Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.2.1:5.2.1 Algemeen
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.2.1
5.2.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS497753:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In overeenkomsten wordt vaak wel een voorziening opgenomen in geval van juridische fusie of splitsing.
Artikel 6:2 lid 1 en 6:248 lid 1 BW
Artikel 6:258, 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW
Zie hierna onder 5.2.5.
F.W. Grosheide, 'Lees maar: er staat wat er staat', WPNR 2001-6248, p. 7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In overeenkomsten wordt meestal geen specifieke regeling opgenomen voor de situatie dat één van contractspartijen van rechtsvorm wordt gewijzigd.1 Onderzocht wordt wat hiervan het gevolg is. Blijft de overeenkomst onverminderd in stand of wijzigt deze (van rechtswege)? Omdat de wet geen specifieke regeling geeft voor rechtsgevolgen voortvloeiend uit een overeenkomst bij rechtsvormwijziging van een contractspartij, wordt deze vraag beantwoord aan de hand van de algemene leerstukken van het verbintenissenrecht.
Allereerst wordt gekeken naar het moment van totstandkoming van de overeenkomst. Vaststaat dat altijd de kans bestaat dat een rechtspersoon van rechtsvorm wijzigt. Uitgangspunt is dat op het moment van tekenen van de overeenkomst rechtsvormwijziging van een contractspartij doorgaans niet voorzien is. Indien dat wel het geval is, kan in de regel de overeenkomst daar een voorziening voor treffen en kan bij de verbintenissen die voortvloeien uit de overeenkomst met de voorgenomen rechtsvormwijziging rekening gehouden worden.
Aan de hand van uitleg van de overeenkomst wordt vastgesteld of met rechts-vormwijziging van een contractspartij rekening gehouden is. Meestal bevat een overeenkomst geen bepaling met betrekking tot rechtsvormwijziging van een contractspartij. Dat betekent dat gesproken kan worden van een leemte in de overeenkomst. Deze leemte wordt opgevuld door de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid.2 Indien de overeenkomst wél een regeling bevat over rechtsvormwijziging van een contractspartij kan onder omstandigheden de corrigerende werking van redelijkheid en billijkheid3 een andere invulling geven aan de bepaling. De wet biedt meer ruimte voor aanvullende dan voor corrigerende of beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.4 Uitleg wordt eveneens begrensd door het leerstuk van onvoorziene omstandigheden.
Op voorhand is het goed vast te stellen dat het in voorkomende gevallen aanbeveling verdient een regeling in overeenkomsten op te nemen voor rechtsvormwijziging van een contractspartij ook al lijkt daarvan bij het sluiten van de overeenkomst nog geen sprake. Het is niet ongebruikelijk een regeling op te nemen indien een contractspartij betrokken raakt bij een juridische fusie of splitsing dan wel ontbonden wordt. Rechtsvormwijziging kan eveneens grote discontinuïteit in de rechtspersoon teweeg brengen.
Over het merendeel van de contracten wordt niet geprocedeerd. Grosheide5 denkt dat dat een aanwijzing kan zijn dat contracten duidelijk zijn. Naar mijn idee kan het eveneens zo zijn dat partijen in de regel onderling een oplossing zullen zoeken voor onduidelijkheden in een contract dan wel onbedoelde gevolgen in onderling overleg zullen oplossen. De gang naar de rechter zal pas gemaakt worden indien dit mede vanuit kostenoverweging gerechtvaardigd wordt.