Hierbij is op de pleitaantekeningen met de hand geschreven: “Deze morgen dossier gekregen:- adres broer- vader en moeder ook genoemd is strafzaak- in media organisatie met PKK in verband gebracht”
HR, 31-03-2026, nr. 25/01767
ECLI:NL:HR:2026:499
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-03-2026
- Zaaknummer
25/01767
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:499, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑03‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:190
ECLI:NL:PHR:2026:190, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑03‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:499
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑01‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0121
Uitspraak 31‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon (Nederlandse en Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. verdenking van handel in harddrugs en deelneming aan criminele organisatie. Genoegzaamheid van stukken, art. 18.3.a Uitleveringswet en art. 12.2.a Europees Verdrag betreffende uitlevering. Mag bevel tot aanhouding zijn gedateerd na datum van uitleveringsverzoek? Opvatting dat bevel tot aanhouding dat is gegeven nadat uitleveringsverzoek is gedaan, niet kan worden aangemerkt als bevel tot aanhouding a.b.i. art. 18.3.a Uitleveringswet en art. 12.2.a EUV, vindt geen steun in recht. Uit deze bepalingen volgt namelijk niet dat bevel tot aanhouding al moet zijn gegeven op moment dat uitleveringsverzoek wordt gedaan. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01767 U
Datum 31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 april 2025, nummer UTL-I-2025000220, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering
van
[de opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat T.M.D. Buruma bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de stukken ongenoegzaam zijn. Het voert daartoe onder meer aan dat het bevel tot aanhouding is gedateerd na de datum van het uitleveringsverzoek.
2.2
De rechtbank heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“1.1 Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 24 januari 2025 hebben de Turkse autoriteiten aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de voornoemde opgeëiste persoon voor strafvervolging (hierna: het uitleveringsverzoek). Het verzoek is nogmaals toegezonden op 25 maart 2025.
(...)
1.2
De door de verzoekende staat overgelegde stukken
In voormeld verzoek zijn de volgende stukken opgenomen:
• het vereiste door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
(...)
3 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
(...)
3.5
Genoegzaamheid van de stukken
De verdediging heeft gesteld dat in strijd met artikel 12 van het EUV het overgelegde bevel tot aanhouding (‘arrest warrant’) gelet op de datum daarvan (20 januari 2025) niet geacht kan worden het uitleveringsverzoek van 14 januari 2025 te staven. In de ‘red notice’ wordt gesproken van een arrestatiebevel van 4 augustus 2015 en dit ontbreekt. Voorts ontbreken de originele ‘indictment’ van 26 januari 2014 en de hiervoor genoemde ‘communication detection order’. Volgens de verdediging kan gelet op de verschillende dossiernummers die in het uitleveringsdossier en het aanhoudingsbevel zijn genoemd en voorts, gelet op de tegenstrijdigheden tussen het uitleveringsverzoek en het ‘red notice-bevel’, niet worden beoordeeld voor welke zaak de uitlevering wordt verzocht. (...)
Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het EUV bepaalt onder meer dat tot staving van (‘be supported by’) het uitleveringsverzoek een bevel tot aanhouding dient te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet vereist dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn voor de datum van het uitleveringsverzoek. Evenmin is vereist dat eerder uitgevaardigde arrestatiebevelen worden overgelegd. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van de UW en artikel 12 van het EUV genoemde stukken gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit afdoende worden opgemaakt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd. Het overleggen van het dossier met de genoemde ‘indictment’ van 26 januari 2014 is niet vereist. Het is voorts niet aan de rechter in deze uitleveringsprocedure om te toetsen of de opeisende staat voldoende bewijs heeft voor de verdenking. Mitsdien is evenmin vereist dat de eerder genoemde ‘minutes’ worden overgelegd. De stukken worden door de rechtbank genoegzaam geoordeeld. De door de verdediging genoemde tegenstrijdigheden en andere opmerkingen doen daar niet aan af.”
2.3
De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 18 lid 3, aanhef en onder a, van de Uitleveringswet:
“Het verzoek moet vergezeld gaan van:
(a) het origineel of een authentiek afschrift
hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis,
hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft,
een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.”
- Artikel 12 lid 2, aanhef en onder a, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV):
“Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:
(a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij.”
2.4.1
De klacht berust op de opvatting dat een bevel tot aanhouding dat is gegeven nadat het uitleveringsverzoek is gedaan, niet kan worden aangemerkt als een bevel tot aanhouding in de zin van artikel 18 lid 3, aanhef en onder a, Uitleveringswet en artikel 12 lid 2, aanhef en onder a, EUV. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Uit deze bepalingen volgt namelijk niet dat het bevel tot aanhouding al moet zijn gegeven op het moment dat het uitleveringsverzoek wordt gedaan.
2.4.2
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
Conclusie 03‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan Turkije. Eerste middel klaagt over verwerping verweer dat sprake is van dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM, omdat de opgeëiste persoon familie is van (voormalig) PKK-leden. Tweede middel klaagt over verwerping verweer dat stukken niet genoegzaam zijn, omdat aanhoudingsbevel later gedateerd is dan het uitleveringsverzoek. Beide middelen falen volgens de AG. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01767 U
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de opgeëiste persoon
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda heeft bij uitspraak van 30 april 2025 (kenmerk UTL-I-2025000220) de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard “ter fine van strafvervolging ter zake van de in het uitleveringsverzoek vermelde feiten” (zie daarvoor nader hieronder in randnummer 2.1).
