Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.4.2
2.4.2 Een illustratie van de misstanden waartegen de ondernemingskamer optreedt
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366016:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671 m.nt. Maeijer, r.o. 4.7.1 (Text Lite).
Dit criterium werd geïntroduceerd in Hof Amsterdam (OK) 21 juni 1979, NJ 1980, 71 (Batco) en gesanctioneerd in HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM), r.o. 7.3. In zijn conclusie bij de eerste Zwagerman-beschikking (par. 3.3.2.1) stelt A-G Mok echter dat wanbeleid de norm blijft.
Zie Cools/Kroeze tabel I.1 en I.2 voor een overzicht van de aard van de conflicten die aan de ondernemingskamer worden voorgelegd.
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM) en 4 juni 1997, NJ 1997, 671m.nt. Maeijer (Textlite). Vgl. echter Hof Amsterdam (OK) 23 maart 2007, JOR 2007/179 (Keltec).
Hof Amsterdam (OK) 20 mei 1999, JOR 2000/72 (Versatel), 8 mei 2002, JOR 2002/112 (Broadnet), 30 december 2008, JOR 2009/128 (S Energy) en 19 juli 2012, ARO 2012/113 (Cancun Holding).
Hof Amsterdam (OK) 8 augustus 2006, JOR 2006/264 (Bonne Route).
HR 14 september 2007, NJ 2007/611, m.nt. Maeijer, JOR 2007/239 m.nt. Bartman (Versatel II).
Hof Amsterdam (OK) 30 december 2009, JOR, 2010/60, m.nt. Doorman, HR 25 februari 2011, NJ 2011/335 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2011/115 m.nt. Doorman (Inter Acces) en Hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009/127 (e-Traction).
Hof Amsterdam (OK) 30 november 2000, JOR 2001/4 m.nt. Van den Ingh (Zwagerman), deels vernietigd in HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer en JOR 2002/79 m.nt. Van den Ingh.
Hof Amsterdam (OK) 30 november 2000, JOR 2001/4 m.nt. Van den Ingh (Zwagerman), deels vernietigd in HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer en JOR 2002/79 m.nt. Van den Ingh (Zwagerman-I), HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM) en 4 juni 1997, NJ 1997, 671 m.nt. Maeijer (Textlite).
Zie Veenstra (Diss.).
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM), Hof Amsterdam (OK) 9 juli 1998, NJ 1998, 882, JOR 1998/122 (Vie d’Or) en 15 december 2011, JOR 2012/77 m.nt. Ouwehand (Landis) en Hof Amsterdam (OK) 5 april 2012, JOR 2013/41 m.nt. Bulten (Fortis).
Hof Amsterdam (OK) 21 juni 1979, NJ 1980, 71 (Batco).
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 27 mei 1999, NJ 1999, 487, JOR 1999/121 (Gucci), Hof Amsterdam (OK) 22 maart 2002, JOR 2002/82 m.nt. Van den Ingh en HR 18 april 2003,NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer, JOR 2003/110 m.nt. Blanco Fernandez (RNA) en Hof Amsterdam (OK) 16 juni 2010, JOR 2010/229 m.nt. De Nijs Bik (Cascal). en Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernandez (Stork).
Zie hieromtrent Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 753 t/m 762 en 790 t/m 796. Zie ook Geerts Rechtspersonen, aant. 2 bij art. 2:350 BW en aant. 2 bij art. 2:355 BW, Veenstra (Diss.), par. 3.3.5, Assink (Diss.), hoofdstuk V, Willems 2016 en onder 4.15 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 18 november 2005, NJ 2006, 173, m.nt. Maeijer, JOR 2005, 295 m.nt. Brink (Unilever).
Hof Amsterdam (OK) 2 november 2015, JOR 2016/61 m.nt. Van Schilfgaarde (Meavita).
Zoals in par. 2.2 ter sprake kwam, is het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen gericht op de sanering van de rechtspersoon en het herstel van de verhoudingen. Anders gezegd, is het gericht op het verhelpen van wanbeleid, zowel door een eind te maken aan het wanbeleid als door het tegengaan van de gevolgen die het wanbeleid heeft (gehad).1
In de rechtspraak wordt het begrip wanbeleid soms nader geduid door daar onder te verstaan dat in strijd is gehandeld met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.2 Ter verduidelijking van deze vage begrippen, zij gewezen op de navolgende (elkaar deels overlappende) voorbeelden van wanbeleid, althans gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen:3
handelen in strijd met de wet of statuten4;
handelen in strijd met het belang van de rechtspersoon, mede in het licht van afspraken of uitgangspunten tussen aandeelhouders/leden5;
het beconcurreren van de rechtspersoon door bestuurders of aandeelhouders6;
belangenverstrengeling7 en/of het op onaanvaardbare wijze ondergeschikt maken van de belangen van de vennootschap aan eigen belangen;8
het niet verstrekken van informatie, althans het verstrekken van onjuiste en onvolledige informatie;9
misbruik van meerderheidsmacht;10
de besluitvorming bevindt zich in een impasse;11
wanbeleid op bedrijfseconomisch12 of sociaal gebied;13
de inzet van onaanvaardbare middelen in een strijd om de macht, bijvoorbeeld bij overname-geschillen;14
een onjuiste inrichting van de vennootschappelijke organisatie (zie hierover par. 4.4.6).
Van Solinge en Nieuwe Weme betogen dat wanbeleid in de kern genomen een schending is van de norm van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waarvoor een ernstig verwijt kan worden gemaakt aan de vennootschap (en indirect aan de degenen die bij haar organisatie zijn betrokken).15 In haar Meavita-beschikking16 sloot de ondernemingskamer zich hierbij in grote lijnen aan, zij het dat zij de redelijkheid en billijkheid slechts noemde als één van de factoren waarop zij het beleid en de gang van zaken beoordeeld. Zij formuleerde het als volgt:
“De beoordeling van het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon wordt doorgaans mede bepaald door hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 BW). Bij de vaststelling van wat dat betekent, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). In enquêtezaken zullen bij de beantwoording van de vraag of het beleid en/of de gang van zaken strijdig waren met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap veelal juist die rechtsbeginselen, overtuigingen en belangen een belangrijke rol spelen.”
De ander factor die volgens mij meespeelt, is in hoeverre de andere (gedrags) regels van de deelrechtsorde zijn nageleefd. Deze (gedrags)regels komen ter sprake in hoofdstuk 4. Deze (gedrags)regels geven op hun beurt overigens mede invulling aan hetgeen de redelijkheid en billijkheid vereist. Verwezen zij naar par. 4.5.2.1.