Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 20-06-2024, nr. C-35/23
ECLI:EU:C:2024:532
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-06-2024
- Magistraten
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L. S. Rossi
- Zaaknummer
C-35/23
- Conclusie
M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
Greislzel
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:532, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑06‑2024
ECLI:EU:C:2024:130, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑02‑2024
Uitspraak 20‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikelen 10 en 11 — Bevoegdheid in het geval van ongeoorloofde overbrenging van een kind — Gewone verblijfplaats van het kind in een lidstaat vóór de ongeoorloofde overbrenging — Terugkeerprocedure tussen een derde land en een lidstaat — Begrip ‘verzoek tot terugkeer’ — Verdrag van 's‑Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L. S. Rossi
Partij(en)
In zaak C-35/23 [Greislzel]1.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hessen, Frankfurt am Main, Duitsland) bij beslissing van 16 januari 2023, ingekomen bij het Hof op 25 januari 2023, in de procedure
Vader
tegen
Moeder,
in tegenwoordigheid van:
Kind L,
Advocaat,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin en L. S. Rossi (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: N. Mundhenke, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 december 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de vader, vertegenwoordigd door A. Hamerak en T. von Plehwe, Rechtsanwälte,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann, R. Kanitz en J. Simon als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Kozak en S. Żyrek als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Vollrath en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 februari 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 10 en 11 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen een in Zwitserland wonende Duitse onderdaan, vader van het minderjarige kind L, en de moeder van dat kind, betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor kind L.
Toepasselijke bepalingen
Haags Verdrag van 1980
3
Volgens de preambule van het op 25 oktober 1980 te 's‑Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: ‘Haags Verdrag van 1980’) heeft dit verdrag tot doel ‘om in internationaal verband kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren en [om] procedures vast te stellen die de onmiddellijke terugkeer van het kind waarborgen naar de staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft, alsmede de bescherming van het omgangsrecht te verzekeren’.
4
Artikel 6, eerste alinea, van dit verdrag bepaalt:
‘Iedere verdragsluitende staat wijst een centrale autoriteit aan die de verplichtingen dient na te komen, die hem door het Verdrag zijn opgelegd.’
5
In artikel 8, eerste alinea, van dit verdrag is bepaald:
‘Personen, instellingen of lichamen die stellen dat een kind in strijd met het recht betreffende het gezag is overgebracht of wordt vastgehouden, kunnen zich richten tot de centrale autoriteit van hetzij de gewone verblijfplaats van het kind, hetzij de centrale autoriteit van iedere andere verdragsluitende staat, met het verzoek om behulpzaam te zijn bij het verzekeren van de terugkeer van het kind.’
6
Artikel 12, eerste alinea, van dit verdrag luidt:
‘Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de verdragsluitende staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind.’
7
Artikel 13 van het Haags Verdrag van 1980 bepaalt:
‘Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:
- a)
de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat
- b)
er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.
[…]
8
Artikel 34 van het Haags Verdrag van 1980 luidt:
‘[…] [D]it verdrag [sluit] niet de mogelijkheid uit dat, teneinde de terugkeer te bewerkstelligen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden of teneinde het omgangsrecht te regelen, een andere internationale regeling waarbij de staat van de oorspronkelijke verblijfplaats en de aangezochte staat partij zijn, […] wordt toegepast.’
Verordening nr. 2201/2003
9
In de overwegingen 12, 17 en 18 van verordening nr. 2201/2003 staat te lezen:
- ‘(12)
De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.
[…]
- (17)
In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind dient de terugkeer van het kind onverwijld te worden verkregen en te dien einde dient het [Haags Verdrag van 1980] van toepassing te blijven, zoals aangevuld door de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder artikel 11. De gerechten van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, dienen in staat te zijn zich in welbepaalde, naar behoren gemotiveerde gevallen tegen de terugkeer van het kind te verzetten. Een dergelijke beslissing moet evenwel kunnen worden vervangen door een latere beslissing van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of [het] niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Brengt deze laatste beslissing de terugkeer van het kind met zich, dan dient de terugkeer plaats te vinden zonder dat enigerlei bijzondere procedure vereist is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing in de lidstaat waar het ontvoerde kind zich bevindt.
- (18)
Indien krachtens artikel 13 van het [Haags Verdrag] van 1980 een beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven, dient het gerecht dit te melden aan het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind vóór zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Tenzij de zaak reeds bij hem aanhangig is gemaakt, dient dit gerecht of de centrale autoriteit een oproep te richten aan de partijen. Deze verplichting dient voor de centrale autoriteit van de lidstaat geen beletsel te vormen om ook een oproep te richten aan de betrokken overheidsinstanties, zulks in overeenstemming met het nationale recht.’
10
Artikel 2 (‘Definities’) van deze verordening bepaalt:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 7.
‘ouderlijke verantwoordelijkheid’: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht;
[…]
- 9.
‘gezagsrecht’: de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen;
[…]
- 11.
‘ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind’: het overbrengen of niet doen terugkeren van een kind:
- a)
wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had;
en
- b)
indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.’
11
Verordening nr. 2201/2003 bevat een hoofdstuk II (‘Bevoegdheid’) waarin onder afdeling 2 (‘Ouderlijke verantwoordelijkheid’) de artikelen 8 tot en met 15 zijn opgenomen.
12
Artikel 8 (‘Algemene bevoegdheid’) van deze verordening bepaalt:
- ‘1.
Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
- 2.
Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.’
13
Artikel 10 (‘Bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering’) van die verordening luidt als volgt:
‘In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind blijven de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of [het] niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en:
- a)
enige persoon, instelling of ander lichaam die gezagsrecht bezit, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust;
of
- b)
het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon, de instelling of het lichaam met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarheen het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind;
- ii)
een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer is ingetrokken en binnen de onder i) gestelde termijn is geen nieuw verzoek ingediend;
- iii)
een voor een gerecht in de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, dienende zaak is overeenkomstig artikel 11, lid 7, gesloten verklaard;
- iv)
een gezagsbeslissing die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, is uitgesproken door de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of [het] niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.’
14
Artikel 11 van verordening nr. 2201/2003, ‘Terugkeer van het kind’, bepaalt:
- ‘1.
Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het [Haags Verdrag van 1980] een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing.
[…]
- 6.
Indien een gerecht op grond van artikel 13 van het [Haags Verdrag] van 1980 een beslissing houdende de niet-terugkeer heeft gegeven, zendt het onmiddellijk, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van zijn centrale autoriteit, een afschrift van het bevel en van de desbetreffende stukken, met name het zittingsverslag toe aan het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zulks in overeenstemming met het nationale recht. Dit gerecht dient alle bedoelde stukken te ontvangen binnen een maand te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven.
- 7.
Tenzij één van de partijen zich reeds heeft gewend tot de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, stelt het gerecht of de centrale autoriteit die de in lid 6 bedoelde informatie ontvangt, de partijen daarvan op de hoogte en nodigt hen uit binnen drie maanden na de oproeping overeenkomstig het nationale recht conclusies in te dienen, opdat de rechterlijke instantie de kwestie van het gezagsrecht kan onderzoeken.
Onverminderd de bevoegdheidsregels van deze verordening verklaart het gerecht de zaak gesloten indien het binnen die termijn geen conclusie heeft ontvangen.
- 8.
Niettegenstaande een beslissing houdende de niet-terugkeer op grond [van artikel 13] van het [Haags Verdrag] van 1980, is een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, gegeven door een gerecht dat krachtens deze verordening bevoegd is, overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk III uitvoerbaar, zulks teneinde de terugkeer van het kind te verzekeren.’
15
Artikel 60 van die verordening, met het opschrift ‘Verhouding tot bepaalde multilaterale verdragen’, bepaalt:
‘In de betrekkingen tussen de lidstaten heeft deze verordening voorrang boven de volgende verdragen, voor zover zij betrekking hebben op onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld:
[…]
- e)
het [Haags Verdrag van 1980].’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16
L is in november 2014 in Zwitserland geboren en heeft zowel de Duitse als de Poolse nationaliteit. Haar vader, die de Duitse nationaliteit bezit, woont sinds juni 2013 om professionele redenen in Zwitserland, terwijl haar moeder, die de Poolse nationaliteit bezit, van januari 2015 tot april 2016 met haar dochter in Frankfurt am Main (Duitsland) heeft gewoond, de stad waar de ouders van L zijn getrouwd.
17
Van januari 2015 tot april 2016 kwam de vader regelmatig op bezoek bij de moeder en L in Duitsland.
18
In mei 2015 heeft de Zwitserse migratiedienst het door de vader ingediende verzoek tot gezinshereniging goedgekeurd, waarna de moeder een toestemming tot verblijf voor bepaalde tijd in Zwitserland heeft verkregen, die tot en met 31 december 2019 geldig was.
19
Op 9 april 2016 is de moeder met L naar Polen verhuisd. Daarbij heeft de moeder het hele gezin in Frankfurt am Main uitgeschreven en het adres van de vader in Zwitserland opgegeven. In de zomer van 2016 solliciteerde de moeder naar functies in Zwitserland. Sinds november 2016 werkt zij in Polen.
20
In het begin ging de vader bij zijn echtgenote en dochter in Polen op bezoeken. Vanaf april 2017 heeft de moeder de vader echter geweigerd zijn omgangsrecht met hun dochter uit te oefenen. Zij heeft L zonder toestemming van de vader bij een kleuterschool in Polen aangemeld. Eind mei 2017 heeft de moeder de vader meegedeeld dat zij met de dochter in Polen blijft.
21
Op 7 juli 2017 heeft de vader op grond van het Haags Verdrag van 1980 een verzoek tot terugkeer van het kind naar Zwitserland ingediend via de Zwitserse centrale autoriteit, te weten de Bundesamt für Justiz in Bern (federale autoriteit van justitie Bern, Zwitserland).
22
Bij beslissing van 8 december 2017 heeft de Sąd Rejonowy dla Krakowa-Nowej Huty w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau-Nowa Huta, Krakau, Polen) dit verzoek afgewezen op grond dat de vader voor onbepaalde tijd toestemming had gegeven voor de verhuizing van de moeder en hun dochter naar Polen. Bovendien heeft deze rechter geoordeeld dat er bij terugkeer van het kind een ernstig risico voor het belang van het kind bestond in de zin van artikel 13, eerste alinea, onder b), van het Haags Verdrag van 1980, aangezien de vader had erkend eenmalig geweld tegen de moeder te hebben gebruikt.
23
Het door de vader tegen deze beslissing ingestelde beroep is door de Sąd Okręgowy Krakowa (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen) bij beslissing van 17 april 2018 verworpen.
24
Bij verzoekschrift van 27 september 2017 heeft de moeder in Polen een echtscheidingsprocedure ingeleid. In oktober 2017 heeft zij eveneens aangifte gedaan van het vertrek van L bij de gemeente X in Zwitserland.
25
Bij beslissing van 5 juni 2018 heeft de Sąd Okręgowy te Krakau het ouderlijk gezag over L voorlopig aan de moeder toegewezen en de onderhoudsplicht van de vader vastgesteld. De verwijzende rechter wijst erop dat de vader in 2022 het kind in Polen heeft bezocht op grond van een in die lidstaat genomen rechterlijke beslissing.
26
Een tweede verzoek tot terugkeer van het kind op grond van het Haags Verdrag, dat de vader op 29 juni 2018 bij het Bundesamt für Justiz (federale dienst voor justitie) in Bonn (Duitsland) had ingediend, is door hem niet gehandhaafd.
27
Bij verzoekschrift van 12 juli 2018, ingediend bij het Amtsgericht Frankfurt am Main (rechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland), heeft de vader verzocht om het exclusieve ouderlijke gezag over het kind, om het recht om de verblijfplaats van het kind te bepalen en om de terugkeer van het kind bij hem in Zwitserland vanaf de inwerkingtreding van de beslissing.