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon. T.M.D. Buruma, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het uitleveringsverzoek
2.1
Bij schrijven van 14 januari 2025 is door de Turkse autoriteiten de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht in verband met een verdenking van de handel in harddrugs en/of deelname aan een criminele organisatie op 10 oktober 2013. Het (Engelstalige) uitleveringsverzoek houdt daarover het volgende in:
“Number: […]
(…)
Charged Offense: selling, offering for sale, providing others, administering the movement, transporting, storing, purchasing, receiving or possessing heroin which is one of the narcotics or psychotropic substances
Commission Date: 10.10.2013
Commission Place: [district] / [plaats]
Applicable Code Articles: Articles 188/3-4, 53, 54 and 63 of Turkish Criminal Code
(…)
THE FACTS ON THE COMMISSION OF THE OFFENSE:
It is understood that the accused [opgeëiste persoon] , who was in Belgium, was contacted by the other accused persons for the transport of the drugs from [plaats] to the Netherlands. The accused [opgeëiste persoon] assigned his man [betrokkene 1] , who was in [plaats] , for this transport, and with the guidance of the accused [opgeëiste persoon] , the other accused persons met to deliver the heroin and placed the drugs in the warehouse in [district] district. [betrokkene 1] , who is [opgeëiste persoon] ’s man, tried to complete the preparations for the shipment after the other accused persons and the buyers abroad warned and pressured the accused [opgeëiste persoon] to carry out the shipment as soon as possible, in the meantime, the other accused persons realized that they were under police surveillance and changed the warehouse, a problem arose regarding the storage of the narcotic substances and [betrokkene 1] , [opgeëiste persoon] ’s man, conveyed the situation to [opgeëiste persoon] . The accused persons dealt to make the delivery on 10.10.2013 at evening hours and they put the substances in the vehicle having plate no: 34 VE 5199. Then they came to the vehicle having plate no: [kenteken] at the gas station on [a-straat] and after placing the bag full of heroin on the back seat of this vehicle, they drove away. While the accused persons were placing the drugs in the vehicle having plate no: [kenteken] for transportation, an operation decision was ordered and the persons were captured. The accused [opgeëiste persoon] , ‘known as [alias opgeëiste persoon] ’ was in the position of transportation organizer in this organization operating for the purpose of international drug trafficking.
Upon [betrokkene 2] , who was the owner of the heroin seized in the operation, asked for [plaats] -Dutch transport, he conveyed this situation to [betrokkene 1] in [plaats] and assigned a person named [betrokkene 1] to transport the heroin to the Netherlands. [betrokkene 1] contacted [betrokkene 2] ’s man [betrokkene 3] and had him take delivery of the heroin in our province, upon the delay in the transport. [betrokkene 3] held talks with the accused [opgeëiste persoon] abroad and conveyed [betrokkene 2] 's instructions and warnings to this person to make the transport as soon as possible. The accused [opgeëiste persoon] conveyed these difficulties and the hard situation he was in to the accused [betrokkene 1] and instructed him to expedite the transport process, and the accused [betrokkene 1] stated that he was under police surveillance and went to Iraq and asked for time from the accused [opgeëiste persoon] . After the person named [betrokkene 1] returned to our country, the accused [opgeëiste persoon] continuously received information from the person named [betrokkene 1] about the problems with the warehousemen in our province and the day and manner of the transport, and instructed the person named [betrokkene 1] to make a call for the gathering of the structure they called the “Cemaat” (Congregation) and to take the heroin from the warehousemen as soon as possible and to transport it. The amount of the seized drugs was determined to be net 16.851.00 grams of heroin substance.
In line with the data created within the scope of the price value calculation studies of narcotic substances, based on the fact that the wholesale price of the heroin substance in the market is between minimum 27.000 TL - maximum 29.000 TL per kilo, it has been determined from the entire file scope that the heroin substance gross weight of which is 17 kilos 600 grams has a value worth an average of 492.800 TL.
EVIDENCE AGAINST THE ACCUSED:
The minutes regarding the surveillance of communication which has been recorded following the communication detection order issued by [plaats] High Criminal Court which is authorized by the article 10 of the Anti-Terror Law, within the scope of the investigation initiated by the [plaats] Chief Public Prosecutor's Office, which is also authorized by the article 10 of the Anti-Terror Law, against the accused persons for the offense of organized drug trafficking, through Investigation No. […] ”
2.2
Bij het uitleveringsverzoek is onder meer een aanhoudingsbevel van 20 januari 2025 gevoegd. Dit bevel houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“ARREST WARRANT
(…)
File No: […] docket
Investigation Number of Chief Public Prosecutor’s Office: […]
(…)
Action charged against the Accused: Selling, offering for sale, providing others, administering the movement, transporting, storing, purchasing, receiving or possessing heroin which is one of the narcotics or psychotropic substances
Date of Commission: 2013
Place of Commission: …….
Articles regarding the action set forth in the law: Articles 188/3-4, 53, 54 and 63 of Turkish Criminal Code”
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank op onjuiste, althans onbegrijpelijke gronden heeft verworpen het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM, waartegen de opgeëiste persoon na uitlevering geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat.
Het verweer van de verdediging
3.2
Tijdens de zitting van 2 april 2025 heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon het woord gevoerd overeenkomstig haar aan de rechtbank overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitaantekeningen, dat onder meer inhoudt (met weglating van de voetnoten):
“1. Vandaag ziet op de toelaatbaarheid van de uitlevering van [opgeëiste persoon] . Ik heb u bij voorbaat een uitgebreide brief toegestuurd met onderbouwing van de redenen waarom [opgeëiste persoon] niet uitgeleverd moet worden: ik verzoek u die brief van 18 maart 2025 hier als herhaald en ingelast te beschouwen.
