Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/1.6
1.6 Opbouw van het onderzoek, probleemstelling en deelvragen
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258398:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit hoofdstuk is gebaseerd en bouwt verder op eerdere publicaties van mijn hand (al dan niet met een co-auteur): M.L. Schippers, Retroactieve interne verrekenprijsaanpassingen en de douanewaarde, NTFR-B 11(7/8), p. 25-32, M. Friedhoff en M.L. Schippers, HvJ Hamamatsu: een abrupt einde aan de wisselwerking tussen verrekenprijzen en douanewaarde?, Wfr 2018/132, p. 909-921, M. Friedhoff & M.L. Schippers, ECJ Judgment in Hamamatsu Case: An Abrupt End to Interaction Between Transfer Pricing and Customs Valuation?, EC Tax Review 28(1), p. 32-42 en M.L. Schippers, Afstemmen douanewaarde op verrekenprijzen: juridische ruimte na Hamamatsu en operationalisering, TFO 163(4), p. 105-111 en mijn annotaties bij het arrest LS Customs Services SIA en conclusie bij de zaak Oribalt Rīga, zie NLF 2017/2738 respectievelijk NLF 2019/0373.
Dit hoofdstuk is gebaseerd en bouwt verder op een eerdere publicatie van mijn hand: M.L. Schippers, ‘Some thoughts about imposing import duties on electronic transmissions in an era of digitalization’, in: P. Kavelaars (eds.), European Fiscal Essays, Amsterdam: NLFiscaal 2021, p. 153-166.
Dit hoofdstuk is gebaseerd en bouwt verder op eerdere publicaties van mijn hand: M.L. Schippers, Oribalt Rīga: over de transactiewaarde van soortgelijke goederen en de aftrekmethode, NTFR-Beschouwingen 13(7/8), p. 6-12 en mijn annotaties bij het arrest LS Customs Services SIA en conclusie bij de zaak Oribalt Rīga, zie NLF 2017/2738 respectievelijk NLF 2019/0373.
Dit hoofdstuk is gebaseerd en bouwt verder op eerdere publicaties van mijn hand: M.L. Schippers, Juridische houdbaarheid van de first-sale-for-exportregeling onder het DWU, EFS-verhandeling Post-Master in EU Customs Law 2015: Rotterdam, M.L. Schippers, A series of sales: determining the Customs Value under the Union Customs Code, GTCJ 13(2), p. 36-48 en M.L. Schippers, Van first-sale naar last-sale: het bepalen van de relevante verkooptransactie onder het Douane Wetboek van de Unie, Wfr 2019/94, p. 562-572.
Dit hoofdstuk is gebaseerd en bouwt verder op eerdere publicaties van mijn hand (al dan niet met een co-auteur): M.L. Schippers, Retroactieve interne verrekenprijsaanpassingen en de douanewaarde, NTFR-B 11(7/8), p. 25-32, M. Friedhoff en M.L. Schippers, HvJ Hamamatsu: een abrupt einde aan de wisselwerking tussen verrekenprijzen en douanewaarde?, Wfr 2018/132, p. 909-921, M. Friedhoff & M.L. Schippers, ECJ Judgment in Hamamatsu Case: An Abrupt End to Interaction Between Transfer Pricing and Customs Valuation?, EC Tax Review 28(1), p. 32-42 en M.L. Schippers, Afstemmen douanewaarde op verrekenprijzen: juridische ruimte na Hamamatsu en operationalisering, TFO 163(4), p. 105-111.
Onderdeel 11.5 is gebaseerd en bouwt verder op eerdere publicaties van mijn hand: M.L. Schippers, Royalty's en licentierechten onder het Douane Wetboek van de Unie, MBB 2018 (9), p. 346-361, M.L. Schippers, Royalty voor productie knowhow belastbaar bij invoer van halffabricaten?, NTFR-Beschouwingen 14(9), p. 14-20 en M.L. Schippers, ‘Some thoughts about imposing import duties on electronic transmissions in an era of digitalization’, in: P. Kavelaars (eds.), European Fiscal Essays, Amsterdam: NLFiscaal 2021, p. 153-166.
Dit onderzoek is opgebouwd uit in totaal twaalf hoofdstukken verdeeld over vier onderdelen. In het hiernavolgende licht ik nader toe welke onderwerpen in welk hoofdstuk aan bod komen en welke deelvragen, die van belang zijn voor de beantwoording van de probleemstelling, in welk van deze hoofdstukken aan bod komen.
