Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.2.4.3
7.2.4.3 De dubbele belasting over dividend bezien vanuit de lidstaat van de uitkerende vennootschap
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297120:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 12 december 2006, zaak C-374/04 (Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation), r.o. 59 en 60.
HvJ EG 12 december 2006, zaak C-374/04 (Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation), r.o. 70.
HvJ EG 14 december 2006, zaak C-170/05 (Denkavit II).
HvJ EG 14 december 2006, zaak C-170/05 (Denkavit II), r.o. 37.
HvJ EG 14 december 2006, zaak C-170/05 (Denkavit II), r.o. 52 en 53.
In Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation kwam de dubbele belasting over dividend aan bod vanuit de invalshoek van de lidstaat van de uitkerende vennootschap. In deze zaak ging het om een regeling op grond waarvan het Verenigd Koninkrijk een belastingkrediet verleende aan een ingezeten vennootschap die dividend ontving van een andere ingezeten vennootschap. Het belastingkrediet was gelijk aan de vennootschapsbelasting die door de uitkerende vennootschap terzake van het dividend was vooruitbetaald (de zogenoemde ACT). Werd het dividend daarentegen ontvangen door een niet-ingezeten vennootschap, dan werd in beginsel geen belastingkrediet verleend. Dat was slechts anders indien in het belastingverdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en de lidstaat van de niet-ingezeten vennootschap werd voorzien in een volledig of gedeeltelijk belastingkrediet. Aan het Hof van Justitie EG werd de vraag voorgelegd of deze ongelijke behandeling in strijd kwam met de vrijheid van vestiging respectievelijk de vrijheid van kapitaalverkeer.
Het Hof van Justitie EG ging eerst na of de situatie van een ingezeten vennootschap die dividend uitkeerde aan een in een andere lidstaat gevestigde aandeelhouder vergelijkbaar was met die van een ingezeten vennootschap die dividend uitkeerde aan een ingezeten aandeelhouder. Dat was volgens het Hof van Justitie EG voor de toepassing van de belastingwetgeving van de lidstaat van vestiging van de uitkerende vennootschap niet noodzakelijkerwijs het geval. Het Verenigd Koninkrijk betrok het dividend dat werd genoten door een niet-ingezeten aandeelhouder namelijk in beginsel niet in de Britse belastingheffing. Het was daarom niet aan het Verenigd Koninkrijk om de economisch dubbele belastingheffing over het dividend te voorkomen aangezien dat betekend zou hebben dat deze lidstaat had moeten afzien van zijn recht om belasting te heffen over de winst van de uitkerende vennootschap:
‘Enerzijds zou eisen dat de lidstaat waarin de uitkerende vennootschap is gevestigd, waarborgt dat aan een niet-ingezeten aandeelhouder uitgekeerde winst niet wordt getroffen door opeenvolgende belastingheffingen of door een economisch dubbele belasting, hetzij door deze winsten bij de uitkerende vennootschap vrij te stellen van belasting, hetzij door aan die aandeelhouder een belastingvoordeel te geven ter hoogte van de door de uitkerende vennootschap over die winst betaalde belasting, de facto betekenen dat deze staat moet afzien van zijn recht om belasting te heffen over inkomen dat door een economische activiteit op zijn grondgebied is gegenereerd.