28
De vader heeft aangevoerd dat de ouders van het kind in 2015 zijn overeengekomen om in de toekomst met L in Zwitserland te gaan wonen. In april 2016 heeft de moeder besloten om tijdelijk naar haar ouders in Polen te gaan. De vader heeft hiermee ingestemd, voor zover dit verblijf beperkt was tot twee of drie jaar. Er is overeengekomen dat het kind uiterlijk vanaf november 2017 naar een kleuterschool in Zwitserland zou gaan.
29
De moeder heeft zich tegen het verzoek verzet. Zij voerde aan dat de vader met de verhuizing naar Polen had ingestemd en had geholpen om in dat land een Pools paspoort te verkrijgen. Zij hadden daarentegen niet afgesproken dat de verhuizing naar Polen tijdelijk zou zijn en er bestond ook geen overeenstemming over een verhuizing naar Zwitserland.
30
Bij beslissing van 3 juni 2019 heeft het Amtsgericht Frankfurt am Main het verzoek van de vader om toekenning van het exclusieve ouderlijke gezag over het kind afgewezen op grond dat het niet internationaal bevoegd was om daarover uitspraak te doen.
31
De vader heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hessen, Frankfurt am Main, Duitsland), waarbij hij in wezen aanvoerde dat de Duitse gerechten bevoegd zijn krachtens artikel 11, lid 6, van verordening nr. 2201/2003, gelezen in samenhang met artikel 11, lid 7, en artikel 10 van deze verordening.
32
In dit verband merkt de verwijzende rechter in de eerste plaats op dat L op de datum waarop de vader het verzoekschrift in eerste aanleg indiende, te weten 12 juli 2018, haar gewone verblijfplaats in Polen had, zodat de bevoegdheid van de Duitse gerechten niet kan worden gebaseerd op artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003.
33
Wat in de tweede plaats de bevoegdheid van deze gerechten betreft, die volgens de vader voortvloeit uit de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 2201/2003, is de verwijzende rechter van oordeel dat deze artikelen in onderlinge samenhang moeten worden uitgelegd en herinnert hij eraan dat zij slechts van toepassing zijn in de betrekkingen tussen de lidstaten. Daarom is hij van oordeel dat in de terugkeerprocedure, die op 7 juli 2017 op verzoek van de vader is ingeleid via de federale autoriteit van justitie te Bern en die ertoe strekte de terugkeer van het kind naar Zwitserland te verkrijgen, de uit artikel 11 van verordening nr. 2201/2003 voortvloeiende vereisten inzake de tenuitvoerlegging van procedures uit hoofde van het Haags Verdrag van 1980 niet van toepassing zijn, aangezien de Zwitserse Bondsstaat niet gebonden is door verordening nr. 2201/2003.
34
Bijgevolg had het Poolse gerecht volgens de verwijzende rechter na de afwijzing van het verzoek tot terugkeer geen enkele reden om de Duitse gerechten of de Duitse centrale autoriteit overeenkomstig artikel 11, leden 6 en 7, van die verordening in kennis te stellen van de beslissing tot niet-terugkeer. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat het tweede verzoek tot terugkeer, dat de vader kort voor de indiening van zijn verzoek tot toewijzing van het exclusieve ouderlijke gezag dat ten grondslag ligt aan de onderhavige procedure, bij de federale autoriteit voor justitie te Bonn heeft ingediend, niet tot gevolg kan hebben dat het gerecht op grond van artikel 10 van die verordening bevoegd blijft, aangezien de vader die procedure niet heeft voortgezet.
35
In de derde plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat, voor zover artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 in de onderhavige zaak van toepassing is, in beginsel niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 10, aanhef en onder b), i), van deze verordening, dat bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven. Hoewel de vader aanvoert dat het kind in mei 2017 ongeoorloofd naar Polen is overgebracht, is zijn verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag namelijk pas op 12 juli 2018 ingediend, zodat de in artikel 10, aanhef en onder b), i), van die verordening gestelde termijn van één jaar niet in acht is genomen. Deze termijn zou echter wel nageleefd zijn indien hij zou ingaan op de datum waarop het kind volgens zijn vader naar een kleuterschool in Zwitserland had moeten gaan, namelijk vanaf november 2017.
36
De verwijzende rechter merkt evenwel op dat het door de vader in dit verband in het kader van de onderhavige procedure aangevoerde feitenrelaas verschilt van dat welke hij in de procedure op grond van het Haags Verdrag van 1980 heeft aangevoerd. De vraag rijst dus of het recht van de vader om nieuwe feiten aan te voeren met betrekking tot de precieze datum van de ongeoorloofde overbrenging, is vervallen en of de in een procedure op grond van dat verdrag geldende regels inzake de bewijslast in casu kunnen worden toegepast. De verwijzende rechter is geneigd te oordelen dat de beslissing over het verzoek tot terugkeer op grond van dat verdrag niet bindend is en dat hij de tegenstrijdigheden in het feitenrelaas van de vader moet beoordelen.
37
Ten slotte merkt de verwijzende rechter in de vierde plaats op dat in geval van weigering om de terugkeer van het kind te gelasten op grond van artikel 13 van het Haags verdrag van 1980, volgens de regels van artikel 11, leden 6 tot en met 8, van verordening nr. 2201/2003 een procedure betreffende het ouderlijk gezag over het kind moet worden ingeleid bij de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Anders dan de vader betoogt, is de verwijzende rechter evenwel van oordeel dat voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel 11 dwingend een procedure op grond van het Haags Verdrag van 1980 tussen twee door verordening nr. 2201/2003 gebonden lidstaten moet zijn gevoerd, hetgeen in casu niet het geval is.
38
In die omstandigheden heeft het Oberlandesgericht Frankfurt am Main besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
‘In hoeverre is het regelgevingsmechanisme in de artikelen 10 en 11 van [verordening nr. 2201/2003] beperkt tot procedures tussen lidstaten van de Europese Unie onderling?
Meer bepaald:
- 1)
Vindt artikel 10 van [verordening nr. 2201/2003] toepassing, met als gevolg dat de gerechten van de [lidstaat] van de laatste verblijfplaats bevoegd blijven, indien het kind vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat van de Europese Unie (Duitsland) had en de teruggeleidingsprocedure op grond van het Haags [Verdrag van 1980] tussen een lidstaat van de Europese Unie (Polen) en een derde staat (Zwitserland) is gevoerd en de terugkeer van het kind in die procedure is geweigerd?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
- 2)
Aan welke eisen moet in het kader van artikel 10, [aanhef en] onder b), i), van [verordening nr. 2201/2003] worden voldaan om aan te tonen dat [de gerechten van de lidstaat van de laatste verblijfplaats van het kind] bevoegd blijven?
- 3)
Is artikel 11, leden 6 tot en met 8, van [verordening nr. 2201/2003] ook van toepassing in het geval van een teruggeleidingsprocedure op grond van het Haags [Verdrag van 1980] tussen een derde staat en een lidstaat van de Europese Unie als land van toevlucht, indien het kind vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat van de Europese Unie had?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
39
Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren (arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia ‘Natsionalna politsia’ pri MVR — Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
In casu vloeit de eerste vraag voort uit het feit dat volgens de verwijzende rechter de toepassing van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 afhankelijk is van de uitvoering van een krachtens het Haags Verdrag van 1980 tussen twee lidstaten ingeleide procedure voor de terugkeer van het kind, zoals die procedure is aangevuld door artikel 11 van die verordening. Aangezien de vader vóór het geschil in de onderhavige zaak een procedure voor de terugkeer van het kind heeft ingeleid via de centrale autoriteit van de Zwitserse Bondsstaat, een derde land waarvan vaststaat dat het niet is gebonden door verordening nr. 2201/2003, is de verwijzende rechter evenwel van oordeel dat noch de bepalingen van artikel 11, noch bijgevolg die van artikel 10 van toepassing zijn in het hoofdgeding.
41
In dergelijke omstandigheden betwijfelt de verwijzende rechter of de Duitse gerechten bevoegd blijven als gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.
42
Hieruit volgt dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling ophoudt van toepassing te zijn op de enkele grond dat een centrale autoriteit van een derde land is verzocht een procedure voor de terugkeer van het kind krachtens het Haags Verdrag van 1980 te voeren, en dat deze procedure is mislukt.
43
Zonder de ontvankelijkheid van deze vraag ter discussie te stellen, voert de Poolse regering aan dat artikel 10 niet van toepassing is op het hoofdgeding, aangezien een Poolse rechter het verzoek van de vader van L om de terugkeer van zijn kind te gelasten krachtens het Haags Verdrag van 1980, heeft afgewezen door te oordelen dat er geen sprake was van een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van dat kind.
44
In dit verband kan worden volstaan met de vaststelling dat, zoals wordt bevestigd door artikel 11, lid 8, van verordening nr. 2201/2003, de beslissing van een gerecht van een lidstaat houdende weigering om een verzoek om terugkeer op grond van het Haags Verdrag van 1980 in te willigen, niet uitsluit dat een gerecht van een andere lidstaat zich bevoegd kan achten op grond van artikel 10 van die verordening.
45
In het licht van deze verduidelijking zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid de algemene bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht in kwestie aanhangig wordt gemaakt. Wegens hun nauwe geografische verbondenheid met die verblijfplaats zijn die gerechten over het algemeen namelijk het best in staat om de in het belang van het kind te treffen maatregelen te beoordelen [arrest van 14 juli 2022, CC (Overbrenging van de gewone verblijfplaats van het kind naar een derde staat), C-572/21, EU:C:2022:562, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46
Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van deze verordening is deze algemene bevoegdheid evenwel van toepassing ‘onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12’ van die verordening.
47
Artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen.
48
De overdracht van bevoegdheid aan de gerechten van die andere lidstaat is afhankelijk van de in artikel 10, aanhef en onder a), gestelde voorwaarde dat een persoon met gezagsrecht heeft ingestemd met die overbrenging of het niet doen terugkeren, of van de in artikel 10, aanhef en onder b), bedoelde voorwaarden. Volgens dat punt b) is vereist dat het kind, ten eerste, gedurende ten minste een jaar nadat de persoon, de instantie of het orgaan met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven, ten tweede, in zijn nieuwe omgeving geworteld is en, ten derde, aan minstens een van de vier voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van die bepaling voldoet. De voorwaarde van punt i) bepaalt dat er ‘bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarheen het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer is ingediend’ binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind.
49
Voorts zij eraan herinnerd dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat wanneer een persoon met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het Haags Verdrag van 1980 een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, de leden 2 tot en met 8 van dat artikel 11 van toepassing zijn.
50
Uit de bewoordingen van dat artikel 11 blijkt duidelijk dat deze bepaling slechts van toepassing is wanneer tussen lidstaten een procedure voor de terugkeer van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden, is ingeleid op grond van het Haags Verdrag van 1980.
51
Niets in de bewoordingen, de opzet of de doelstellingen van artikel 10 van die verordening wettigt evenwel de stelling dat de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 10 — die in beginsel inhoudt dat de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven — niet meer van toepassing is op grond dat tussen de centrale of rechterlijke autoriteiten van een derde land en van een lidstaat tevergeefs een terugkeerprocedure is ingeleid krachtens het Haags Verdrag van 1980.
52
In de eerste plaats zij er namelijk aan herinnerd dat de bevoegdheidsregel van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 is gebaseerd op de ‘ongeoorloofde overbrenging of [het] niet doen terugkeren van een kind’, waaronder volgens artikel 2, punt 11, van deze verordening wordt verstaan het overbrengen of niet doen terugkeren in strijd met een gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend krachtens het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor die overbrenging zijn gewone verblijfplaats had en indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (zie in die zin arrest van 2 augustus 2021, A, C-262/21 PPU, EU:C:2021:640, punt 44).
53
Deze definitie van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind verwijst dus enkel naar een schending van het gezagsrecht van een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen krachtens het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor die overbrenging of dat niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Zij hangt dus niet af van de vraag of degene die het gezagsrecht uitoefent een procedure voor de terugkeer van het kind op basis van het Haags Verdrag van 1980 inleidt, iets wat noodzakelijkerwijs later en slechts in voorkomend geval gebeurt.