De probleemstelling die ten grondslag ligt aan dit onderzoek luidt als volgt:
“In hoeverre kan de transactiewaarde van goederen, waarvan de waarde moet worden bepaald op het moment dat zij ten invoer worden aangegeven in de Europese Unie, in het huidige tijdsgewricht worden bepaald gelet op de doelstelling die aan het stelsel ter bepaling van de douanewaarde ten grondslag ligt?”
Met het huidige tijdsgewricht wordt de in onderdeel 1.1 benoemde economische globalisatie bedoeld. De economische globalisatie brengt onder andere met zich dat handelsstromen zijn toegenomen, er sprake is van intensievere handelsrelaties gebaseerd op het inter-firm principe en de waarde van goederen in toenemende mate wordt bepaald aan de hand van immateriële rechten zoals royalty’s en licentierechten. Voornoemde ontwikkelingen zijn, zoals toegelicht in onderdeel 1.3, van belang voor en oefenen druk uit op de vaststelling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. De doelstelling die aan het stelsel ten grondslag ligt is het vaststellen van de werkelijke economische waarde van de ingevoerde goederen. Om deze doelstelling te bereiken moet rekening worden gehouden met de vier elementen die in onderdeel 1.5 zijn genoemd. Ik duid deze elementen van het toetsingskader tezamen aan als het conceptuele stelsel van de douanewaarde. Het conceptuele stelsel wordt nader besproken in hoofdstuk 5.
Deel I – Introductie tot de douanewaarde
Het eerste onderdeel omvat vier inleidende hoofdstukken waarin bepaalde aspecten van het onderzoek nader worden ingeleid in navolging van dit eerste hoofdstuk. In het daaropvolgende, tweede hoofdstuk wordt een meer algemene inleiding gegeven op het douanerecht in het algemeen en de vaststelling van de douanewaarde in het bijzonder. Daarbij wordt onder andere ingegaan op de verschillende vormen van de maatstaf van heffing. De deelvraag die in dit hoofdstuk centraal staat luidt:
Deelvraag 1
“Wat is de betekenis en de plaats van het begrip (douane)waarde in het douanerecht?”
Het derde hoofdstuk gaat in op de historische ontwikkelingen van het concept douanewaarde door in te gaan op de totstandkoming van de GATT en de daaropvolgende ontwikkelingen tot op heden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ontwikkelingen op WHO- en EU-niveau. De deelvraag in dit hoofdstuk luidt:
Deelvraag 2
“Hoe heeft de douanewaardewetgeving zich op Europees en breder internationaal niveau ontwikkeld sinds de Tweede Wereldoorlog?”
Het vierde hoofdstuk gaat in op de wettelijke grondslagen van de vaststelling van de douanewaarde. Daarbij wordt ingegaan op de verdeling van de competentie tot het vormgeven van bepalingen tot vaststelling van de douanewaarde tussen de verschillende instituten van de Europese Unie en de wisselwerking tussen het acquis communautair en het bredere internationale (douane)recht.1 In dit hoofdstuk staat de volgende deelvraag centraal:
Deelvraag 3
“Wat is de verdeling van de competentie tot het vormgeven van bepalingen tot vaststelling van de douanewaarde in het acquis communautair en in welke mate spelen internationale invloeden daarbij een rol?”
In het vijfde hoofdstuk wordt daaropvolgend ingegaan op het conceptuele stelsel van de douanewaarde op basis van de volgende deelvragen:
Deelvraag 4
“Wat wordt bedoeld met de elementen ‘rechtvaardig’, ‘éénvormig’ en ‘neutraal’ zoals vastgelegd in de preambule van de CVA?”
Deelvraag 5
“Wat wordt bedoeld met ‘eenvoudige en billijke, met de handelspraktijk verenigbare grondslagen’?”
Deelvraag 6
“Hoe wordt voorkomen dat de douanewaardebepalingen worden gebruikt voor het bestrijden van dumping?”
Met de beantwoording van bovenstaande vragen worden de elementen van het toetsingskader nader uiteengezet. Een uitzondering daarop vormt het uitgangspunt dat de grondslag voor de berekening van de douanewaarde zoveel als mogelijk de transactiewaarde van de goederen moet zijn. Aan dit element wordt de vijfde deelvraag aan gewijd, die in hoofdstuk 6 van deel II aan bod komt. Dit is een meer geëigende plaatst, omdat de bepalingen van het DWU pas vanaf deel II worden besproken en het mede van deze bepalingen afhangt of de douanewaarde in de Europese Unie zoveel als mogelijk aansluit bij de transactiewaarde van de ingevoerde goederen.
