Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.3.2:12.3.2 Nutsvereiste, literatuur
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.3.2
12.3.2 Nutsvereiste, literatuur
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS488423:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de inhoud van de termen ‘ten nutte van’ (het nutsvereiste) bestond in de literatuur verschil van mening. Bespreken wij vier meningen:
Scholten1 is van mening dat het recht niet tot enkel persoonlijke genoegens of voordeel van de eigenaar mag strekken.
‘het voordeel, dat de eigenaar van het heerschend erf met de vestiging van een erfdienstbaarheid beoogt, moet voor hem zijn een voordeel als eigenaar, de erfdienstbaarheid moet hem van dienst zijn bij het gebruik dat hij van zijn erf maakt, door haar moet het erf in meerdere mate aan de bestemming, waartoe het gebruikt wordt, kunnen beantwoorden.’
De bezwaren tegen deze leer worden door Asser/Beekhuis verwoord. Het nut kan afhangen van omstandigheden die met de persoon van de eigenaar van het heersend erf te maken hebben. Het woord ‘bestemming’ kan in subjectieve zin worden uitgelegd.2
Volgens Van Oven is ieder beding ten behoeve van de eigenaar van het heersend erf als zodanig en zijn opvolgers gemaakt, als erfdienstbaarheid te vestigen. Een erfdienstbaarheid mag niet worden gevestigd ten behoeve van een persoon.
‘(…) Alleen dan is derhalve een beding tusschen de eigenaars van twee erven geldig, wanneer die eigenaars dat hebben willen vestigen niet voor den persoon en diens erfgenamen, maar voor iederen eigenaar van het heerschende erf.’3
Tussen het heersend erf en het recht van erfdienstbaarheid zou slechts een formele band bestaan.4 Het nutsvereiste kan vervallen.5
‘gij moogt wat ge wilt als servituut vestigen.’6
In geval van vestiging van een erfdienstbaarheid wordt de macht van de eigenaar van het heersend erf uitgebreid dan wel de macht van de eigenaar van het dienend erf beperkt. Volgens Suyling is slechts dan een erfdienstbaarheid mogelijk indien de machtsuitbreiding of -beperking strekt tot completering van het heersend erf en voor een ander dan de eigenaar van het heersend erf geen waarde zou hebben. Bevoegdheden die een zelfstandige waarde hebben kunnen niet als erfdienstbaarheid worden gevestigd.7
Ten slotte de opvatting van Juten. Wil er sprake zijn van een erfdienstbaarheid dan moet het nut dat het heersend erf ondervindt groter zijn dan de last die het dienend erf daarvan heeft.8