54
Een dergelijke uitlegging vindt steun in de doelstelling van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003, die erin bestaat te voorkomen dat aan degene die het kind ongeoorloofd heeft overgebracht, een procedureel voordeel wordt verschaft dat zou voortvloeien uit het feit dat de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor die overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, automatisch hun bevoegdheid zouden verliezen op de enkele grond dat dit kind thans bij die persoon in een andere lidstaat zijn gewone verblijfplaats heeft [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, TT (Ongeoorloofde overbrenging van een kind), C-87/22, EU:C:2023:571, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
55
In de tweede plaats verwijst artikel 10, aanhef en onder b), om een einde te maken aan de bevoegdheid van de gerechten van de vroegere gewone verblijfplaats van het kind, weliswaar naar het ontbreken van een verzoek tot terugkeer bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, maar preciseert deze bepaling geenszins dat een dergelijk verzoek moet zijn ingediend op grond van het Haags Verdrag van 1980 en sluit zij evenmin uit dat het verzoek kon worden ingediend door tussenkomst van een centrale autoriteit van een derde land.
56
De premisse waarop de verwijzende rechter zich baseert, komt er daarentegen op neer dat degene die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt en wiens gezagsrecht is geschonden in de zin van artikel 2, punt 11, van die verordening, zich op de bepalingen van het Haags Verdrag van 1980 moet beroepen om de terugkeer van het betrokken kind te vragen.
57
Ten eerste zij eraan herinnerd dat deze bepalingen overeenkomstig artikel 60 van verordening nr. 2201/2003 in de betrekkingen tussen de lidstaten betreffende onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld, geen voorrang hebben boven de bepalingen van die verordening [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, TT (Ongeoorloofde overbrenging van een kind), C-87/22, EU:C:2023:571, punt 58].
58
Ten tweede heeft het Hof reeds in het arrest van 19 september 2018, C.E. en N.E. (C-325/18 PPU en C-375/18 PPU, EU:C:2018:739, punten 49 en 51), de stelling afgewezen dat er een verplichting bestaat om zich in het geval van een internationale ontvoering op de bepalingen van het Haags Verdrag van 1980 te beroepen om de terugkeer van een kind te vragen. Zoals blijkt uit artikel 34 van dit verdrag, kan een terugkeerprocedure immers gebaseerd zijn op andere regels of andere verdragsbepalingen, met name bilaterale bepalingen. In dit verband heeft het Hof in punt 53 van dat arrest ook gepreciseerd dat degene die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van verordening nr. 2201/2003 kan verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing inzake het ouderlijk gezag en de terugkeer van kinderen die is vastgesteld door een bevoegde rechterlijke instantie in de zin van hoofdstuk II, afdeling 2, van die verordening, zelfs indien geen verzoek tot terugkeer is ingediend op basis van het Haags Verdrag van 1980.
59
De loutere omstandigheid dat de ouder wiens gezagsrecht is geschonden tevergeefs een procedure op grond van het Haags Verdrag van 1980 heeft ingeleid met het oog op de terugkeer van het kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden — via de centrale autoriteit van een derde land, welke procedure vervolgens is overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat — heeft dus geen invloed op de toepassing van de bevoegdheidsregel van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 op een dergelijke situatie.
60
In de derde plaats is, anders dan de verwijzende rechter betoogt, het arrest van 24 maart 2021, MCP (C-603/20 PPU, EU:C:2021:231) — waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 10 van die verordening niet van toepassing is op een situatie waarin een kind op het tijdstip van indiening van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn gewone verblijfplaats in een derde land heeft verworven, nadat het naar die staat was ontvoerd — niet relevant voor de voorgaande uitlegging. In het hoofdgeding staat namelijk vast dat de beweerdelijk ongeoorloofde overbrenging tussen twee lidstaten heeft plaatsgevonden, een situatie die binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.
61
In de vierde plaats en ten slotte kan, anders dan de Duitse regering betoogt, bij stilzwijgen van verordening nr. 2201/2003 niet worden aanvaard dat de toepassing van de in artikel 10 van deze verordening neergelegde regel van rechterlijke bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid afhankelijk wordt gesteld van de toepassing van procedureregels als die van artikel 11, leden 6 en 7, van die verordening, die hoofdzakelijk tot doel hebben de mededeling te regelen van informatie over een krachtens artikel 13 van het Haags Verdrag van 1980 genomen beslissing houdende niet-terugkeer, die moet worden meegedeeld aan het bevoegde gerecht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, en vast te leggen hoe die informatie moet worden meegedeeld (zie in die zin arrest van 9 januari 2015, RG, C-498/14 PPU, EU:C:2015:3, punt 46).
62
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling niet ophoudt van toepassing te zijn op de enkele grond dat een centrale autoriteit van een derde land is verzocht een procedure voor de terugkeer van een kind krachtens het Haags Verdrag van 1980 te voeren, en dat deze procedure is mislukt.
Tweede vraag
63
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in het algemeen te vernemen aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om vast te stellen dat de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven.
64
Uit de motivering en de feitelijke omstandigheden die in het verzoek om een prejudiciële beslissing zijn uiteengezet, blijkt dat deze vraag meer bepaald betrekking heeft op twee punten inzake met name het begrip ‘verzoek tot terugkeer’ als bedoeld in artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003. Ten eerste is de verwijzende rechter van oordeel dat het door de vader van L op 7 juli 2017 ingediende verzoek tot terugkeer geen ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van dat artikel 10, aanhef en onder b), i), vormt omdat het ertoe strekte de terugkeer van het kind naar een derde land, te weten de Zwitserse Bondsstaat, te verkrijgen. Ten tweede kan volgens deze rechter het door de vader op 12 juli 2018 ingediende verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag worden gelijkgesteld met een ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van dat artikel 10, aanhef en onder b), i). Hij merkt evenwel op dat dit verzoek na de in deze bepaling gestelde termijn van een jaar is ingediend indien, gelet op de aanspraken van de vader, de dies a quo van die termijn identiek is aan die welke in het kader van het op 7 juli 2017 ingediende verzoek tot terugkeer van toepassing was. In deze context vraagt de verwijzende rechter zich ook af of degene die het gezagsrecht uitoefent de mogelijkheid heeft om gegevens aan te dragen die nieuw zijn ten opzichte van die welke hij in die procedure heeft aangevoerd, en welke regels inzake de bewijslast in dit verband gelden.
65
Gelet op deze verduidelijkingen en op de in punt 39 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van het Hof, moet de tweede vraag aldus worden geherformuleerd dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek tot terugkeer van het kind naar een andere staat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, of een bij de gerechten van die lidstaat ingediend verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over dat kind, onder het begrip ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van die bepaling valt. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ten eerste, degene die het gezagsrecht uitoefent, om aan te tonen dat hij binnen de in die bepaling gestelde termijn een verzoek tot terugkeer heeft ingediend, nieuwe elementen mag aanvoeren ten opzichte van de elementen die hij in de loop van de procedure op grond van het Haags Verdrag van 1980 heeft aangevoerd, en ten tweede, de regels inzake de bewijslast identiek zijn aan die welke in het kader van die procedure gelden.
66
Wat in de eerste plaats de vraag betreft of, zoals met name de Commissie betoogt, een verzoek tot terugkeer van het kind naar een andere staat, daaronder begrepen een derde land, dan de lidstaat waar dit kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, onder artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 valt, zij vastgesteld dat in deze verordening niet wordt gepreciseerd wat onder ‘verzoek tot terugkeer’ moet worden verstaan.
67
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan die bepaling deel uitmaakt [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, TT (Ongeoorloofde overbrenging van een kind), C-87/22, EU:C:2023:571, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
68
In dit verband kan om te beginnen uit de bewoordingen van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 niet worden afgeleid dat de uitdrukking ‘verzoek tot terugkeer’ duidt op een andere procedure dan die waarbij een persoon verzoekt dat een kind terugkeert naar de lidstaat op het grondgebied waarvan het onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.
69
Wat vervolgens de context van artikel 10 van deze verordening betreft, zij eraan herinnerd dat deze bepaling een bijzondere bevoegdheidsregel bevat ten opzichte van de algemene regel van artikel 8, lid 1, van die verordening. Artikel 10 vermeldt aldus de omstandigheden waarin de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, wordt gehandhaafd of integendeel wordt overgedragen aan de gerechten van de lidstaat waar het kind als gevolg van een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats heeft verkregen.
70
Het is derhalve logisch en in overeenstemming met de opzet van de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 dat, ten eerste, het in artikel 10 van deze verordening bedoelde ‘verzoek tot terugkeer’ moet worden gericht aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarheen het kind ongeoorloofd is overgebracht en waar het zich fysiek bevindt, en ten tweede, dit verzoek ertoe strekt de terugkeer van dat kind te bewerkstelligen naar de lidstaat waar het onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had en waarvan de gerechten, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, wegens hun nauwe geografische verbondenheid over het algemeen het best in staat zijn om de in het belang van dat kind te treffen maatregelen te beoordelen [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, TT (Ongeoorloofde overbrenging van een kind), C-87/22, EU:C:2023:571, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Een verzoek dat ertoe strekt dat het kind wordt meegenomen naar een andere staat, een derde land bovendien, op het grondgebied waarvan het vóór zijn ongeoorloofde overbrenging niet zijn gewone verblijfplaats heeft gehad, strookt niet met die logica.
71
Deze vaststelling vindt ten slotte steun in de doelstellingen van verordening nr. 2201/2003. Deze verordening beoogt namelijk ontvoeringen van kinderen tussen lidstaten tegen te gaan en in geval van ontvoering de onmiddellijke terugkeer van het kind naar de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats te bewerkstelligen (arrest van 19 september 2018, C.E. en N.E., C-325/18 PPU en C-375/18 PPU, EU:C:2018:739, punt 47).
72
Voorts heeft het Hof met betrekking tot de uitlegging van artikel 11 van verordening nr. 2201/2003 reeds geoordeeld dat een van de doelstellingen van deze bepaling het herstel van de status quo ante is, dat wil zeggen het herstel in de situatie die vóór de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind bestond [zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Rzecznik Praw Dziecka e.a. (Schorsing van de terugkeerbeslissing), C-638/22 PPU, EU:C:2023:103, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
73
Ook al is, zoals in de punten 51 tot en met 62 van het onderhavige arrest is geoordeeld, de bevoegdheid van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 niet afhankelijk van de omstandigheid dat een terugkeerprocedure is ingeleid op grond van het Haags Verdrag van 1980, zoals aangevuld door de bepalingen van artikel 11 van deze verordening, dan nog is het herstel van de status quo ante noodzakelijkerwijs een gemeenschappelijk doel van de verzoeken tot terugkeer als bedoeld in artikel 10 en artikel 11 van die verordening.
74
Bijgevolg zouden al deze doelstellingen in gevaar worden gebracht indien een ‘verzoek tot terugkeer’ zou worden opgevat als een verzoek om het kind over te dragen aan een staat op het grondgebied waarvan het kind niet onmiddellijk voor zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had (zie in die zin arrest van 8 juni 2017, OL, C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 38).
75
Deze uitlegging vindt steun in het Haags Verdrag van 1980. Zoals de Commissie betoogt, staat artikel 8, eerste alinea, van dit verdrag degene die het gezagsrecht uitoefent weliswaar toe om via de centrale autoriteit van elke verdragsluitende partij een verzoek tot terugkeer in te dienen, maar volgens de preambule van dit verdrag wordt daarmee beoogd om in internationaal verband kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren en om procedures vast te stellen die de onmiddellijke terugkeer van het kind waarborgen naar de staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft [zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Rzecznik Praw Dziecka e.a. (Schorsing van de terugkeerbeslissing), C-638/22 PPU, EU:C:2023:103, punt 64].