Deel II – Waarderingsmethoden onder het Douane Wetboek van de Unie
Het tweede deel bestaat uit drie hoofstukken. Het zesde hoofdstuk gaat onder andere in op de verhouding tussen de waarderingsmethoden, het verkrijgen van zekerheid over toe te passen waarderingsmethoden, faciliteiten voor de vaststelling van de douanewaarde en de rechten en verplichtingen die douaneautoriteiten en aangevers hebben bij het vaststellen van de douanewaarde.2 In dit hoofdstuk komt de volgende deelvraag aan bod:
Deelvraag 7
“Hoe wordt bereikt dat voor de vaststelling van de douanewaarde zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de transactiewaarde?”
In het zevende hoofdstuk wordt stilgestaan bij de vaststelling van de transactiewaarde op basis van de wettelijke bepalingen in het DWU en jurisprudentie van het Hof van Justitie.3 Onderzocht wordt op welke wijze de bepalingen van de CVA zijn ingebed in het DWU en wat de draagwijdte is van deze bepalingen. Voor dat laatste worden ook de arresten betrokken die zijn gewezen onder de voorgangers van het DWU en wordt geëvalueerd in hoeverre deze arresten nog toepassing vinden. In het bijzonder wordt stilgestaan bij de vraag in hoeverre de voorwaarden die gesteld zijn aan de toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, bijdragen aan de preferente behandeling die aan de transactiewaarde wordt toegekend ten opzichte van de alternatieve waarderingsmethoden. In dit hoofdstuk wordt slechts marginaal stilgestaan bij de vaststelling van de transactiewaarde van ingevoerde goederen bij opeenvolgende verkopen, de transactiewaarde van ingevoerde goederen bij verbonden partijen en de elementen die van de transactiewaarde deel uitmaken. Voornoemde onderwerpen komen namelijk uitgebreid aan bod in respectievelijk het negende, tiende en elfde hoofdstuk. De deelvragen die ten grondslag liggen aan het zevende hoofdstuk luiden:
Deelvraag 8
“Op welke wijze zijn de bepalingen van de CVA ingebed in het Douane Wetboek van de Unie?”
Deelvraag 9
“In hoeverre wordt de draagwijdte van de bepalingen in het Douane Wetboek van de Unie bepaald door arresten van het Hof van Justitie gewezen onder de voorgangers van het Douane Wetboek van de Unie?”
Tot slot wordt in het achtste hoofdstuk ingegaan op de alternatieve waarderingsmethoden die toepassing vinden indien de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet kan worden toegepast.4 De aan dit hoofdstuk ten grondslag liggende deelvraag betreft:
Deelvraag 10
“Op welke wijze wordt de douanewaarde bepaald als de transactiewaarde van de ingevoerde goederen geen toepassing vindt?”
Deel III – De transactiewaarde in een globaliserende wereld
De in onderdeel 1.3 beschreven druk die is ontstaan op de toepassing van de transactiewaarde als methode ter bepaling van de douanewaarde wordt in dit onderdeel, dat bestaat uit drie hoofdstukken, nader onderzocht. In het negende hoofdstuk wordt ten dienaanzien ingegaan op de bepaling van de douanewaarde op basis van opeenvolgende verkopen.5 Het tiende hoofdstuk gaat in op de toepassing van de transactiewaarde bij verbonden personen. Vooral de wisselwerking tussen het vaststellen van de douanewaarde en het vaststellen van verrekenprijzen wordt daarbij nader onderzocht.6 Het elfde hoofdstuk is gericht op de elementen van de transactiewaarde.7 De volgende drie deelvragen liggen respectievelijk ten grondslag aan voornoemde hoofdstukken:
Deelvraag 11
“Op welke wijze zou de transactiewaarde bepaald moeten worden bij opeenvolgende verkopen?”
Deelvraag 12
“In hoeverre en op welke wijze kan de transactiewaarde worden toegepast bij een verkoop voor uitvoer tussen verbonden personen in de Europese Unie?”
Deelvraag 13
“Op welke wijze moeten de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van de elementen van de transactiewaarde worden geïnterpreteerd, zodat de transactiewaarde overeenkomt met de werkelijk betaalde of te betalen prijs van de goederen op het moment dat deze ten invoer worden aangegeven?”
Deel IV – Conclusies en aanbevelingen
In dit laatste onderdeel wordt voorzien in een conclusie en een Nederlandse alsmede Engelstalige samenvatting van dit onderzoek. De hiervoor opgenomen probleemstelling en deelvragen zullen ten grondslag liggen aan de conclusie.