Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.1
8.1 Inleiding
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291618:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In dit overzicht is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat ten onrechte btw is berekend over een vastgoedtransactie. In die situatie is wel herziening van de ten onrechte toegepaste aftrek mogelijk (zie paragraaf 8.5.3.2.2).
Op grond van art. 168 Btw-richtlijn bestaat recht op aftrek voor zover sprake is van gebruik voor belaste handelingen. Die regel kent een aantal uitzonderingen. Op grond van art. 169 Btw-richtlijn geldt, bij wijze van uitzondering, ook een recht op btw-aftrek bij gebruik voor in het buitenland verrichte handelingen die in het binnenland recht op aftrek zouden geven alsmede bij gebruik voor bepaalde vrijgestelde handelingen. Voor een onroerend goed dat zowel voor bedrijfsdoeleinden als privédoeleinden van de belastingplichtige, zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt en dat zakelijk is geëtiketteerd, bepaalt art. 168bis Btw-richtlijn dat het recht op btw-aftrek beperkt is tot het gebruik voor de aftrekgerechtigde bedrijfsactiviteiten. Daarnaast kan een lidstaat op grond van art. 176 Btw-richtlijn aftrekuitsluitingen handhaven die golden op grond van de wetgeving vóór de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn en kan een lidstaat investeringsgoederen of andere goederen op grond van art. 177 Btw-richtlijn - na raadpleging van het Btw-comité - om conjuncturele redenen uitsluiten. Die specifieke uitzonderingen op de regel van art. 168 Btw-richtlijn laat ik in dit hoofdstuk onbesproken.
In de hoofdstukken 4 tot en met 7 is behandeld of een vastgoedtransactie belastbaar is en, zo ja, of zij belast is of vrijgesteld. In dit hoofdstuk wordt behandeld wat de gevolgen zijn voor het recht op btw-aftrek en de herziening daarvan voor de leverancier/exploitant van het vastgoed en zijn afnemer. Voor de leverancier/exploitant van vastgoed heeft zowel een belaste, een vrijgestelde als een onbelastbare vastgoedtransactie gevolgen voor zijn recht op aftrek, terwijl deze transactie ook aanleiding kan geven tot herziening van zijn aftrek. Is de vastgoedtransactie onbelastbaar of vrijgesteld, dan krijgt de afnemer van de leverancier/exploitant – als het goed is – geen btw in rekening gebracht die hij in aftrek kan brengen. Een herziening van de aftrek is dan ook niet mogelijk. Voor de afnemer van een vastgoedtransactie is een recht op btw-aftrek en herziening daarvan derhalve slechts mogelijk indien die ingaande vastgoedtransactie belast is. Het belang van het recht op btw-aftrek en de herziening is groot, aangezien het de btw-druk bepaalt op de leverancier/exploitant die de belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie verricht respectievelijk degene aan wie de belaste vastgoedtransactie wordt verricht. In onderstaande figuur is voormeld verband tussen de ‘aftrekpijler’, de vrijstellingspijler en de pijler van de belastbaarheid weergegeven.1
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. In paragraaf 8.2 wordt ingegaan op het ontstaan en de omvang van recht op aftrek.2 Omdat slechts recht op aftrek bestaat voor zover sprake is van gebruik voor belaste handelingen, dient de btw gesplitst te worden in een aftrekbaar en een niet-aftrekbaar deel indien sprake is van een gebruik voor belaste en vrijgestelde handelingen. Die splitsingsregels komen aan bod in paragraaf 8.3. Indien slechts deels sprake is van gebruik voor belastbare handelingen (en dus deels voor onbelastbare handelingen), dan dient de btw gesplitst te worden in een deel dat toerekenbaar is aan de belastbare handelingen en een deel dat toerekenbaar is aan de onbelastbare handelingen. Op die splitsing van de btw in een deel dat toerekenbaar is aan de belastbare handelingen en een deel dat verband houdt met de onbelastbare handelingen wordt ingegaan in paragraaf 8.4. Ik hanteer die (omgekeerde) volgorde bewust, zodat ik in paragraaf 8.4 kan terugvallen op de behandeling van de splitsingsregels die zijn besproken in paragraaf 8.3. Na de bespreking van de regels die betrekking hebben op het ontstaan en de omvang van het recht op aftrek, komt in paragraaf 8.5 de herziening van de btw-aftrek aan bod. Na afloop van iedere paragraaf wordt de balans opgemaakt en de vraag beantwoord of en, zo ja, in hoeverre het positieve recht beantwoordt aan het beginsel van de fiscale neutraliteit en, zij het in mindere mate, het rechtskarakter van de btw. In paragraaf 8.6 wordt dit hoofdstuk beëindigd met enkele afsluitende opmerkingen.