76
Uit de letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 volgt dus dat het begrip ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van deze bepaling duidt op een verzoek waarmee een persoon tracht te verkrijgen dat een kind terugkeert naar de lidstaat op het grondgebied waarvan het onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.
77
Omgekeerd vormt een verzoek dat ertoe strekt dat het kind zich bij een van zijn ouders voegt in een derde land waar het kind niet onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, geen ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van artikel 10, aanhef en onder b), i).
78
In de tweede plaats kan een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag bij de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, niet worden gelijkgesteld met een verzoek tot terugkeer in de zin van artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003.
79
Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, volgt uit artikel 10, aanhef en onder b), van deze verordening namelijk dat een verzoek tot terugkeer van een kind en een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over een kind niet onderling verwisselbaar zijn, aangezien deze twee verzoeken verschillende functies hebben. Ten eerste heeft de procedure inzake een verzoek tot terugkeer — in tegenstelling tot een verzoek dat ertoe strekt het gezag over een kind te verkrijgen, dat een diepgaand onderzoek van de grond van het geschil betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid vereist — naar haar aard een voortvarend verloop, aangezien het verzoek tot terugkeer, zoals in overweging 17 van verordening nr. 2201/2003 staat te lezen, de onverwijlde terugkeer van het kind beoogt te verzekeren [zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Rzecznik Praw Dziecka e.a. (Schorsing van de terugkeerbeslissing), C-638/22 PPU, EU:C:2023:103, punten 68 en 70]. Ten tweede heeft het Hof reeds geoordeeld dat een besluit inzake de terugkeer of niet-terugkeer van het kind niet het gezag over dat kind regelt, met dien verstande dat de onmogelijkheid om een terugkeerprocedure te voeren de ouder wiens gezagsrecht is geschonden niet in zijn mogelijkheden beperkt om zijn rechten af te dwingen door middel van een procedure waarin de vraag naar de ouderlijke verantwoordelijkheid ten gronde wordt beslecht, die wordt ingeleid bij de gerechten die daar volgens de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 bevoegd voor zijn (zie in die zin arrest van 8 juni 2017, OL, C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80
Aangezien noch een verzoek tot terugkeer van een kind naar een staat op het grondgebied waarvan het kind niet onmiddellijk voor zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, noch een met betrekking tot dat kind ingediend verzoek om het gezagsrecht over dat kind kan worden aangemerkt als een ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003, behoeven de in de laatste volzin van punt 65 van het onderhavige arrest genoemde kwesties niet te worden onderzocht.
81
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat noch een verzoek tot terugkeer van het kind naar een andere staat dan de lidstaat waar dat kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, noch een bij de gerechten van die lidstaat ingediend verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over dat kind, onder het begrip ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van die bepaling valt.
Derde vraag
82
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 11, leden 6 tot en met 8, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is wanneer een procedure voor de terugkeer van een kind krachtens het Haags Verdrag van 1980 wordt gevoerd tussen een derde land en een lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt na ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren, voor zover het vóór zijn overbrenging zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat had.
83
Zoals in punt 50 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, volgt uit de bewoordingen van artikel 11 van deze verordening dat deze bepaling in de betrekkingen tussen de lidstaten slechts van toepassing is in samenhang met de bepalingen van het Haags Verdrag van 1980.
84
Hieruit volgt dat, zoals de Duitse en de Poolse regering en de Commissie terecht hebben aangevoerd, de informatie- en kennisgevingsverplichtingen van artikel 11, leden 6 en 7, van die verordening en de uitvoerbaarheid van de in artikel 11, lid 8, van die verordening bedoelde beslissing niet van toepassing zijn in het kader van een procedure voor de terugkeer van het kind die is ingeleid tussen een centrale autoriteit van een derde land en de autoriteiten van de lidstaat waar het kind zich bevindt na een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren.
85
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 11, leden 6 tot en met 8, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is wanneer een procedure voor de terugkeer van een kind krachtens het Haags Verdrag van 1980 wordt gevoerd tussen een derde land en een lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt na ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren.
Kosten
86
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000
moet aldus worden uitgelegd dat
deze bepaling niet ophoudt van toepassing te zijn op de enkele grond dat een centrale autoriteit van een derde land is verzocht een procedure voor de terugkeer van een kind krachtens het op 25 oktober 1980 te 's‑Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te voeren, en dat deze procedure is mislukt.
- 2)
Artikel 10, aanhef en onder b), i), van verordening nr. 2201/2003
moet aldus worden uitgelegd dat
noch een verzoek tot terugkeer van het kind naar een andere staat dan de lidstaat waar dat kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, noch een bij de gerechten van die lidstaat ingediend verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over dat kind, onder het begrip ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van die bepaling valt.
- 3)
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet van toepassing is wanneer een procedure voor de terugkeer van een kind krachtens het op 25 oktober 1980 te 's‑Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen wordt gevoerd tussen een derde land en een lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt na ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑06‑2024
Procestaal: Duits.
Conclusie 08‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Ouderlijke verantwoordelijkheid — Internationale rechterlijke bevoegdheid in het geval van kinderontvoering — Gewoonlijke verblijfplaats van het kind in een lidstaat vóór de ongeoorloofde overbrenging — Ongeoorloofde overbrenging naar een lidstaat — Procedure inzake terugkeer vanuit een lidstaat naar een derde staat (Zwitserland) — Haags Verdrag van 1980
M. Campos Sánchez-Bordona
Partij(en)
Zaak C-35/231. [Greislzel]i.
Vader
tegen
Moeder,
in tegenwoordigheid van:
Kind L,
Vertegenwoordiger ad litem van het kind
[verzoek van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hessen, Frankfurt am Main, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
1.
In verordening (EG) nr. 2201/20032. is door de Uniewetgever onder meer bepaald welke gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen betreffende kinderontvoeringen binnen de Europese Unie.
2.
De bepalingen van verordening nr. 2201/2003 hebben in dit verband als doel om enerzijds ontvoeringen (het ongeoorloofd overbrengen of het niet doen terugkeren) van kinderen tussen lidstaten te voorkomen, en anderzijds, in geval van dergelijke ontvoeringen, de onverwijlde terugkeer van het kind te bewerkstelligen.3.
3.
Artikel 10 van verordening nr. 2201/2003, met het opschrift ‘Bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering’, is door het Hof uitgelegd naar aanleiding van verschillende verzoeken om een prejudiciële beslissing.4. Geen van die gevallen betrof echter de toepassing van dat artikel in een situatie, zoals die in casu, waarin wordt gevraagd om de terugkeer van het kind naar een derde land (Zwitserland), waar het bovendien vóór de ongeoorloofde overbrenging niet zijn gewone verblijfplaats had.
4.
Het Hof van Justitie heeft zich ook uitgesproken over de verhouding van verordening nr. 2201/2003 tot het Verdrag van 's‑Gravenhage van 25 oktober 1980.5. Tot nu toe heeft het Hof, als ik mij niet vergis, nog niet hoeven te verduidelijken welke gevolgen een op dat verdrag gegrond verzoek tot terugkeer van het kind zou kunnen hebben voor de bepaling van de bevoegdheid om kennis te nemen van een op grond van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 ingediend verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Haags Verdrag van 1980
5.
In de preambule wordt verklaard dat dit verdrag tot doel heeft om in internationaal verband kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ongeoorloofde overbrenging of het ongeoorloofd niet doen terugkeren, en om procedures vast te stellen die zorgen voor de onmiddellijke terugkeer van het kind naar de staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft.
6.
In artikel 12, eerste en tweede alinea, kan worden gelezen:
‘Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de Verdragsluitende Staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind.
De rechterlijke of administratieve autoriteit gelast, zelfs in het geval dat het verzoek tot haar wordt gericht nadat de in het vorige lid bedoelde termijn van één jaar is verstreken, eveneens de terugkeer van het kind, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.’
B. Unierecht — Verordening nr. 2201/2003
7.
In de overwegingen 12 en 17 wordt het volgende verklaard:
- ‘(12)
De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.
[…]
- (17)
In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind dient de terugkeer van het kind onverwijld te worden verkregen en te dien einde dient het [Haags Verdrag van 1980] van toepassing te blijven, zoals aangevuld door de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder artikel 11. […]’
8.
In artikel 8 (‘Algemene bevoegdheid’) wordt bepaald:
- ‘1.
Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
- 2.
Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.’
9.
Artikel 10 (‘Bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering’) luidt:
‘In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind blijven de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en:
- a)
enige persoon, instelling of ander lichaam die gezagsrecht bezit, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust;
of
- b)
het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon, de instelling of het lichaam met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarheen het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind;
- ii)
een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer is ingetrokken en binnen de onder i) gestelde termijn is geen nieuw verzoek ingediend;
- iii)
een voor een gerecht in de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, dienende zaak is overeenkomstig artikel 11, lid 7, gesloten verklaard;
- iv)
een gezagsbeslissing die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, is uitgesproken door de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.’
10.
In artikel 11 (‘Terugkeer van het kind’) staat te lezen:
- ‘1.
Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het [Haags Verdrag van 1980] een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing.
[…]’
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
11.
De ouders van L (de vader bezit de Duitse nationaliteit, de moeder de Poolse) zijn in maart 2013 gehuwd in Duitsland, in welk land zij aanvankelijk samenwoonden.
12.
In juni 2013 is de vader voor zijn werk naar Zwitserland verhuisd. L is geboren op 12 november 2014 in Zwitserland en heeft zowel de Duitse als de Poolse nationaliteit.
13.
Van januari 2015 tot begin april 2016 woonde L bij zijn moeder in Duitsland. De vader bezocht de moeder en het gezamenlijke kind regelmatig in Duitsland; ook brachten zij samen vakanties door.
14.
Op 9 april 2016 is de moeder samen met L naar Polen verhuisd. In het begin bracht de vader bezoeken aan L in Polen.
15.
Vanaf 17 april 2017 heeft de moeder de vader de omgang met L ontzegd en L zonder toestemming van de vader bij een kleuterschool in Polen aangemeld.
16.
Eind mei 2017 heeft de moeder de vader meegedeeld dat zij met L in Polen zou blijven wonen.
17.
Op 7 juli 2017 heeft de vader via de Zwitserse centrale autoriteit [Bundesamt für Justiz in Bern (federale autoriteit van justitie Bern, Zwitserland)] een verzoek tot terugkeer van L naar Zwitserland ingediend bij de Poolse gerechten.
18.
Op 8 december 2017 heeft de Sąd Rejonowy Krakowa-Nowej Huty (rechter in eerste aanleg Krakau — Nowa Huta, Polen) het door de vader ingediende verzoek tot terugkeer afgewezen op grond dat de vader voor onbepaalde tijd toestemming had gegeven voor de verhuizing van de moeder met L naar Polen, en dat er in geval van een terugkeer een ernstig risico voor het welzijn van het kind in de zin van artikel 13, eerste alinea, onder b), van het Haags Verdrag van 1980 bestond.
19.
Het door de vader tegen deze beslissing ingestelde beroep is door de Sąd Okręgowy Krakowa (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen) op 17 april 2018 verworpen.
20.
Bij verzoekschrift van 27 september 2017 heeft de moeder in Polen een echtscheidingsprocedure ingeleid. Op 5 juni 2018 heeft de Sąd Okręgowy Krakowa het ouderlijk gezag over het gezamenlijke kind voorlopig aan de moeder toegewezen en de onderhoudsplicht van de vader vastgesteld.
21.
Op 29 juni 2018 heeft de vader op grond van het Haags Verdrag van 1980 een verzoek tot terugkeer van het kind ingediend bij het Bundesamt für Justiz in Bonn (federale autoriteit van justitie Bonn, Duitsland). Dat verzoek heeft hij nadien ingetrokken.
22.