(…)
Dreigende (flagrante) schending van artikel 6 j° 13 EVRM
5. In zijn conclusie van 24 januari 2025 (ECLI:PHR:2025:93) heeft de advocaat-generaal Snijders terecht opgemerkt dat onder Nederlands recht het vereiste van een flagrante schending vermoedelijk niet nodig is (par. 3.23). Het vereiste dat tegen die schending geen rechtsmiddel openstaat is bovendien niet uit de EHRM-jurisprudentie af te leiden.
6. In deze zaak is sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, waartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat, althans van een dreigende schending van artikel 6 EVRM. Er zijn objectief gerechtvaardigde twijfels over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht, waartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat nu diezelfde risico’s zich ook voordoen bij berechting door de hogere Turkse rechter. Ik verwijs naar HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:864 (Rwanda) waarin deze grondslag voldoende werd geacht de uitlevering te weigeren. Daar vul ik nog bij aan dat in casu het lidmaatschap van het EHRM geen verschil (meer) maakt, nu uit de overlegde informatie blijkt dat Turkije zich niet langer houdt aan EHRM-uitspraken.
7. Dat er in Turkije een zeer groot probleem is met de mensenrechtelijke situatie in het algemeen en de bejegening van Koerden en de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het bijzonder heb ik in mijn brief uitvoerig onderbouwd. De gebeurtenissen in [plaats] die we sindsdien in het nieuws hebben zien langskomen bevestigen dat beeld des te meer. Eén van de feiten waar de burgemeester van [plaats] van verdacht wordt is dat hij de PKK zou hebben geholpen, doordat zijn politieke partij een lijstverbinding was aangegaan met een Koerdische democratische partij (de DEM). Daarbij is het overigens tekenend dat hij formeel nog niet voor deze terrorismefeiten is aangehouden, maar voor de ‘neutralere’ verdenking van corruptie (bijlage 18, aangehecht). Dit illustreert hoe de formele grondslag van de arrestatie lang niet altijd de daadwerkelijke verdenkingen dekt.
8. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, de Europese Commissie, de U.S. State Department en de VN, allemaal benoemen ze een structureel patroon van politieke invloed op de rechterlijke macht, waarbij de Europese Commissie stelt: “the judiciary not only lacks structural independence, but [...] the decision-making of authorities and bodies that administer the justice system, as well as individual actions and decisions of prosecutors and judges, are manifestly partisan and often taken in pursuance of het objectives of the government.” Er is dus niet alleen sprake van directe politieke beïnvloeding: ook zonder concrete aanwijzingen van buitenaf handelen officieren van justitie en rechters partijdig en ter onderbouwing van de kennelijke wensen van de staat.
9. Dit algemene, structurele probleem geldt in het bijzonder in strafzaken tegen personen die op enige wijze met de PKK in verband worden gebracht. Ik wees in de brief op de grote moeilijkheden advocaten te vinden die bereid zijn personen die met de PKK in verband worden gebracht bij te staan en op de ernstige twijfels inzake de rechtmatigheid van bewijs verkregen onder de Anti-Terror Law. Deze risico’s gelden dus voor de zeer brede kring personen die op de één of andere manier met de PKK in verband wordt gebracht, in het bijzonder familieleden, zo bleek uit het vorige maand verschenen Algemeen Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
10. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe groot de groep personen wel niet is die met de PKK wordt geassocieerd en als gevolg daarvan wordt benadeeld: volgens het ambtsbericht zijn er tussen de 20.000 en 25.000 politieke gevangenen in Turkije, waarvan 80% Koerd is.
11. In de brief is reeds uitvoerig uiteengezet dat familieleden van cliënt actief waren bij de HPG (de gewapende afdeling van de PKK), en dat andere familieleden al veelvuldig zijn geconfronteerd met transnationale repressie. Ik toon u nu bovendien enkele foto's van een reis die cliënt met zijn ouders heeft gemaakt in 2019 naar Noord-lrak. Ik verzoek u deze foto’s goed te bestuderen en te vergelijken met de eerste bijlage van mijn brief, in het bijzonder de aldaar opgenomen foto’s en logo’s. U zult begrijpen dat het voor cliënt cruciaal is dat deze foto’s niet met de Turkse autoriteiten worden gedeeld, reden waarom ik de foto's hier ter zitting (achter gesloten deuren) aan u toon.
12. Er is dan ook alle aanleiding aan te nemen dat cliënt specifiek het risico loopt van partijdige rechtspraak.
13. Dat de formele verdenking een drugsdelict betreft is daarbij niet relevant, zo blijkt ook uit de uitspraak van 6 juni 2023. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat deze verdenking überhaupt niet de ware reden is dat men cliënt wenst te vervolgen. In het uitleveringsverzoek wordt immers opgemerkt dat het bewijs is opgenomen “following the communication detection order issued by Istanbul High Criminal Court which is authorized by the article 10 of the Anti-Terror Law”. Dit artikel 10 Anti-Terror Law regelde (tot 2014) inderdaad de jurisdictie in zaken die onder haar bereik vielen, waaronder “the offense of organized drug trafficking” (artikel 188), mits dit gedaan is “in het kader van de activiteiten van een terroristische organisatie” (artikel 4 Anti Terror Law). In het verleden is meermaals gesteld dat de PKK gelden zou verkrijgen uit drugshandel: het heeft er dan ook alle schijn van dat het onderzoek tegen cliënt wel degelijk direct op betrokkenheid bij de PKK ziet. Overigens zijn de gebruikte termen Cemaat en Irak (waar de PKK gevestigd is) daar ook indicaties voor.
