Vaste jurisprudentie, zie recent HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1726.
HR, 15-10-2024, nr. 22/02271
ECLI:NL:HR:2024:1451
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
22/02271
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1451, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1940
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:653
ECLI:NL:PHR:2024:653, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1451
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Gewelddadige overval in 2013 in Best op vestiging van geld- en waardetransportbedrijf door met explosieven toegangsdeur tot bedrijfsruimte te forceren, met vuurwapens bedrijfsruimte te betreden en met benzine brand te stichten aan en nabij in bedrijfsruimte aanwezige waardetransportauto, waarin zich 2 medewerkers hadden verschanst, en waarbij daders zijn gevlucht, terwijl vervolgens meermaals is geschoten op achtervolgende politieauto met 2 politieagenten (art. 312.2.2 Sr). Ontvankelijkheid cassatieberoep. Kan klacht dat bewezenverklaarde “niet (in voldoende mate) uit bewijsmiddelen kan volgen en/of hof (anders dan het had behoren te doen) niet in voldoende mate heeft gerespondeerd op zijdens verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten” worden aangemerkt als cassatiemiddel? Als cassatierechter onderzoekt HR alleen cassatiemiddelen a.b.i. wet. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. Als middel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. Geen middelen ingediend, verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02271
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2022, nummer 20-000004-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam, een schriftuur ingediend.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
2.2
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep omdat geen middel is ingediend dat voldoet aan de wettelijke vereisten.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02271
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 21 juni 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2022:1940) wegens - kort gezegd - gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Het arrest bevat voorts beslissingen over de vorderingen van benadeelde partijen en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen. Een en ander als nader in het arrest bepaald.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam, heeft op 22 mei 2023 een schriftuur houdende één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
In deze schriftuur staat onder het kopje “Toelichting” de zin: “Een nadere toelichting op dit middel zal tijdig worden ingediend”. Nadere toelichtingen kunnen ter rolzitting worden overgelegd dan wel tot aan de dag voor de rolzitting worden ingediend (art. 4.3.9.2 Procesreglement). Op 15 maart 2024 heeft de Hoge Raad de steller van het middel bericht dat de eerste zitting (de rechtsdag) in de onderhavige zaak zou plaatsvinden op 9 april van dit jaar. Tot op heden is geen toelichting op het cassatiemiddel bij de Hoge Raad binnengekomen.
Het middel
2.1
Het middel formuleert als klacht dat het bewezenverklaarde “niet (in voldoende mate) uit de bewijsmiddelen kan volgen en/of het Gerechtshof (anders dan het had behoren te doen) niet in voldoende mate heeft gerespondeerd op zijdens de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.”
2.2
Vervolgens worden onder a tot en met d vier oordelen opgesomd waartegen het middel zich “in het bijzonder” zou richten, te weten oordelen over (a) het “gebezigde DNA-bewijs”, (b) het als steunbewijs gebruiken van de “unieke modus operandi”, (c) het medeplegen en (d) de verwerping van “[a]lternatieve scenario’s”.
2.3
Als een cassatiemiddel als in de wet bedoeld (art. 437 lid 2 Sv), kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1.
2.4
De “klachten” die in het cassatiemiddel naar voren worden gebracht, worden in het geheel niet gespecificeerd. Gelet hierop meen ik dat geen sprake is van een cassatiemiddel dat aan de vorenbedoelde eis van duidelijkheid voldoet.2.
Afronding
3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024
De onder 1,3 bedoelde toelichting had dit verzuim overigens niet kunnen herstellen, zie HR 14 november 2000, NJ 2001/16.