Op 13 juli 2018 heeft de vader bij het Amtsgericht Frankfurt am Main (rechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) het geding aanhangig gemaakt waaruit het verzoek om een prejudiciële beslissing is voortgekomen. In zijn op 13 juli 2018 bij het Amtsgericht Frankfurt am Main neergelegde verzoekschrift vorderde hij:
- —
primair (punt I van zijn vorderingen), dat aan hem het exclusieve ouderlijke gezag over L werd toegewezen en, subsidiair, het recht werd toegekend om de verblijfplaats van het kind te bepalen;
- —
en voorts (punt II van zijn vorderingen) dat de moeder werd gelast om het kind na de inwerkingtreding van de beslissing naar de vader in Zwitserland te doen terugkeren.
23.
In dat geding:
- —
voerde de vader aan dat de ouders van het kind in het voorjaar van 2015 waren overeengekomen om in de toekomst met L in Zwitserland te gaan wonen. In april 2016 besloot de moeder om tijdelijk naar Polen te verhuizen. De vader stemde daarmee in, waarbij hij echter uitdrukkelijk grenzen stelde aan de duur van het verblijf in Polen6.;
- —
betwistte de moeder deze beweringen. Zij stelde dat de vader had ingestemd met de verhuizing van L naar Polen en dat zij niet hadden afgesproken dat de verhuizing tijdelijk zou zijn. Ook hadden zij geen afspraak gemaakt over een (toekomstige) verhuizing naar Zwitserland.
24.
Op 3 juni 2019 heeft het Amtsgericht Frankfurt am Main het beroep van de vader afgewezen op grond van het ontbreken van internationale rechterlijke bevoegdheid. Volgens deze rechter had de vader niet aangetoond dat er concreet was overeengekomen dat L slechts tijdelijk in Polen zou verblijven. De door hem ter terechtzitting van 9 mei 2019 aangedragen informatie is in tegenspraak met zijn eerdere verklaringen in de memorie van 3 augustus 2018 waaruit bleek dat de ouders in mei 2017 nog aan het overleggen waren over de duur van het verblijf in Polen.
25.
Op 8 juli 2019 heeft de vader bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hessen, Frankfurt am Main, Duitsland) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. In het kader van dat beroep herhaalt hij de in eerste aanleg aangevoerde argumenten en betoogt hij dat:
- —
de rechter in eerste aanleg bevoegd is krachtens artikel 11, lid 6, gelezen in samenhang met lid 7, en artikel 10 van verordening nr. 2201/2003. De Sąd Rejonowy Krakowa-Nowej Huty heeft in zijn beslissing van 8 december 2017 vastgesteld dat de gewone verblijfplaats van L vóór haar verhuizing naar Polen zich niet in Zwitserland, maar in Duitsland bevond;
- —
in casu de aan de procedure van het Haags Verdrag van 1980 ten grondslag liggende beginselen van toepassing zijn. Volgens die beginselen moet de persoon die zich tegen de terugkeer van het kind verzet, aantonen dat de persoon die het (gezamenlijke) gezag over het kind had, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft toegestemd, of daar naderhand in heeft berust. De moeder heeft niet aangetoond dat zijn instemming voor onbepaalde tijd was.
26.
De vader heeft tevens verzocht om de indiening van een verzoek om een prejudiciële beslissing, welk verzoek is ingewilligd door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main, dat het Hof de volgende vragen heeft voorgelegd:
‘In hoeverre is het regelgevingsmechanisme in de artikelen 10 en 11 van [verordening nr. 2201/2003] beperkt tot procedures tussen lidstaten van de Europese Unie onderling?
Meer bepaald:
- 1)
Vindt artikel 10 van [verordening nr. 2201/2003] toepassing, met als gevolg dat de gerechten van de staat van de laatste verblijfplaats bevoegd blijven, indien het kind vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat van de Europese Unie (Duitsland) had en de teruggeleidingsprocedure op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag tussen een lidstaat van de Europese Unie (Polen) en een derde staat (Zwitserland) is gevoerd en de terugkeer van het kind in die procedure is geweigerd?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
- 2)
Aan welke eisen moet in het kader van artikel 10, onder b), i), van [verordening nr. 2201/2003] worden voldaan om aan te tonen dat die gerechten bevoegd blijven?
- 3)
Is artikel 11, leden 6 tot en met 8, van [verordening nr. 2201/2003] ook van toepassing in het geval van een teruggeleidingsprocedure op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag tussen een derde staat en een lidstaat van de Europese Unie als land van toevlucht, indien het kind vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat van de Europese Unie had?’
III. Procedure bij het Hof
27.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 25 januari 2023 binnengekomen ter griffie van het Hof.
28.
De Duitse en de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Diezelfde partijen en de vader van het kind hebben deelgenomen aan de mondelinge behandeling op 7 december 2023.
IV. Beoordeling
29.
Op aanwijzing van het Hof zal ik mij, om te bepalen welk gerecht bevoegd is in omstandigheden als die van het hoofdgeding, concentreren op de tweede prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de in artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 gestelde voorwaarden.7.
30.
Mijn uiteenzetting is als volgt opgebouwd:
- —
Onder het eerste opschrift zal ik summier ingaan op de regels inzake de toekenning van rechterlijke bevoegdheid in geval van kinderontvoering (artikelen 8 en 10 van verordening nr. 2201/2003).
- —
Onder het tweede opschrift zal ik de kenmerken van verzoeken tot terugkeer van het ontvoerde kind analyseren, aangezien het bestaan van een dergelijk verzoek een van de voorwaarden vormt voor het behoud van bevoegdheid op grond van artikel 10, onder b), i), van verordening (EG) nr. 2201/2003.
- —
Ik zal mijn beschouwingen aanvullen met een uiteenzetting van de gevolgen die de onder het tweede opschrift geformuleerde overwegingen zouden kunnen hebben voor het hoofdgeding.
- —
Tot slot zal ik mij buigen over andere specifieke problemen die door de verwijzende rechter zijn opgeworpen.
A. Regels inzake de toewijzing van internationale rechterlijke bevoegdheid in geval van kinderontvoering
31.
De in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 neergelegde algemene bevoegdheidsregel houdt in dat ‘[t]er zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid […] bevoegd [zijn] de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt’.
32.
Die bevoegdheidstoewijzing beantwoordt aan het beginsel van de nauwe (geografische) verbondenheid, dat een centrale plaats inneemt in het stelsel.8.
33.
Een uitzondering op deze regel is het geval waarin het kind zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat verliest en een nieuwe gewone verblijfplaats verkrijgt in een andere lidstaat, maar de gerechten van die laatste lidstaat geen internationale rechterlijke bevoegdheid hebben. Die uitzondering is specifiek van toepassing in het geval van ongeoorloofd overgebrachte (of vastgehouden) kinderen.
34.
Volgens artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 komt de bevoegdheid in geval van kinderontvoering in beginsel toe aan de gerechten van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging (of het ongeoorloofd niet doen terugkeren) zijn gewone verblijfplaats had. Aldus wordt bereikt:
- —
dat de ouder die het kind heeft ontvoerd geen voordeel kan behalen uit een onrechtmatige daad. Als die ouder het verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over het kind zou kunnen instellen bij de gerechten van de lidstaat van de nieuwe verblijfplaats, zou hij een ongerechtvaardigd voordeel genieten9.;
- —
dat de praktijk van internationale ontvoering van kinderen wordt ontmoedigd, hetgeen een elementair doel van verordening nr. 2201/2003 is.10.
35.
De internationale rechterlijke bevoegdheid van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, blijft echter niet in alle gevallen in stand.
36.
Indien is voldaan aan bepaalde in artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 opgesomde voorwaarden, kan die bevoegdheid vanaf een bepaald tijdstip overgaan op de gerechten van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind.
37.
Dat zal met name gebeuren indien de houder van het gezagsrecht:
- —
berust in de overbrenging van het kind [artikel 10, onder a), van verordening nr. 2201/2003], of
- —
gedurende een afgebakende periode bepaalde procedures niet instelt11. en het kind daarna in de nieuwe omgeving is geworteld [artikel 10, onder b), van verordening nr. 2201/2003].12.De passiviteit van de persoon die het ouderlijk gezag over het ongeoorloofd overgebrachte kind heeft, kan derhalve relevant zijn voor de overgang van de bevoegdheid van de ene lidstaat op de andere.13.
B. Verzoek tot terugkeer en artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003
38.
Zoals ik hierboven heb opgemerkt, is het feit dat er sprake is van een verzoek tot terugkeer van het kind een van de voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003.
39.
Volgens deze bepaling is het niet indienen van een verzoek tot terugkeer van het kind (bij de autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht) nadat de verblijfplaats van het kind bekend is geworden (of bekend zou moeten zijn), een factor die kan leiden tot een wijziging van de internationale rechterlijke bevoegdheid, mits sprake is van de andere in die bepaling omschreven omstandigheden.
40.
In verordening nr. 2201/2003 wordt echter niet omschreven wat moet worden verstaan onder ‘terugkeer’ of onder een ‘verzoek tot terugkeer’. Ook in het Haags Verdrag van 1980, waarop verordening nr. 2201/2003 een aanvulling vormt14., en in het Haags Verdrag van 199615. worden er geen definities van deze begrippen gegeven.
1. Verzoek tot terugkeer van het kind naar een andere lidstaat dan die waar het vóór de ontvoering zijn gewone verblijfplaats had
41.
Gegeven de omstandigheden van deze zaak, moet worden vastgesteld of een verzoek tot terugkeer in strikte zin16. waarbij wordt verzocht om terugkeer van het kind naar een andere lidstaat dan die waar het vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, onder artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 valt.17.
42.
Allereerst lijken de letterlijke bewoordingen18. van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 niet te vereisen dat het verzoek betrekking heeft op de terugkeer van het kind naar de lidstaat waar het onmiddellijk voorafgaand aan de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had.
43.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, beoogt artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 onrechtmatige overbrengingen van de ene lidstaat naar de andere te ontmoedigen. Daartoe voorziet dat artikel in regels die, onder bepaalde voorwaarden, eraan in de weg staan dat de bevoegdheid overgaat op de gerechten van de lidstaat waar het kind na zijn ongeoorloofde overbrenging een nieuwe gewone verblijfplaats heeft verkregen.
44.
Met datzelfde doel voor ogen, heeft het Hof de voorkeur gegeven aan een enge uitlegging van de voorwaarden voor de overgang van de bevoegdheid.19. Diezelfde logica volgend, zou kunnen worden betoogd dat hoe flexibeler de uitlegging van de voorwaarden waaronder de bevoegdheid blijft berusten bij de lidstaat van de eerdere gewone verblijfplaats van het kind, hoe beter het beoogde doel kan worden verwezenlijkt.20.
45.
Hieruit zou volgen dat artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 ruimte zou kunnen bieden aan een verzoek tot terugkeer van het kind dat wenst terug te keren naar een andere staat (dat wil zeggen een andere lidstaat, en mogelijk zelfs een derde staat) dan die van zijn eerdere gewone verblijfplaats.
46.
Ik ben echter de opvatting toegedaan dat deze open uitlegging van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003, die wordt voorgestaan door de Commissie en de vader van L, ernstige moeilijkheden oplevert.
47.
De bevoegdheidsregel van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 is een bijzondere vorm van de algemene regel van artikel 8, lid 1. Als zodanig moet aan die regel ‘een strikte uitlegging […] worden gegeven, die niet verder gaat dan de uitdrukkelijk in de betrokken verordening vermelde gevallen’.21.
48.
In dit verband herinner ik eraan dat in artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 niet alleen wordt voorzien in een afwijkende bevoegdheid, maar ook wordt bepaald in welke omstandigheden de normaliter bevoegde gerechten, te weten die van de lidstaat waar het kind op dat moment zijn gewone verblijfplaats heeft, die bevoegdheid behouden of juist verliezen.
49.
Hoewel de nieuwe gewone verblijfplaats het resultaat is van een ongeoorloofde overbrenging22., zijn de gerechten van de lidstaat waar het kind reeds in zekere mate is geworteld dankzij hun geografische verbondenheid met de omgeving van het kind beter in staat te beoordelen welke maatregelen de belangen van het kind dienen.23.