14. Belangrijk is bovendien dat het business address dat in het arrest warrant genoemd wordt het bedrijf van de broer van cliënt betreft wiens uitlevering geweigerd is! Dit duidt eveneens op een relatie tussen beide zaken althans onderbouwt de stelling dat cliënt dezelfde risico’s loopt.1.”
3.3
Blijkens voormeld proces-verbaal van de zitting heeft de raadsvrouw in aanvulling op bovenstaande het volgende naar voren gebracht:
“De Turkse staat intimideert de familie en de gemeenschap. Ik toon verschillende foto's om te laten zien dat cliënt nog steeds banden heeft met de PKK. Als betrokkene in Turkije komt, is het risico voor hem heel groot. Het is niet eenvoudig om aan de hand van de stukken vast te stellen dat het gaat om drugshandel en niet om politieke standpunten. Er wordt ook gesproken over Irak. De stukken illustreren dat als betrokkene wordt uitgeleverd, dat hij in een problematische rechtspraak en in een terrorisme regime belandt. Er is daarom sprake van een flagrante schending van artikel 6 EVRM. Het systeem van de wetgever staat op gespannen voet met het uitgangspunt dat als er een weigeringsgrond is, dat dan geconcludeerd moet worden dat geen uitlevering kan plaatsvinden. Ik zie bij de Memorie van Toelichting geen enkele reden waarom de rechter niet kan oordelen of sprake is van discriminatoire vervolging. Hier is geen jurisprudentie over. Het gaat dus om rechtsontwikkeling.
(…)
(…) Over artikel 6 EVRM geeft de officier van justitie een maatstaf die niet uit de jurisprudentie is af te leiden. Ik verwijs naar de uitspraak Rwanda. Daarin is vastgesteld wat nodig is om een verweer artikel 6 EVRM te honoreren. Eerst was er het vertrouwensbeginsel, maar er kwam steeds meer informatie dat de conclusie was dat we niet op basis van het vertrouwensbeginsel kunnen aannemen dat geen sprake is van schending. In Turkije is dezelfde situatie gaande. Dit land is aan het afglijden. Op enig moment kan de conclusie zijn dat het niet voldoende is. Al helemaal met betrokkene die persoonlijke omstandigheden heeft. De vereisten van de Hoge Raad zijn dat er een objectieve twijfel moet zijn over het systeem in het algemeen gecombineerd met een reëel risico gezien de positie van de betrokkene. De officier van justitie vindt het niet relevant dat betrokkene in verband kan worden gebracht met PKK, maar dat is een specifieke omstandigheid. Betrokkene voldoet aan het kader wat uit de rapporten blijkt. Ik blijf bij het standpunt dat sprake is van flagrante schending.”
3.4
In bovengenoemde pleitaantekeningen verwijst de raadsvrouw meermaals naar een brief met bijlagen van 18 maart 2025 van haar hand. De rechtbank heeft niet nadrukkelijk gereageerd op haar verzoek ter zitting om die brief als herhaald en ingelast te beschouwen, maar maakt in haar beslissing wel melding van dit stuk onder paragraaf 1.3, waaronder de overige in het uitleveringsdossier opgenomen stukken worden opgesomd, en geeft er in haar overwegingen bovendien blijk van acht te hebben geslagen op de inhoud. Deze brief bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Ten behoeve van de bespreking van het middel volsta ik met een weergave van het volgende:
“Zus [zus opgeëiste persoon]
In 2004 werd de zus van cliënt, [zus opgeëiste persoon] , met wie cliënt zeer nauwe banden heeft, aangehouden in Nederland op verdenking van deelname aan de PKK in de zaak met parketnummer 10/000299-04. Het Openbaar Ministerie is door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 8 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Desondanks werd zij toen zij in 2014 voor het laatst trachtte Turkije te bezoeken aangehouden en over de Nederlandse verdenking gehoord. In de zomer van 2024 bleken de Turkse autoriteiten opnieuw interesse in deze zaak te hebben en werd [zus opgeëiste persoon] in het kader van een rechtshulpverzoek als getuige bij de rechter-commissaris in Rotterdam gehoord over [betrokkene 4] , die [zus opgeëiste persoon] niet kent maar die in 2004 een medeverdachte bleek te zijn geweest in de strafzaak in Nederland naar de PKK.
