2.000,06 met de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente vermeerderd mag worden. Hiervoor is van belang of [gedaagde] een gegrond beroep op opschorting van haar betalingsplicht van de vier openstaande facturen heeft gedaan.
3.3.
Bij een wederkerige overeenkomst, waarvan in dit geval sprake is, is opschorting mogelijk van tegenover elkaar staande verbintenissen als de schuldenaar zich door gehele of gedeeltelijke ontbinding kan bevrijden van zijn (op te schorten) verbintenis, zodra deniet-nakoming door zijn wederpartij een definitief karakter gaat dragen (artikel 6:262 BW). Daarnaast is opschorting mogelijk als de schuldenaar kennis heeft van omstandigheden die haar goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar verplichtingen niet zal nakomen, waarbij de opschorting eindigt als het gevaar van niet-nakoming is geweken (artikel 6:263 BW). In beide gevallen moet de opschorting proportioneel zijn tegenover de gevolgen van de (dreigende) niet-nakoming.
Heeft [gedaagde] tijdig en gegrond een beroep op opschorting gedaan?
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij voorafgaand aan deze procedure een beroep op opschorting heeft gedaan, zoals [eiseres] heeft betwist. Niet gebleken is namelijk dat [gedaagde] al eerder contact heeft opgenomen met [eiseres] over het uitblijven van de creditering op 15 maart 2020 en dat zij toen al heeft medegedeeld aan [eiseres] dat zij de betaling van de openstaande facturen zou opschorten. [eiseres] heeft daarentegen wel onderbouwd dat [gedaagde] door [naam onderneming] en haar gemachtigde herhaaldelijk is aangemaand en gesommeerd om tot betaling over te gaan, waarop door [gedaagde] niet is gereageerd. Daardoor verkeerde [gedaagde] bij het starten van deze procedure al in (schuldeisers)verzuim, waardoor een beroep op opschorting in beginsel niet meer mogelijk is. Nadat [gedaagde] het uitblijven van de creditering in deze procedure had aangekaart, heeft [eiseres] direct onderzoek ingesteld en haar eis verminderd.
3.5.
Het beroep op opschorting door [gedaagde] in deze procedure vindt de kantonrechter ook ongegrond. De opschorting voor een totaalbedrag van € 2.000,06 door [gedaagde] voor het uitblijven van een creditering van € 163,00 door [eiseres] is niet proportioneel, waarbij de kantonrechter meeweegt dat partijen op wekelijkse basis met elkaar samenwerkten en uit de facturen blijkt dat [gedaagde] diverse onderdelen kocht en regelmatig gereedschap leende tegen borgstelling zonder tegenprestatie. Het eenmaal uitblijven van een creditering van één borg is dan ook niet direct te kwalificeren als een ernstige tekortkoming die opschorting van alle openstaande verplichtingen rechtvaardigt. [gedaagde] had de openstaande facturen daarom moeten betalen behoudens een - hoogstens - op te schorten bedrag van € 163,00.
3.6.
Dat [gedaagde] momenteel in betalingsonmacht verkeert, is ook geen geldige reden voor opschorting of uitstel van betaling, en treft daarom hetzelfde lot van afwijzing.
Buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten
3.7.
Dat brengt mee dat de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente over de openstaande hoofdsom van € 2.000,06 toewijsbaar zijn. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief waarbij [eiseres] zegt aan te sluiten. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 300,01.
3.8.
Ook zal de kantonrechter [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. Die kosten van [eiseres] worden begroot op € 102,15 voor de dagvaarding, € 507,00 voor het griffierecht en € 436,00 voor salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 218,00), derhalve in totaal € 1.045,15.
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.528,43 (inclusief € 300,01 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 228,36 aan wettelijke handelsrente tot 30 augustus 2021), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.000,06 vanaf 30 augustus 2021 tot de dag van algehele voldoening;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 1.045,15, waarin € 436,00 begrepen aan salaris gemachtigde;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2022.