60 Anderzijds moet met betrekking tot een mechanisme dat economisch dubbele belasting beoogt te voorkomen of te verminderen door aan de uiteindelijke aandeelhouder een belastingvoordeel te verlenen, worden opgemerkt dat normaalgesproken de lidstaat van vestiging van deze laatste het beste in staat is om de persoonlijke draagkracht van de belastingplichtige te beoordelen (...).’1
Dat lag echter anders zodra het Verenigd Koninkrijk niet alleen ingezeten aandeelhouders maar ook niet-ingezeten aandeelhouders voor het dividend dat zij van een ingezeten vennootschap ontvingen, aan belasting onderwierp: ‘Indien de lidstaat waarin de vennootschap is gevestigd die de uit te keren winst genereert, besluit zijn fiscale bevoegdheid niet alleen uit te oefenen met betrekking tot in deze staat gegenereerde winst, maar ook met betrekking tot uit deze staat afkomstige inkomsten van niet-ingezeten ontvangende vennootschappen, is het evenwel uitsluitend de uitoefening door deze staat van zijn fiscale bevoegdheid die, los van enige belasting in een andere lidstaat, een risico van opeenvolgende belastingheffingen meebrengt. In een dergelijk geval worden de niet-ingezeten ontvangende vennootschappen alleen dan niet geconfronteerd met een in beginsel door artikel 43 EG verboden beperking van de vrijheid van vestiging, wanneer de staat van vestiging van de uitkerende vennootschap erop toeziet dat, wat het in zijn nationale recht vervatte mechanisme ter voorkoming of vermindering van opeenvolgende belastingheffingen betreft, niet-ingezeten vennootschappen-aandeelhouders op dezelfde wijze worden behandeld als ingezeten vennootschappen-aandeelhouders.’2
Denkavit II3 ging eveneens over de dubbele belastingheffing over dividend vanuit het perspectief van de lidstaat van de uitkerende vennootschap. Deze zaak had betrekking op dividenden die door een Nederlandse moedervennootschap werden ontvangen van een tweetal Franse dochtervennootschappen. Frankrijk hief over deze dividenden in beginsel een bronbelasting van 25%. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk werd het percentage van de bronbelasting echter gereduceerd tot 5%. Wanneer de Franse vennootschap dividend uitkeerde aan een in Frankrijk ingezeten aandeelhouder, werd geen bronbelasting geheven. Een Franse moedervennootschap kon bovendien een nagenoeg volledige vrijstelling van vennootschapsbelasting krijgen voor de ontvangen dividenden. Aan het Hof van Justitie EG werd de vraag voorgelegd of dit onderscheid tussen in Frankrijk en niet in Frankrijk gevestigde moedermaatschappijen in overeenstemming was met de vrijheid van vestiging.
Dat was volgens het Hof van Justitie EG niet het geval: ‘In dit verband moet worden vastgesteld dat de dividendvrijstelling ten behoeve van ingezeten moedermaatschappijen beoogt te voorkomen dat de winst van dochtermaatschappijen die in de vorm van dividenden aan hun moedermaatschappijen wordt uitgekeerd, aan opeenvolgende belastingheffingen wordt onderworpen. Zoals de advocaat-generaal in punt 22 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet de Franse Republiek evenwel, aangezien zij ervoor heeft gekozen om haar ingezetenen van die belasting vrij te stellen, die maatregel uitbreiden tot niet-ingezetenen, voor zover een gelijksoortige belasting van die niet-ingezetenen volgt uit de uitoefening van haar fiscale bevoegdheid over hen (...).’4
Vervolgens kwam aan bod of dit antwoord anders luidde wanneer het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk in aanmerking werd genomen. Daarin werd namelijk bepaald dat een in Nederland gevestigde moedervennootschap de Franse bronbelasting in beginsel kon verrekenen met de Nederlandse vennootschapsbelasting over het dividend. Het Hof van Justitie EG stelde evenwel vast dat de Nederlandse moedermaatschappij was vrijgesteld van vennootschapsbelasting over het dividend en dat daarom geen verrekening van de Franse bronbelasting werd verleend. De toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk kon de eerder vastgestelde beperking van de vrijheid van vestiging daarom niet neutraliseren.
Ook het verweer van de Franse regering dat het volgens de beginselen die in het internationale belastingrecht zijn geformuleerd en op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk aan Nederland als woonstaat was om de dubbele belasting over de dividenden te voorkomen, werd verworpen:
‘Dit betoog kan niet worden aanvaard, aangezien het in de onderhavige context irrelevant is.
53 De Franse Republiek kan zich immers niet op het Frans-Nederlands verdrag beroepen om te ontkomen aan de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen (...).’5
Vanuit het perspectief van de lidstaat van de uitkerende vennootschap zijn ingezeten aandeelhouders volgens het Hof van Justitie EG dus niet vergelijkbaar met niet-ingezeten aandeelhouders waarover hij zijn heffingsbevoegdheid niet uitoefent. Voorzover de lidstaat van de uitkerende vennootschap zijn heffingsbevoegdheid echter uitoefent over de niet-ingezeten aandeelhouders zijn zij wel vergelijkbaar met ingezeten aandeelhouders. Wanneer niet ingezeten aandeelhouders in dat geval nadeliger worden behandeld dan ingezeten aandeelhouders is in beginsel sprake van een belemmering. Deze belemmering kan evenwel worden geneutraliseerd, zo suggereert het Hof, wanneer de nadelige behandeling door de lidstaat van de niet-ingezeten aandeelhouder ongedaan wordt gemaakt.