Broer [broer opgeëiste persoon]
In juni 2013 hebben de Turkse autoriteiten de uitlevering verzocht van de broer van cliënt, [broer opgeëiste persoon] , wegens gestelde drugsfeiten. Het Gerechtshof Den Haag heeft de uitlevering echter bij uitspraak van 2 februari 2016 verboden wegens een dreigende schending van artikel 3 EVRM, en daarbij overwogen (dikgedrukt TB):
Naar voorlopig oordeel van het hof is op basis van het uitgebreide betoog van [appellant] en de door hem in dat verband overgelegde foto's voldoende aannemelijk geworden dat zowel (een deel van) zijn familie als [appellant] zelf actief is in de Koerdische onafhankelijkheidsstrijd, althans dat in het verleden is geweest. [appellant] heeft verklaard dat enkele van de door hem overgelegde foto's afbeeldingen betreffen van hem, begin jaren negentig, tijdens een PKK-trainingskamp in de [locatie] in Libanon (productie 4 in eerste aanleg, eerste foto, en productie 14 in appel). Het hof heeft voorshands geen aanleiding om aan deze (op zichzelf ook niet betwiste) verklaring te twijfelen, mede in aanmerking genomen het feit dat op één van de foto's de letters PKK op de achtergrond te zien zijn en op twee andere foto’s, eveneens op de achtergrond, een embleem met wapens zichtbaar is. Onweersproken is bovendien dat het Turkse paspoort van [appellant] jarenlang is ingehouden door de Turkse autoriteiten. Ook dit is een aanwijzing dat Turkije hem destijds in verband bracht met terroristische, althans haar onwelgevallige activiteiten. Dat [appellant] al sinds eind jaren negentig niet meer (politiek) actief is, doet naar voorlopig oordeel van het hof in zoverre niet ter zake, dat aannemelijk is dat in Turkije ook bijzondere aandacht zal bestaan voor niet recente connecties met de PKK. Dit blijkt alleen al uit de hierboven reeds vermelde, onbestreden gebleven inhoud van de brief van de advocaat van [appellant] van 13 januari 2015, waaruit blijkt dat een recent aan Turkije uitgeleverde persoon met een Koerdische achtergrond (i) is gefolterd en (ii) werd ondervraagd over zijn banden met de PKK en werd geconfronteerd met een aan de Turkse autoriteiten onwelgevallige brief van hem uit 1995. Zoals [appellant] terecht heeft opgemerkt, is het vredesbestand tussen de PKK en de Turkse autoriteiten in juli 2015 opgeheven en is het Turks/Koerdische conflict sindsdien in alle hevigheid opgelaaid, [appellant] heeft afdoende onderbouwd dat de situatie met betrekking tot martelen in Turkije reden tot zorg blijft en dat de Turkse autoriteiten alles in het werk stellen om de PKK en zijn leden, die zij als terroristen beschouwen, definitief uit te schakelen; in dit verband zij onder meer verwezen naar de door [appellant] aangehaalde Algemene Ambtsberichten Turkije uit 2012 en 2013. De Staat betoogt terecht dat het te ver voert om aan te nemen dat iedere Koerd in Turkse detentie een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Naar voorlopig van oordeel van het hof zijn er echter wel gegronde redenen om aan te nemen dat een persoon met een Koerdische achtergrond van wie, zoals bij [appellant], voldoende aannemelijk is dat hij of zij aantoonbare en relevante banden heeft of heeft gehad met het Koerdisch verzet zoals de PKK, zodanig risico loopt, óók indien uitlevering wordt gevraagd met het oog op de vervolging voor een commuun delict.
Na dit oordeel heeft de Nederlandse staat de uitlevering geweigerd.”
De beslissing van de rechtbank
3.5
De rechtbank heeft de verweren verworpen en daartoe het volgende overwogen:
“3.3 Dreigende schending van fundamentele mensenrechten
Het meest verstrekkende verweer betreft de stelling dat bij uitlevering van de opgeëiste persoon een flagrante schending van diens fundamentele mensenrechten dreigt. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar 2.2. Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank het volgende.
In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).
Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM voorbehouden aan de Minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en/of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat niet snel sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van het EVRM, komt de uitleveringsrechter in de regel niet toe omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie.
Ter onderbouwing van het verweer heeft de verdediging aangevoerd dat de opgeëiste persoon stamt uit een Alevitische Koerdische familie en dat een aantal van zijn familieleden betrokken is geweest bij de Koerdische arbeiderspartij PKK. Met verwijzing naar onder meer een ambtsbericht, een rapportage van Human Rights Watch en andere stukken heeft de verdediging naar voren gebracht dat – kort gezegd – de rechterlijke macht in Turkije niet onafhankelijk en onpartijdig is en beïnvloed wordt door de uitvoerende macht. Volgens de verdediging zijn deze problemen acuut in zaken met een politieke component, zoals tegen familieleden die beschouwd worden als aanhangers van de PKK. De opgeëiste persoon zou bij uitlevering aan Turkije geen eerlijk proces krijgen en geconfronteerd worden met bewijsmateriaal verkregen onder anti-rechtstatelijke Anti-terror law, politieke inmenging met de rechtspraak, marteling en mishandeling in detentie en met grote moeilijkheden een advocaat kunnen vinden, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt voorop dat de verdediging niet heeft gesteld dat de opgeëiste persoon zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK. De rechtbank gaat er wel van uit dat hij behoort tot een familie waarvan een aantal leden als PKK-aanhangers kan worden beschouwd.
In het overgelegde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken van februari 2025 is omtrent familieleden van PKK-aanhangers vermeld dat zij door het Turkse veiligheidsapparaat werden gesurveilleerd, opgepakt en/of gedwongen om informatie te verschaffen over PKK-aanhangers. Indien familieleden geld stuurden naar politieke gevangenen, konden zij strafrechtelijk worden onderzocht en vervolgd wegens financiële ondersteuning van de PKK. Ook kregen familieleden van PKK-aanhangers te maken met huisinvallen. Deze werden verricht door speciale gemaskerde eenheden. Huisinvallen gingen volgens de bron veelvuldig gepaard met mishandelingen en detenties. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van PKK-aanhangers, zo is vermeld in het ambtsbericht. Anderzijds is ook vermeld dat onduidelijk is gebleven op welke schaal deze praktijken voorkwamen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit werden voor de Turkse autoriteiten.
