Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/4.5.2
4.5.2 Pandhouder van aandelen zonder certificaathoudersrechten en pandhouder van certificaten
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS379434:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:89/198 lid 6 BW. Wel acht men het doorgaans wenselijk de bevoegdheid om de dividenden te innen aan de pandgever te laten toekomen zolang er geen sprake is van verzuim aan de zijde van de pandgever. Zie Wilton (2004), p. 147.
In gelijke zin Oosterhoff, diss. (2017), p. 348, die mijns inziens terecht opmerkt dat het belang van een pandhouder bij de aandelen (certificaten) niet groter is dan het beloop van zijn vordering op de pandgever/aandeelhouder (certificaathouder). Slechts een met het beloop van de vordering (naar waarde) evenredig aantal aandelen (certificaten) dient zijns inziens in aanmerking te worden genomen voor de beoordeling of het belang van de pandhouder voldoet aan de kapitaalseisen van art. 2:346 BW.
Zie hierover Schreurs (2013), p. 53, voetnoot 19 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa (2013), nr. 426 onder d.
Een pandhouder kan mijns inziens in het algemeen niet worden aangemerkt als een verschaffer van risicodragend kapitaal in de zin van het enquêterecht. Hij heeft slechts een (economisch) belang bij de opbrengsten uit de aandelen (certificaten) in geval van executie. Het pandrecht is immers een verhaalsrecht. De aandelen (certificaten) worden echter niet voor zijn rekening en risico gehouden. De pandhouder heeft een voorwaardelijk belang bij (de waarde van) het aandeel (certificaat). Indien de schuldenaar/aandeelhouder (certificaathouder) in verzuim is, heeft de pandhouder op grond van art. 3:248 BW het recht van parate executie. Dit houdt in dat hij zich zonder tussenkomst van de rechter mag verhalen op de aan hem verpande goederen; hij mag de roerende zaken verkopen en zijn vordering voldoen uit de opbrengst ervan. Vanaf het moment van verzuim komt de waarde van de aandelen (certificaten) in feite dus voor rekening en risico van de pandhouder. Laatstgenoemde heeft op grond van de verpanding tevens het recht op dividend.1 Het voorgaande wijst erop dat de pandhouder vanaf het moment van verzuim kan worden aangemerkt als een (indirecte) verschaffer van risicodragend kapitaal. Dit zou betekenen dat de pandhouder van aandelen zonder ‘certificaathoudersrechten’ en de pandhouder van certificaten vanaf dat moment enquêtebevoegd zijn.2
Overigens zal een pandhouder van aandelen in een BV zich veelal op grond van art. 2:198 lid 3 BW het recht voorbehouden om het stemrecht naar zich toe te trekken in geval van verzuim, waardoor hij op grond van de wet enquêtebevoegd is (art. 2:198 lid 4 BW).3