NJB 2025/2243
Redelijke termijn art. 6 lid 1 EVRM: de feitenrechter moet in geval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in zijn uitspraak vermelden welke straf zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, dan wel anderszins voldoende duidelijk laten blijken op welke wijze de overschrijding van de redelijke termijn in de bestraffing is verdisconteerd. In casu heeft het hof dit niet gedaan.
HR 09-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1244
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 september 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, M. Kuijer
- Zaaknummer
23/00119
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1244, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:610, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑05‑2025
- Wetingang
(art. 6 EVRM)
Essentie
Redelijke termijn art. 6 lid 1 EVRM: de feitenrechter moet in geval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in zijn uitspraak vermelden welke straf zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, dan wel anderszins voldoende duidelijk laten blijken op welke wijze de overschrijding van de redelijke termijn in de bestraffing is verdisconteerd. In casu heeft het hof dit niet gedaan.
Uitspraak
Inleiding
Verdachte is wegens – kort gezegd – 1. diefstal met geweld in vereniging, 2. afpersing in vereniging en 3. medeplegen van opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving, door het hof veroordeeld tot ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.