Gelet op de overgelegde stukken bestaan gerechtvaardigde zorgen over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in het algemeen en meer in het bijzonder in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel onvoldoende onderbouwd dat familie-leden van PKK-aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het overgelegde ambtsbericht is daarvoor te vaag.
Gelet op vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het beroep hierop wordt daarom verworpen.”
Het juridisch kader
3.6
Nederland heeft zich als verdragsstaat bij het EVRM te houden aan de uit art. 1 EVRM voortvloeiende algemene verplichting tot eerbiediging van mensenrechten bij uitlevering. Dat houdt in dat Nederland als aangezochte staat niet mag overgaan tot uitlevering van de opgeëiste persoon, indien en voor zover sprake is van een ernstige schending van mensenrechten.2.
3.7
De bevoegdheid tot beoordeling van mensenrechtenverweren bij uitlevering ter strafvervolging is afwisselend toebedeeld aan de Minister van Justitie van Veiligheid (hierna: de Minister) en aan de uitleveringsrechter. Zo ligt de beoordeling van een dreigende schending van art. 3 EVRM, een dreigende schending van art. 5 EVRM, een dreigende schending van art. 6 EVRM die niet ‘flagrant’ is en een voltooide schending van art. 6 EVRM bij de Minister.3.De uitleveringsrechter is bevoegd om te oordelen over (onder meer) een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM. De Hoge Raad heeft het toepasselijke beoordelingskader hiervoor in zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond als volgt gepreciseerd:
“3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de UW aan de Minister toekent.
3.6
Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.
(…)
B. (i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’.”
3.8
Uit het voorgaande volgt dat niet elke schending van art. 6 EVRM een beletsel voor uitlevering vormt. Het moet gaan om een (dreigende) flagrante schending. Het begrip flagrante schending is afgeleid van de rechtspraak van het EHRM, die inhoudt dat art. 6 EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen aan uitlevering in de weg kan staan, namelijk wanneer de opgeëiste persoon “has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial”.4.Een “flagrant denial of justice” is, aldus het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Othman/Verenigd Koninkrijk, “a stringent test of unfairness which goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State”. Vereist is “a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”.5.De in de Othman-uitspraak genoemde voorbeelden van een “flagrant denial of justice” betreffen:
“- conviction in absentia with no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge (Einhorn, cited above, § 33; Sejdovic, cited above, § 84; Stoichkov, cited above, § 56);
- a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence
(Bader and Kanbor, cited above, § 47);
- detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality the detention reviewed (Al-Moayad, cited above, § 101);
- deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a
foreign country (ibid.).”
3.9
Het EHRM nam in de Othman-zaak voor het eerst een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM aan. Die dreigende flagrante schending hield in casu in dat een reëel risico bestond dat de betrokkene op basis van belastende verklaringen van gefolterde getuigen zou worden veroordeeld.
3.10
Garanties van de verzoekende staat die het recht op een eerlijk proces moeten waarborgen kunnen een rol spelen bij de vraag of uitlevering toelaatbaar is. De minister kan garanties vragen van de verzoekende staat (en de uitleveringsrechter kan daartoe adviseren) ter voorkoming van dreigende schendingen van mensenrechten.6.
3.11
De vraag of de opgeëiste persoon door uitlevering zal worden blootgesteld aan het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, betreft een feitelijk oordeel dat aan de uitleveringsrechter is voorbehouden en zich dus slechts voor een beperkte toets in cassatie leent. Met A-G Harteveld en Hofstee meen ik dat in cassatie wel relevant kan zijn wat in feitelijke aanleg bij de uitleveringsrechter door de opgeëiste persoon is aangevoerd, in relatie tot het oordeel van de uitleveringsrechter dat blootstelling aan een dergelijke flagrante schending van art. 6 EVRM al dan niet aannemelijk is geworden.7.
3.12
Indien de uitleveringsrechter vaststelt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, zal de uitleveringsrechter zich – volgens voormeld beoordelingskader van de Hoge Raad – moeten uitlaten over de vraag of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een effectief rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van de gestelde flagrante inbreuk. Slechts indien daarvan geen sprake is zal de rechter over kunnen gaan tot het ontoelaatbaar verklaren van de verzochte uitlevering. Indien de rechter de uitlevering toelaatbaar verklaart, moet de Minister vervolgens beslissen op het uitleveringsverzoek. De Minister moet in zijn beoordeling onder meer de mensenrechtensituatie in de verzoekende staat betrekken. Tegen een beslissing tot inwilliging van het uitleveringsverzoek staat beroep open bij de civiele rechter.
3.13
Aan de Hoge Raad zijn eerder zaken voorgelegd waarin een uitleveringsverzoek van Turkije voorlag en waarin door of namens de opgeëiste persoon tegenover de rechtbank eveneens het verweer is gevoerd dat sprake is van een (dreigend) risico van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM. Zo hield bij arrest van 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:955 een uitspraak waarin de rechtbank weliswaar de bevoegdheidstoedeling aan de uitleveringsrechter en de Minister had miskend in cassatie stand, omdat de rechtbank volgens de Hoge Raad het verweer dat sprake was van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM slechts had kunnen verwerpen. Door of namens de opgeëiste persoon was immers onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat aan de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ingeval van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste zou staan. Dit was in lijn met de conclusie van A-G Aben, die zich op het standpunt stelde dat op grond van hetgeen namens de opgeëiste persoon ter zitting was aangevoerd, niet is komen “vast te staan” dat de jegens de opgeëiste persoon het risico dreigt van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht en evenmin dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Het enkele uitroepen van de noodtoestand in Turkije en (in de woorden van de raadsman) “het opschorten van het EVRM” op de voet van art. 15 EVRM waren volgens Aben daarvoor ontoereikend. Aben benadrukte in dat kader onder meer dat het bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering steeds gaat om de vraag of voor deze opgeëiste persoon bij uitlevering een flagrante schending van zijn door het EVRM gewaarborgde rechten dreigt, niet om de vraag of de Turkse rechtstaat zich in zijn algemeenheid op een hellend vlak bevindt. Tot slot merkte Aben op dat de mensenrechtensituatie in Turkije alsnog van betekenis kan zijn voor de uitleveringszaak tegen de opgeëiste persoon, nu de Minister de mensenrechtensituatie in Turkije (moet) meewegen bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek en ook de weg naar de civiele rechter openstaat indien de Minister het verzoek zou inwilligen.8.