50.
In de woorden van het Hof heeft de wetgever met artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 ‘met betrekking tot de attributie van bevoegdheid […] een evenwicht tot stand willen brengen tussen enerzijds de noodzaak om te voorkomen dat de ontvoerder de vruchten plukt van zijn onrechtmatige handeling […] en anderzijds de wenselijkheid dat het gerecht dat zich het dichtst bij het kind bevindt, kennis kan nemen van vorderingen ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid’.24.
51.
De sleutel tot een juist begrip van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003, en daarmee van de daarin vastgestelde voorwaarden, ligt in de totstandbrenging van dat evenwicht.
52.
Mijns inziens wordt dat evenwicht beter bewaard door een verzoek tot terugkeer van het kind naar de lidstaat waar het onmiddellijk voorafgaand aan de ongeoorloofde overbrenging verbleef (in casu Duitsland) dan door een verzoek tot terugkeer dat, indien het zou slagen, het kind naar een andere staat (Zwitserland) zou brengen25. dan eerstgenoemde staat en dan de staat (Polen) waar het kind thans verblijft.
53.
Artikel 10, onder b), van verordening nr. 2201/2003 concretiseert de handelingen die moeten worden verricht door de persoon die de wijziging van de internationale rechterlijke bevoegdheid wil voorkomen:
- —
Als respons op de ontvoering zal hij, binnen een bepaalde termijn, een verzoek tot terugkeer van het kind moeten indienen bij de autoriteiten van de staat waar het kind zich bevindt.26.
- —
Tegen een op grond van het Haags Verdrag van 1980 gegeven beslissing houdende niet-terugkeer moet hij onverwijld een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over het kind27. indienen (als dat nog niet aanhangig is) bij de autoriteiten van de staat waar het kind zijn eerdere verblijfplaats had.
54.
Mijns inziens beoogt verordening nr. 2201/2003, door de handhaving van de bevoegdheid afhankelijk te stellen van deze specifieke juridische reacties, de niet-aanvaarding door de persoon met het ouderlijk gezag van de ontvoering van het kind te kanaliseren, maar wordt daarnaast nog iets anders nagestreefd.
55.
In het belang van het kind bevordert de verordening de activering van mechanismen die erop gericht zijn om zo snel mogelijk een einde te maken aan een tijdelijke situatie28., op een wijze die overeenstemt met de logica van de Europese regeling inzake internationale ontvoering van kinderen.29. Het herstellen van de status quo ante, dat wil zeggen van de situatie zoals die vóór de ongeoorloofde overbrenging bestond, is de eerste, essentiële stap voor het regulariseren van de situatie van een ontvoerd kind.30. Daartoe acht ik het onontbeerlijk dat wordt verzocht tot de terugkeer van het kind naar juist de lidstaat waarvandaan het is overgebracht.
56.
Het indienen van een verzoek tot terugkeer van het kind naar een andere staat dan die waar het kind voorafgaand aan de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, is een manier om zich tegen die overbrenging te verzetten, maar dient niet het hierboven door mij beschreven doel. Een dergelijk verzoek beperkt daarentegen de gevallen waarin de gerechten van de lidstaat van de actuele gewone verblijfplaats van het kind, oftewel de gerechten die het dichtst bij het kind staan, bevoegd zijn.
57.
Ik meen kortom dat een verzoek tot terugkeer van het kind naar een andere staat dan die waar het zijn gewone verblijfplaats had ten tijde van de ongeoorloofde overbrenging, niet kan worden gekwalificeerd als een ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003.
2. Verzoek tot terugkeer en verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag
58.
Volgens artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003:
- —
geldt voor het behoud van de internationale rechterlijke bevoegdheid van de gerechten van de eerdere gewone verblijfplaats van het kind de uitdrukkelijke voorwaarde dat degene die om ouderlijk gezag verzoekt, zodra hij kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind een verzoek tot terugkeer indient;
- —
is er geen ruimte voor het indienen van andere verzoeken dan het verzoek tot terugkeer van het kind bij de autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht.
59.
Zoals ik heb uiteengezet, vereist artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 voor het behoud van de bevoegdheid van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, dat er een procedure wordt ingeleid om de terugkeer van het kind naar dat land te bewerkstelligen.
60.
Vanuit dit oogpunt zouden een verzoek tot terugkeer van het kind en een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag dat, indien gehonoreerd, tot de terugkeer van het kind zou leiden, aan elkaar gelijkwaardig kunnen lijken.
61.
Bij kinderontvoering is de factor tijd echter van doorslaggevend belang.31. Daarom zijn, in het kader van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003, een verzoek dat uitsluitend strekt tot de snelle terugkeer van het kind en dat om die reden met spoed wordt behandeld, en een ander verzoek in het kader waarvan, na een diepgaand onderzoek ten gronde van het geschil in de daartoe voorziene procedure, wordt beslist over het gezagsrecht, niet onderling verwisselbaar.32.
62.
Ook een systematische uitlegging biedt geen steun voor de vervanging van het in artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 bedoelde verzoek tot terugkeer door een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag. Punt b), onder i) en onder ii) en iii)33., construeert samen een volgorde waarbinnen de indiening van het verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag pas na het verzoek tot terugkeer aan de orde komt. Deze punten beschrijven gezamenlijk een keten van stappen die moeten worden gevolgd nadat de verblijfplaats van het kind bekend is geworden in de ‘typische’ situatie waarin nog geen verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag is ingediend.
63.
Vanaf dat moment is voor het behoud van de bevoegdheid van de lidstaat waar het kind vóór de ontvoering zijn gewone verblijfplaats had vereist dat er een verzoek tot terugkeer wordt ingediend bij de autoriteiten van de (nieuwe) lidstaat waarnaar het kind is overgebracht [punt i)], dat wordt volhard in die poging om de terugkeer van het kind te bewerkstelligen [punt ii)], en dat na een eventuele afwijzing van het verzoek tot terugkeer34. met spoed een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag wordt ingediend in de lidstaat van herkomst van het overgebrachte kind [punt iii)].
64.
Mijn opvatting is derhalve dat voor het behoud van de bevoegdheid van de lidstaat waar het kind verbleef en waarvandaan het ongeoorloofd is overgebracht, de persoon die het ouderlijk gezag over het kind wenst te verkrijgen (en die weet, of zou moeten weten, waar het kind zich bevindt) moet verzoeken tot de onmiddellijke terugkeer van het kind. Vanaf het moment dat de verblijfplaats van het kind ter kennis van die persoon is gekomen35., heeft deze geen keuze tussen het instellen van een procedure ten gronde of het indienen van een verzoek tot onmiddellijke terugkeer van het kind.36. Indien het verzoek tot terugkeer niet of na het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijn wordt ingediend, gaat de bevoegdheid om over het ouderlijk gezag te beslissen over op de autoriteiten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.37.
C. Toepassing van deze criteria op het hoofdgeding
65.
De verwijzende rechter formuleert zijn tweede prejudiciële vraag op basis van twee veronderstellingen:
- —
Ten eerste lijkt hij het voor de toepassing van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 niet relevant te achten dat bij de Poolse gerechten een verzoek tot terugkeer is ingediend, dat is behandeld langs de weg van het Haags Verdrag van 1980.
- —
Ten tweede vat hij het bij de Duitse rechter ingediende verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over L op als een verzoek tot terugkeer in de zin van datzelfde artikel.
66.
Om een nuttig antwoord op de prejudiciële vraag te kunnen geven, moet worden beoordeeld of deze premissen juist zijn.
1. Verzoek tot terugkeer van L naar Zwitserland
67.
Uit de verwijzingsbeslissing kan worden opgemaakt dat het verzoek tot terugkeer38. van L naar Zwitserland, dat zijn vader op 7 juli 2017 heeft ingediend bij de Poolse gerechten, volgens de verwijzende rechter niet relevant is voor het behoud van de rechterlijke bevoegdheid van Duitsland op grond van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003.
68.
De Commissie geeft in haar opmerkingen blijk van een andere zienswijze: het verzoek tot terugkeer naar Zwitserland zou wel relevant zijn; de vader van L ‘heeft de situatie niet gelaten zoals zij is’, maar heeft gepoogd de terugkeer van het kind te verkrijgen.39.
69.
Om de in de punten 41 e.v. van deze conclusie uiteengezette redenen ben ik van mening dat het standpunt van de verwijzende rechter, met betrekking tot het resultaat ervan, in wezen juist is. In de omstandigheden van artikel 10, onder b), van verordening nr. 2201/2003 zou het behoud van de bevoegdheid van de gerechten in Duitsland, als de lidstaat waar het kind vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, de indiening van een verzoek tot terugkeer naar dat land hebben vereist.
2. Verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag bij de Duitse gerechten
70.
Om te bepalen of de gerechten van de lidstaat (Duitsland) waar L vóór zijn onrechtmatige overbrenging zijn gewone verblijfplaats had (nog) bevoegd zijn, vraagt de verwijzende rechter zich af of het verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag dat de vader bij die gerechten heeft ingediend, is ingediend binnen de in artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 vastgestelde termijn van één jaar.
71.
Daar leid ik uit af dat de verwijzende rechter het verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over L aanvaardt als ware het een ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van voornoemd artikel 10 van verordening nr. 2201/2003. Op deze wijze kan de hobbel van het ontbreken van een verzoek tot terugkeer in eigenlijke zin, dat door dat artikel wordt vereist voor het behoud van de bevoegdheid in de lidstaat van herkomst, worden genomen nadat bekend is geworden waar het kind zich bevindt in de staat waarnaar het is overgebracht.
72.
Om de redenen die ik in de punten 58 e.v. van deze conclusie heb uiteengezet, acht ik deze premisse niet juist. Ook acht ik die premisse niet gerechtvaardigd door het bevestigende antwoord op de eerste prejudiciële vraag, zoals de verwijzende rechter lijkt aan te nemen.
73.
Dat de toepassing van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 (om internationale rechterlijke bevoegdheid toe te kennen aan bepaalde gerechten in geval van een ongeoorloofde overbrenging van een kind) niet afhankelijk is van de toepassing van artikel 11 daarvan40., wil niet zeggen dat die uitzonderlijke bevoegdheid op ieder moment kan worden ingeroepen, los van iedere poging om de terugkeer van het kind te bewerkstelligen.
D. Andere vereisten van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003
74.
De verwijzende rechter werpt twee vragen op die zouden moeten worden beantwoord indien, anders dan ik voorsta, zou worden aanvaard dat het in Duitsland ingediende verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag kan worden gelijkgesteld met een verzoek tot terugkeer in de zin van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003.
75.
De eerste vraag ziet op de termijn die de houder van het gezagsrecht wordt opgelegd om tot onmiddellijke terugkeer van het kind te verzoeken nadat hem ter kennis is gekomen (of had moeten komen) waar het kind zich bevindt.
76.
De twijfel lijkt voort te komen uit het verschil tussen het feitenrelaas dat de vader van L heeft gegeven toen hij via de Zwitserse autoriteiten om de terugkeer van L verzocht, en het feitenrelaas dat hij in Duitsland heeft verstrekt om te betogen dat de Duitse gerechten bevoegd blijven op het gebied van het ouderlijk gezag:
- —
In de terugkeerprocedure heeft de vader de datum van de onrechtmatige overbrenging van L gesitueerd op 24 mei 2017, de dag waarop L voor het eerst naar een kleuterschool in Polen ging.
- —
In de gezagsprocedure beroept de vader zich op een afspraak met de moeder van L dat het kind vanaf november 2017 naar een kleuterschool in Zwitserland zou gaan.
77.
Afhankelijk van de datum die wordt gekozen, zou de termijn van een jaar van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 al dan niet zijn verstreken toen de vader van L zijn verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag in Duitsland indiende (13 juli 2018). De verwijzende rechter vraagt of de door de vader in de gezagsprocedure aangedragen feiten, die verschillen van die welke zijn aangevoerd in het kader van de terugkeerprocedure uit hoofde van het Haags Verdrag van 1980, in aanmerking kunnen worden genomen.
