Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.2.1
3.5.2.1 Het arrest Öztürk en de Engel-criteria
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940639:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 21 februari 1984 (Öztürk), NJ 1988, 937.
EHRM 8 juni 1976 (Engel e.a.), nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 223.
De conclusie van het EHRM was, dat ook een militaire tuchtprocedure als een strafvervolging in de zin van art. 6 EVRM wordt beschouwd, indien zij daarmee essentiële kenmerken (te weten de aard van het delict en de ernst van de straf), gemeen heeft. Vrijheidsberovingen behoren in een rechtsstaat in het algemeen tot de sfeer van het strafrecht, aldus het EHRM.
EHRM 8 juni 1976 (Engel e.a.), nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 223, r.o. 81.
EHRM 8 juni 1976 (Engel e.a.), nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 223, r.o. 82-83. Zie voor een overzicht van de toepassing van deze criteria door de jaren heen (zowel door het EHRM als door het HvJ EU) de Conclusie van A-G HvJ Collins van 20 oktober 2022, V-N 2022/51.14.
EHRM 21 februari 1984 (Öztürk), NJ 1988, 937, par. 48-56. De slotsom was dat er inderdaad sprake was van strijd met art. 6 EVRM, omdat Öztürk op grond van dat artikel recht had op kosteloze bijstand van een tolk.
Feteris werkt deze rechtsregels nader uit en plaatst deze in een bredere context (Feteris 2002, par. 5.2.2.1).
De basis voor het besef dat de waarborgen van art. 6 van het EVRM ook gelden voor bestuurlijke boetes is het EHRM-arrest Öztürk.1 Öztürk had een verkeersboete (ten bedrage van DM 60) gekregen van de Duitse overheid, die bestuursrechtelijk werd afgedaan. Omdat Öztürk het er niet mee eens was dat hij, als onderdeel van de proceskosten, ook de kosten van de tolk moest dragen, deed hij een beroep op het EVRM. Het EHRM moest vervolgens eerst bepalen of de bestuursrechtelijke boete wel onder de werking van art. 6 EVRM viel.
Het EHRM greep voor deze beslissing terug op zijn arrest in de zaak Engel e.a. (hierna kortweg: Engel).2 De essentie van dat arrest was, dat het Nederlandse militaire tuchtrecht weliswaar een eigen plaats binnen het nationale recht inneemt, maar dat die omstandigheid niet verhindert dat op militaire tuchtsancties art. 6 EVRM van toepassing is3 Een staat kan zich namelijk niet onttrekken aan de fundamentele verdragsverplichting om bij een strafvervolging een eerlijk proces te verzekeren, louter door te verklaren dat een overtreding tot de sfeer van het tuchtrecht (en daarmee dus niet tot het echte strafrecht) behoort. In het arrest Engel stelde het EHRM voorop dat het begrip criminal in de zin van art. 6 EVRM geheel autonoom moet worden uitgelegd.4 Vervolgens ontvouwde het EHRM aan de hand van welke criteria moet worden getoetst of er sprake is van een strafvervolging (criminal charge) als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze Engel-criteria werden als volgt geformuleerd [nummering van mij]:
‘In this connection, it is first necessary to know whether the provision(s) defining the offence charged belong, according to the legal system of the respondent State, to criminal law, disciplinary law or both concurrently. This however provides no more than a starting point. The indications so afforded have only a formal and relative value and must be examined in the light of the common denominator of the respective legislation of the various Contracting States.
The very nature of the offence is a factor of greater import. When a serviceman finds himself accused of an act or omission allegedly contravening a legal rule governing the operation of the armed forces, the State may in principle employ against him disciplinary law rather than criminal law. In this respect, the Court expresses its agreement with the Government.
However, supervision by the Court does not stop there. Such supervision would generally prove to be illusory if it did not also take into consideration the degree of severity of the penalty that the person concerned risks incurring. In a society subscribing to the rule of law, there belong to the "criminal" sphere deprivations of liberty liable to be imposed as a punishment, except those which by their nature, duration or manner of execution cannot be appreciably detrimental. The seriousness of what is at stake, the traditions of the Contracting States and the importance attached by the Convention to respect for the physical liberty of the person all require that this should be so (…).’
‘It is on the basis of these criteria that the Court will ascertain whether some or all of the applicants were the subject of a "criminal charge" within the meaning of Article 6 para. 1 (art. 6-1).’5
In de zaak Öztürk werd deze aanpak bevestigd voor bestuursrechtelijk geregelde sancties. Het EHRM oordeelde dat er ten aanzien van de verkeersboete sprake was van een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM.6 Daarbij gaf het EHRM een aantal rechtsregels, die algemeen toepasbaar zijn. Onderstaand geef ik deze rechtsregels in samengevatte vorm weer.7
Het naar nationaal recht kwalificeren van een bepaalde sanctie als bestuursrechtelijk in plaats van als strafrechtelijk, is niet beslissend voor de uitleg van de verdragsbepalingen van het EVRM. Anders zouden de verdragstaten de waarborgen van art. 6 EVRM eenvoudig kunnen omzeilen door de betreffende sanctie als niet-strafrechtelijk aan te merken.
De kwalificatie naar nationaal recht is niet geheel zonder betekenis, maar de wezenlijke aard van de overtreding, in samenhang met de aard van de sanctie, weegt bij de beoordeling zwaarder.
Sancties op overtredingen vallen in ieder geval onder art. 6 EVRM wanneer die sancties afschrikking beogen. Normaal gesproken gaat het dan om geldboetes en vrijheidsbenemende maatregelen. Voor dergelijke strafsancties is verder kenmerkend dat zij een punitief karakter hebben. Dat een geldboete dat karakter heeft, is boven elke twijfel verheven.
Voor de beoordeling van het karakter van een sanctie is doorslaggevend wat de wezenlijke aard van de sanctie is (zie 3.: beoogt de sanctie afschrikking en bestraffing?). Het feit dat het om een relatief kleine of onschuldige overtreding gaat, zegt dus niets. Datzelfde geldt voor de relatieve mildheid van de sanctie: dat kan aan de overtreding niet haar intrinsieke strafkarakter ontnemen.
De omstandigheid dat de rechtsnorm die door de sanctie wordt beschermd tot alle burgers spreekt (en dus een algemeen verbindend karakter heeft), is een aanwijzing dat er sprake is van een strafsanctie die onder art. 6 EVRM valt.
Art. 6 EVRM staat er niet aan in de weg dat de vervolging en bestraffing van overtredingen door een bestuurlijke autoriteit wordt verricht (in plaats van door het strafrechtelijk apparaat). Wel moet de sanctie kunnen worden getoetst in een procedure voor een onafhankelijke rechter, in welke procedure de waarborgen van art. 6 EVRM moeten gelden.