3.14
In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1032 was door de verdediging het verweer gevoerd dat de opgeëiste persoon in Turkije geen eerlijk proces zal krijgen, omdat hij lid is van de oppositiepartij HDP, die door president Erdogan een terroristische organisatie wordt genoemd, terwijl bovendien in het algemeen kan worden gesteld dat de rechtstaat in Turkije er nog slechter aan toe is dan de rechtstaat in Polen, dat de rechterlijke macht in Turkije niet langer onafhankelijk is en dat het enkele vermoeden dat een persoon tegenstander is van de huidige regering al reden genoeg is om geen eerlijk proces te krijgen. De rechtbank verwierp het verweer en overwoog dat zij weliswaar zorgwekkende rechtstaatontwikkelingen in Turkije waarneemt, maar dat onvoldoende is gebleken dat de situatie zodanig is dat iedere verdachte ongeacht de aard van de verdenking het risico loopt op een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Verder nam de rechtbank in aanmerking dat (kort gezegd) de uitlevering van de opgeëiste persoon niet werd verzocht voor een politiek delict, maar voor een commuun delict, en dat niet is gebleken dat hij een prominent of politiek geprofileerd of bekend lid is van HDP, zodat niet aannemelijk is dat hij het risico loopt op politieke vervolging. De Hoge Raad deed het cassatieberoep af met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.15
Eenzelfde afwikkeling kreeg het cassatieberoep in de zaak die ten grondslag ligt aan HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1500. De verdediging had in deze zaak erop gewezen dat de opgeëiste persoon aanhanger is van de Gülen-beweging en dat uit openbare bronnen blijkt dat de Turkse rechterlijke macht in politiek gevoelige zaken niet onafhankelijk is. De verwerping van dit verweer door de rechtbank hield onder meer in dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zich in het openbaar op enige wijze heeft gepresenteerd als een aanhanger van de Gülen-beweging en er geen aanwijzingen zijn dat de Turkse overheid structureel invloed of druk uitoefent op de rechterlijke macht in commune strafzaken en niet is gebleken van een politiek gemotiveerde vervolging.
3.16
Tot slot wijs ik op de zaak die uitmondde in het recente arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:64. Door de verdediging was aangevoerd dat de opgeëiste persoon een Koerdische achtergrond heeft en zijn familie al jaren in verband wordt gebracht met gewapende en politieke verzetsbewegingen tegen de Turkse overheid, waaronder de PKK. De rechtbank meende dat niet zij, maar de Minister, zich moest uitlaten over een dergelijke dreigende (flagrante) schending van art. 6 EVRM. Daarover klaagde het cassatiemiddel volgens A-G Paridaens terecht. Zij concludeerde evenwel tot verwerping van het cassatieberoep, op de grond dat de rechtbank het gevoerde verweer slechts had kunnen verwerpen. In dat verband overwoog Paridaens dat uit hetgeen door de verdediging naar voren was gebracht onvoldoende duidelijk bleek waarom bij de strafvervolging wegens een commuun delict (drugshandel) voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar zou bestaan dat zijn recht op een eerlijk proces zal worden geschonden bij de strafvervolging.9.Ook het cassatieberoep tegen deze beslissing deed de Hoge Raad af met verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.
De bespreking van het middel
3.17
Namens de opgeëiste persoon is bij de rechtbank het verweer gevoerd dat de door Turkije verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM. Dit verweer luidde in de kern dat er objectief gerechtvaardigde twijfels zijn over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht en dat daartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat. Daartoe is onder meer aangevoerd dat:
- de opgeëiste persoon uit een Alevitische Koerdische familie komt en in verband kan worden gebracht met de PKK, omdat verschillende directe familieleden, waaronder zijn ouders en broers en zus, actief waren bij de PKK en/of de HPG (de gewapende afdeling van de PKK);
- een aantal familieleden is eerder al geconfronteerd met transnationale repressie door Turkije via de inzet van internationale rechtshulp, zoals de broer van de opgeëiste persoon, wiens uitlevering in 2013 door Turkije werd verzocht wegens een verdenking van drugshandel. Het hof Den Haag verbood de uitlevering wegens een dreigende schending van art. 3 EVRM, omdat deze broer actief was geweest als PKK-strijder10.;
- uit verschillende rapporten van onder meer Human Rights Watch, de Europese Commissie en de Verenigde Naties kan worden afgeleid dat er grote zorgen zijn op het gebied van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije en dat sprake is van systematische overheidsbemoeienis met de rechterlijke macht, in het bijzonder in politiek gevoelige zaken (zoals tegen Koerdische politici en PKK-leden);
- uit voornoemde rapporten tevens volgt dat Turkije zich niet langer houdt aan EHRM-uitspraken en resoluties en adviezen van de Raad van Europa;
- uit een Algemeen Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van februari 2025 blijkt dat familieleden van PKK-leden worden gesurveilleerd, opgepakt en/of gedwongen om informatie te verschaffen over PKK’ers;
- politieke tegenstanders in Turkije ook onder de vlag van commune (niet-politieke) delicten strafrechtelijk worden vervolgd;
- in het uitleveringsverzoek in deze zaak aanknopingspunten zijn te vinden dat de verdenking van drugshandel in werkelijkheid verband houdt met een onderzoek naar betrokkenheid bij de PKK.