78.
De tweede vraag betreft het bewijs van de feiten (in concreto van het bestaan van een eventuele afspraak tussen de ouders over het verblijf van het kind in Polen vanaf een bepaalde datum) die bepalend zijn voor de internationale rechterlijke bevoegdheid. Volgens de vader rust de bewijslast op dit punt krachtens artikel 13 van het Haags Verdrag van 198041., dat ook van toepassing zou zijn in het kader van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003, op de moeder van L.
79.
Naar mijn mening kunnen deze twijfels van de verwijzende rechter worden weggenomen door vast te stellen dat terugkeer- en gezagsprocedures met betrekking tot een ongeoorloofd overgebracht kind, gelet op de aard en het voorwerp daarvan, weliswaar met elkaar verband houden, maar autonoom zijn.
80.
In verordening nr. 2201/2003 wordt die onderlinge verhouding tussen beide procedures geregeld in met name twee bepalingen: artikel 11, dat betrekking heeft op de ‘terugkeer van het kind’, en artikel 42, dat onderdeel is van het hoofdstuk over de ‘[u]itvoerbaarheid van bepaalde beslissingen omtrent het omgangsrecht en bepaalde beslissingen die de terugkeer van het kind met zich brengen’. Geen van die twee bepalingen verbindt de procedures met elkaar op de door de verwijzende rechter gesuggereerde wijze.
81.
Artikel 11 van verordening nr. 2201/2003 ziet op de situatie waarin bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat (door een persoon met gezagsrecht) een verzoek wordt ingediend om een beslissing op grond van het Haags Verdrag van 1980 ‘teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had’.
82.
Artikel 11, lid 6, van verordening nr. 2201/2003 voorziet enkel in een mechanisme voor de communicatie tussen instanties, op grond waarvan het gerecht dat op grond van artikel 13 van het Haags Verdrag van 1980 een beslissing houdende niet-terugkeer heeft gegeven, een afschrift van die beslissing moet toezenden aan het bevoegde gerecht (of de centrale autoriteit) van de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of het ongeoorloofd niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.
83.
Volgens artikel 42, lid 2, onder c), van verordening nr. 2201/2003 moet, wanneer de terugkeer van een kind is gelast bij een overeenkomstig artikel 11, lid 8, gegeven rechterlijke beslissing, worden voldaan aan bepaalde stappen en voorwaarden opdat die beslissing in aanmerking komt voor de uitvoeringsregeling van afdeling 4 van hoofdstuk III van verordening nr. 2201/2003.
84.
Niets in verordening nr. 2201/2003 wijst erop dat de houder van het gezagsrecht, of het door hem aangezochte gerecht, bij het instellen van een procedure betreffende het ouderlijk gezag onontkoombaar is gebonden aan het feitenrelaas dat eerstgenoemde heeft gegeven in het kader van een eerder verzoek tot terugkeer van het kind.42.
85.
Verordening nr. 2201/2003 vereist evenmin dat de bewijsregels met betrekking tot de factoren die bepalend zijn voor de rechterlijke bevoegdheid krachtens artikel 10 van de verordening, dezelfde zijn als die welke in het Haags Verdrag van 1980 worden toegepast om te beslissen over de terugkeer van een kind.43.
86.
Het Hof heeft geoordeeld dat een beslissing die is gegeven in een procedure op grond van het Haags Verdrag van 1980, ten gronde niet van invloed is op het gezagsrecht en dus ook niet op de door het ter zake bevoegde gerecht te geven beslissing.44.
87.
Ook heeft het Hof eraan herinnerd dat, gezien het feit dat de terugkeerprocedure voortvarend moet verlopen, een verzoek tot terugkeer ‘moet […] worden gebaseerd op gegevens die snel en eenvoudig te verifiëren zijn’, en heeft het verklaard dat de datum waarop de overbrenging onrechtmatig is geworden een van de elementen is die moeilijk, zo niet onmogelijk te bewijzen kunnen zijn.45.
88.
In het licht van het voorgaande ben ik van oordeel dat:
- —
verordening nr. 2201/2003 de nationale gerechten (die moeten beslissen of zij al dan niet bevoegd zijn om kennis te nemen van een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag over een kind) geen regels verschaft om te bepalen in hoeverre zij gebonden zijn door hetgeen is aangevoerd in de loop van een andere, eerdere procedure waarin om de terugkeer van het kind is verzocht46.;
- —
bij gebreke van Unierechtelijke regels inzake de bewijslast met betrekking tot de omstandigheden die volgens artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 de grondslag vormen voor de internationale bevoegdheid van de gerechten van een bepaalde lidstaat, het de rechtsorde van elke lidstaat is waarin deze regels moeten worden vastgesteld, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en rekening houdend met het nuttig effect van verordening nr. 2201/2003.
V. Conclusie
89.
Ik stel het Hof daarom voor om de tweede prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main als volgt te beantwoorden:
‘Artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000
moet aldus worden uitgelegd dat:
- —
een op grond van het Haags Verdrag van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen ingediend verzoek dat strekt tot terugkeer van het kind naar een andere staat dan die waar het vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, niet kan worden aangemerkt als een ‘verzoek tot terugkeer’ in de zin van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003;
- —
nadat de verblijfplaats van het kind bekend is geworden (of bekend had moeten zijn), de internationale rechterlijke bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, verloren gaat indien aan alle andere voorwaarden van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 is voldaan en de houder van het gezagsrecht bij die gerechten een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag indient, maar niet een verzoek tot terugkeer indient bij de autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht;
- —
de feiten die worden aangevoerd in een op grond van het Haags Verdrag van 1980 ingeleide procedure betreffende de terugkeer van kinderen, niet noodzakelijkerwijs bindend zijn voor wie moet beslissen of de rechter van een lidstaat bevoegd is in een latere procedure betreffende het ouderlijk gezag;
- —
de in artikel 13 van het Haags Verdrag van 1980 neergelegde regel inzake de bewijslast niet van toepassing is op feiten die worden aangevoerd als grondslag voor de internationale rechterlijke bevoegdheid voor een verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑02‑2024
Oorspronkelijke taal: Spaans.
De benaming is fictief en komt niet overeen met de naam van enige partij in de procedure.
Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1). Die verordening is op haar beurt ingetrokken bij verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB 2019, L 178, blz. 1), die ratione temporis niet van toepassing is op de onderhavige zaak.
Arrest van 1 juli 2010, Povse (C-211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 43; hierna: ‘arrest Povse’).
Arresten van 13 juli 2023, TT (Ongeoorloofde overbrenging van het kind) (C-87/22, EU:C:2023:571; hierna: ‘arrest TT’); 24 maart 2021, MCP (C-603/20 PPU, EU:C:2021:231; hierna: ‘arrest MCP’), en 17 oktober 2018, UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:835), en beschikking van 10 april 2018, CV (C-85/18 PPU, EU:C:2018:220).
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: ‘Haags Verdrag van 1980’). Zie het recente arrest van 16 februari 2023, Rzecznik Praw Dziecka en Prokurator Generalny (Opschorting van de terugkeerbeslissing) (C-638/22 PPU, EU:C:2023:103). Van belang voor deze zaak zijn voorts de arresten van 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829); 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436; hierna: ‘arrest OL’), en 19 september 2018, C.E. en N.E. (C-325/18 PPU en C-375/18 PPU, EU:C:2018:739).
Tijdens een op 9 mei 2019 gehouden terechtzitting, waar de moeder niet is verschenen, ofschoon zij daartoe op de juiste wijze was gedagvaard, heeft de vader verklaard dat de ouders in een telefoongesprek op 29 januari 2016 hadden afgesproken dat L maximaal twee tot drie jaar in Polen zou blijven en daarna in elk geval in Zwitserland naar een kleuterschool zou gaan.
Ik zal uitgaan van de premisse dat de vader van L gezagsrecht over haar had en dat de overbrenging, waarmee hij aanvankelijk heeft ingestemd, later onrechtmatig is geworden. Indien er geen sprake is van een onrechtmatige overbrenging, is artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 eenvoudigweg niet van toepassing. Niet duidelijk is of dit in casu het geval is, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
Overweging 12 van verordening nr. 2201/2003. Zie onder andere arrest TT, punt 33, en het arrest van 27 april 2023, CM (Recht van omgang met een kind dat van verblijfplaats is veranderd) (C-372/22, EU:C:2023:364, punten 21 en 22). Voor de relevantie van de fysieke aanwezigheid van het kind voor de vaststelling van zijn gewone verblijfplaats en het intrinsieke verband daarvan met het criterium van de nauwe geografische verbondenheid, zie arrest van 17 oktober 2018, UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:835).
Op zijn minst zou hem dat een procedureel voordeel opleveren, en mogelijk ook een materieel voordeel: zijn onrechtmatige daad zou kunnen resulteren in de verbondenheid die de rechtvaardiging vormt voor de internationale bevoegdheid van een rechtsgebied dat mogelijk gunstiger is voor zijn belangen (ten gronde).
Zie met name arrest TT, punt 36.
Procedures in verband met een verzoek tot terugkeer of met de ouderlijke verantwoordelijkheid: punten i) tot en met iii). Punt iv) voorziet in de overgang van rechterlijke bevoegdheid als gevolg van een beslissing over het ouderlijk gezag, zolang ook sprake is van de onder b) vermelde algemeen toepasselijke omstandigheden.
Het kind moet gedurende ten minste één jaar in de lidstaat van bestemming hebben verbleven nadat de houder van het ouderlijk gezag kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind. In artikel 10, onder b), van verordening nr. 2201/2003 is de worteling van het kind in de nieuwe lidstaat vastgesteld als afzonderlijke voorwaarde naast de consolidatie van de gewone verblijfplaats aldaar.
Overweging 17 van verordening nr. 2201/2003 en advies 1/13 (Toetreding van derde landen tot het Haags Verdrag) van 14 oktober 2014 (EU:C:2014:2303), punt 85. De verhouding tussen de twee instrumenten is duidelijk wat artikel 11 van verordening nr. 2201/2003 betreft: in het arrest van 16 februari 2023, Rzecznik Praw Dziecka en Prokurator Generalny (Opschorting van de terugkeerbeslissing) (C-638/22 PPU, EU:C:2023:103, punt 62), heeft het Hof die bepaling en de artikelen 8 tot en met 11 van het Haags Verdrag van 1980 gekwalificeerd als een ‘ondeelbaar geheel van regels’, zoals ook al was gedaan in punt 78 van advies 1/13. Met artikel 10 bestaat dat zeer nauwe verband niet: vanuit dit oogpunt bezien zou, zolang de samenhang tussen de instrumenten wordt gerespecteerd, het standpunt kunnen worden verdedigd dat artikel 10 van toepassing is op verzoeken tot terugkeer die niet door het Haags Verdrag van 1980 worden bestreken, terwijl het bepaalde onder dat verdrag vallende verzoeken tot terugkeer juist uitsluit.
Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, gesloten te 's‑Gravenhage op 19 oktober 1996 (‘Haags Verdrag van 1996’). Artikel 7 van dat verdrag, dat het functionele equivalent van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 vormt, heeft voorrang op artikel 16 van het Haags Verdrag van 1980: zie het toelichtende verslag van Paul Lagarde, gepubliceerd in Proceedings of the Eighteenth Session of the Hague Conference on Private International Law (1996), deel II, blz. 532 e.v. (hierna: ‘verslag Lagarde’), punt 46. In de Spaanse taalversie van verordening nr. 2201/2003 wordt de term ‘restitución’ gebruikt, terwijl in de twee Haagse verdragen ‘retorno’ wordt gebruikt. In het Engels en het Frans (de talen van de twee authentieke versies van de verdragen) worden in alle drie de instrumenten de termen ‘retour’ respectievelijk ‘return’ gebruikt. In beginsel is de betekenis van deze drie termen dezelfde: zie niettemin de voorgaande voetnoot.
Daaronder versta ik een verzoek dat uitsluitend is gericht op het zo snel mogelijk doen terugkeren van het kind naar de lidstaat van herkomst, zonder inhoudelijke aspecten van de ouderlijke verantwoordelijkheid aan te boren.
In de authentieke versies van de preambule van het Haags Verdrag van 1980 wordt gesproken van de terugkeer van het kind of de kinderen ‘dans l'État de sa residence habituelle’ en ‘to the State of their habitual residence’. In artikel 1 is deze precisering echter achterwege gelaten.
Zich baserend op de letterlijke bewoordingen van artikel 10 van verordening nr. 2201/2003, heeft het Hof in de punten 39 en 40 van het arrest MCP geoordeeld dat ‘de in deze bepaling vastgestelde criteria voor de attributie van bevoegdheid in geval van kinderontvoering betrekking hebben op een situatie die beperkt is tot het grondgebied van de lidstaten’. Daar voegde het Hof aan toe dat ‘dit artikel uitsluitend de bevoegdheid in geval van kinderontvoering tussen lidstaten regelt’. In die zaak was gevraagd om uitlegging van de bepaling met betrekking tot een kind dat na een onrechtmatige overbrenging naar een derde land aldaar zijn gewone verblijfplaats had verkregen. Het verschil tussen die feiten en de feiten in de onderhavige zaak, waarin om terugkeer naar Zwitserland wordt verzocht, maar de onrechtmatige overbrenging heeft plaatsgevonden van Duitsland naar Polen, staat eraan in de weg dat die overwegingen (en derhalve de letterlijke uitlegging) op zichzelf de in casu gerezen twijfels kunnen wegnemen.
Ik begrijp dat de voorstanders van deze zienswijze zich daarvoor baseren, zoals de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting heeft gedaan, op de beschikking van 10 april 2018, CV (C-85/18 PPU, EU:C:2018:220, punt 51). In dat arrest heeft het Hof het bepaalde in het arrest Povse ter zake van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 uitgebreid naar artikel 10, onder a), en naar de andere punten onder b) van dat artikel.
En, zo kan daaraan worden toegevoegd, ondanks het tijdelijke karakter van de situatie van het ongeoorloofd overgebrachte kind, waar ik nader op inga in voetnoot 28.
De betere positie van de gerechten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind lijkt zelfs in die gevallen niet ter discussie te staan: zie arrest MCP, punt 60. Deze gerechten zijn over het algemeen ook beter in staat de zaak te behandelen in de zin van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003: arrest TT, punt 44.
Arrest MCP, punt 59. Om (onder andere) die reden heeft het Hof van de hand gewezen dat de uit artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 voortvloeiende bevoegdheid zonder beperking in de tijd behouden blijft, wanneer de bestemming van de ongeoorloofde overbrenging een derde staat is waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft verkregen.
Ik voeg hieraan toe dat voor de toepassing van artikel 10, onder b), i), van verordening nr. 2201/2003 de indiening van het verzoek, en niet het resultaat van dat verzoek, het relevante feit is. De internationale rechterlijke bevoegdheid gaat niet automatisch verloren wanneer de beslissing die op het verzoek wordt gegeven een beslissing houdende niet-terugkeer is: in dat geval verandert de situatie in die welke wordt beschreven onder b), iii).
Artikel 10, onder b), i) en ii).
Artikel 10, onder b), iii), van verordening nr. 2201/2003. Dit punt is beperkt tot het geval waarin op grond van het Haags Verdrag van 1980 wordt verzocht om terugkeer en dat verzoek wordt afgewezen. Tussen de lidstaten van de Europese Unie is dit de gemeenschappelijke regeling inzake verzoeken om terugkeer van kinderen, die andere regelingen niet uitsluit, mits deze gunstiger zijn voor de terugkeer. Het zou redelijk zijn dat de regel van artikel 10, onder b), iii), zich ook tot die laatste regelingen uitstrekt.
Tijdelijk wat betreft de bevoegdheid, zoals gewild door de wetgever, en ook tijdelijk wat betreft de feiten, niettegenstaande de omstandigheid dat het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in de lidstaat waarnaar het ongeoorloofd is overgebracht. Volgens artikel 10, onder b), van verordening nr. 2201/2003, a contrario sensu gelezen, gaat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet verloren indien het kind één jaar nadat de verblijfplaats van het kind bij de houder van het ouderlijk gezag bekend is geworden, of bekend had moeten zijn, nog niet is geworteld in zijn nieuwe omgeving, ook al heeft het daar zijn gewone verblijfplaats verkregen. Ik wil erop wijzen dat ingevolge artikel 12, eerste alinea, van het Haags Verdrag van 1980 de autoriteiten van de staat van bestemming de terugkeer van het kind moeten gelasten wanneer op het tijdstip dat de terugkeerprocedure wordt ingeleid nog geen jaar verstreken is sinds de ontvoering van het kind. In het toelichtende verslag van Elisa Pérez Vera bij het verdrag, gepubliceerd in Proceedings of the Fourteenth Session of the Hague Conference on Private International Law (1980), deel III, blz. 426 e.v. (hierna: ‘verslag Pérez Vera’), punt 107, wordt de invoering van deze termijn beschouwd als een poging om het criterium van de ‘worteling van het kind’ te vertalen in een objectieve maatstaf. Artikel 12, tweede alinea, van het verdrag bepaalt echter dat de terugkeer ook moet worden gelast wanneer daar pas later om wordt verzocht en niet is aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.
De opgestelde regeling heeft een samenstel van typische feiten op het oog, waarbij de centrale elementen die reden zijn geweest om de staat van de eerdere verblijfplaats van het kind te kwalificeren als zijn ‘omgeving’, aldaar aanwezig blijven. In punt 110 van het verslag Pérez Vera wordt een atypische situatie beschreven, waarin de omgeving van het kind ‘in de grond een familiale omgeving’ is en de persoon die tot terugkeer verzoekt niet meer woont in de staat waar het kind vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats had. Gezien de praktische moeilijkheden die zouden ontstaan bij de terugkeer van het kind naar die staat, oppert zij dat het Haags Verdrag van 1980 aldus zou kunnen worden uitgelegd dat het de overdracht van het kind naar een andere staat toestaat. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de vader van L naar dit punt van het verslag verwezen ter ondersteuning van een andere uitlegging van verordening nr. 2201/2003 dan die welke ik bepleit. Zelfs als wordt aangenomen dat de feiten van het hoofdgeding overeenkomen met de in het verslag geschetste situatie, lijkt het er echter niet op dat de Uniewetgever die atypische situatie en de implicaties daarvan voor de internationale rechterlijke bevoegdheid in overweging heeft genomen.
Ik breng in herinnering dat verordening nr. 2201/2003 tot doel heeft om kinderontvoeringen tussen lidstaten te voorkomen. Indien dit niettemin toch gebeurt, is het doel om ‘de onverwijlde terugkeer van het kind […] te bewerkstelligen’: arrest Povse, punt 43. De terugkeer is zelfs zo belangrijk dat volgens de logica van het Haags Verdrag van 1980, de vordering tot toewijzing van het ouderlijk gezag moet wachten op de beslissing op het verzoek tot terugkeer. Het Haags Verdrag van 1996 volgt dezelfde lijn, maar is iets flexibeler. Zie voetnoot 31.
Dat is zelfs zozeer het geval dat in het Haags Verdrag van 1980 is bepaald dat het verzoek tot toewijzing van het ouderlijk gezag ondergeschikt dient te worden gemaakt aan het verzoek tot terugkeer: zie artikel 34 en het verslag Pérez Vera, punt 40. Dit is ook zo geregeld in het Haags Verdrag van 1996, dat slechts bij wijze van uitzondering een meer flexibele oplossing toestaat: verslag Lagarde, punt 168.
Verordening nr. 2201/2003 vergemakkelijkt uiteraard de erkenning van gezagsbeslissingen tussen de lidstaten, waardoor het belang van de factor tijd, die in andere contexten een doorslaggevend gewicht had, wordt afgezwakt: zie voetnoot 31. De opzet en duur van de procedure betreffende het gezagsrecht zijn echter een zaak van de lidstaten, en anders dan in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2201/2003, wordt er geen regel gegeven voor een termijn waarbinnen een beslissing moet worden gegeven. Opgemerkt zij overigens dat in het voorstel van de Commissie wel een termijn werd gegeven: zie COM(2002) 222 definitief, artikel 21, onder b), ii).
Punt iv) bezit in dit kader een zekere autonomie. Dat punt heeft betrekking op gezagsbeslissingen die geen terugkeer van het kind met zich brengen en die worden gegeven in de lidstaat waar het kind vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats had. Het lijkt erop dat punt iv) ziet op onverschillig welke gezagsbeslissing: niets wijst erop dat het moet gaan om een beslissing die volgt op een handeling als bedoeld in punt iii).
Op een eventuele toewijzing van dat verzoek wordt in verordening nr. 2201/2003 verder niet ingegaan.
Vóór dat moment kan er ook al worden aangedrongen op terugkeer maar is de materiële verwezenlijking daarvan niet mogelijk, zodat het niet redelijk lijkt om deze stap te vereisen als voorwaarde voor het in stand houden van de rechterlijke bevoegdheid in de lidstaat van de eerdere gewone verblijfplaats van het kind. Daarnaast dienen zich ook voor de hand liggende praktische problemen aan, zoals de vraag welke autoriteiten bevoegd zijn om de terugkeer te gelasten, al is wel voorzien in de omleiding van het verzoek: zie artikel 9 van het Haags Verdrag van 1980.
Het Hof heeft zich niet kritisch getoond over situaties waarin parallelle procedures worden gevoerd: zie onder andere arrest TT, punten 19 en 20.
Ik gebruik deze term ofschoon ik het in het licht van het feitenrelaas discutabel acht dat dit verzoek een verzoek tot terugkeer in eigenlijke zin inhoudt, en niet een verzoek tot herplaatsing van het kind dat wordt nagestreefd langs de weg van het Haags Verdrag van 1980.
Schriftelijke opmerkingen van de Commissie, punt 43.
Dat wil zeggen: van het feit dat tussen twee lidstaten de procedure van het Haags Verdrag van 1980 is ingeleid.
Het zou gaan om de eerste alinea, onder a), waarin wordt bepaald dat ‘de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat niet gehouden [is] de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat: a) de persoon […] naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust […]’.
Ter terechtzitting hebben de vertegenwoordigers van de Duitse regering en die van de vader van L verklaard dat, volgens het nationaal recht, de rechter in familiezaken ambtshalve het nodige onderzoek moet verrichten teneinde de voor de beslissing relevante feiten vast te stellen. Daarom zou een eventuele ‘uitsluiting van een nieuwe uiteenzetting van de feiten door de vader’ in de ene procedure (de gezagsprocedure) niet kunnen worden tegengeworpen in een andere procedure (de terugkeerprocedure), zoals de verwijzende rechter lijkt te suggereren.
Zoals dat ook voor andere regels niet is vereist. Verordening nr. 2201/2003 vereist alleen toetsing van de bevoegdheid en, in voorkomend geval, een ambtshalve verklaring van onbevoegdheid: zie artikel 17.
Arrest van 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 62 e.v.), en arrest OL, punt 65.
Arrest OL, punt 58.
In een door het belang van het kind beheerste aangelegenheid zouden de beweringen van een ouder met betrekking tot een datum waarop de overbrenging onrechtmatig zou zijn of zou zijn geworden (als omstandigheid die in voorkomend geval gelijkstaat met het verkrijgen van kennis van de verblijfplaats van het kind) niet bindend moeten zijn voor het gerecht dat artikel 10 van verordening nr. 2201/2003 moet toepassen. In dit verband moet de dies a quo de datum zijn vanaf wanneer er, in het licht van de aanwijzingen, objectief gezien geen redelijke twijfel bestaat dat het kind niet zal terugkeren naar de lidstaat van herkomst.