3.18
De rechtbank heeft dit verweer verworpen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon behoort tot een familie waarvan een aantal leden als PKK-aanhangers kan worden beschouwd en dat de verdediging niet heeft gesteld dat de opgeëiste persoon zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK. De rechtbank heeft vervolgens acht geslagen op het hiervoor genoemde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken, dat over de behandeling van familieleden van PKK’ers het volgende inhoudt – met weglating van de voetnoten:
“Subparagraaf 1.3.2 behandelt het gewapend conflict tussen de Turkse staat en de PKK op Turkse bodem. Deze paragraaf gaat in op hoe de Turkse autoriteiten familieleden van PKK’ers behandelden.
Voorgaande ambtsberichten meldden dat familieleden van (vermeende) PKK’ers te maken konden krijgen met huisinvallen of opzettelijk werden tegengewerkt door de Turkse autoriteiten.
In de verslagperiode bleef voornoemde situatie hetzelfde. Zo kwamen familieleden van PKK’ers niet in aanmerking voor overheidsbanen. In de nasleep van de aanslag op het TUSAŞ-complex nabij Ankara (zie subparagraaf 1.3.2) werd een particulier beveiliger in dienst van de gemeente Izmir ontslagen, omdat hij een broer was van één van de aanslagplegers.
Een bron gaf aan dat familieleden van PKK’ers door het Turkse veiligheidsapparaat werden gesurveilleerd, opgepakt en/of gedwongen om informatie te verschaffen over PKK’ers. Indien familieleden geld stuurden naar politieke gevangenen, konden zij strafrechtelijk worden onderzocht en vervolgd wegens financiële ondersteuning van de PKK. Ook kregen familieleden van PKK’ers te maken met huisinvallen. Deze werden verricht door speciale gemaskerde eenheden. Huisinvallen gingen volgens de bron veelvuldig gepaard met mishandelingen en detenties. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van PKK’ers, aldus de bron.
Het bleef onduidelijk op welke schaal deze praktijken voorkwamen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit werden voor de Turkse autoriteiten.”11.
3.19
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat gerechtvaardigde zorgen bestaan over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in het algemeen en meer in het bijzonder in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat familieleden van PKK-aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen. De rechtbank meent dat het overgelegde ambtsbericht daarvoor te vaag is. Een en ander brengt de rechtbank tot de slotsom dat het namens de opgeëiste persoon gedane beroep niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
3.20
Het middel klaagt dat dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is.
3.21
Ik merk op dat het oordeel van de rechtbank – mede bezien in het licht van het uitgebreide verweer dat door de verdediging is gevoerd – nogal beknopt is gemotiveerd. Anders dan het middel wil, komt dat oordeel mij echter niet onjuist of onbegrijpelijk voor.
3.22
De verdediging heeft onderbouwd geïllustreerd dat er in zijn algemeenheid zorgen zijn ten aanzien van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije en meer in het bijzonder ten aanzien van de behandeling van politieke tegenstanders van het Turkse regime, zoals PKK-leden. De rechtbank heeft die zorgen ook onderkend. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering gaat het uiteindelijk echter om de vraag of voor deze opgeëiste persoon bij uitlevering een flagrante schending van zijn door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten dreigt. Alleen dan biedt het geldende juridische kader de uitleveringsrechter de ruimte om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.
3.23
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon als familielid van PKK’ers geen eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM zal krijgen. Ter onderbouwing van dat standpunt is verwezen naar het hiervoor weergegeven ambtsbericht. Daarin wordt een vertrouwelijke bron aangehaald die stelt dat familieleden van PKK’ers door het Turkse veiligheidsapparaat onder meer door surveillance en detentie onder druk worden gezet om informatie te verschaffen over PKK’ers. Daarbij wordt in het ambtsbericht aangetekend dat onduidelijk is op welke schaal deze praktijken voorkomen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit zijn voor de Turkse autoriteiten. Zonder af te willen doen aan de ernst van die signalen, kan daaruit naar mijn inzicht niet zonder meer worden afgeleid dat in commune strafzaken aan het recht op een eerlijk proces van familieleden van PKK’ers wordt getornd. Daarover zwijgt het ambtsbericht. Tegen die achtergrond kan ik het oordeel van de rechtbank dat het ambtsbericht te vaag is om vast te stellen dat familieleden van PKK-aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen, goed volgen. In weerwil van het middel is die conclusie niet strijdig met de overweging van de rechtbank dat er gerechtvaardigde zorgen bestaan over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in strafzaken “tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht”. Ik begrijp dat de rechtbank daarmee doelde op PKK-leden en niet (ook) op personen die zelf geen betrokkenheid bij de PKK hebben, maar wel familie zijn van PKK-leden.
3.24
Dat de rechtbank niet nadrukkelijk is ingegaan op het verweer van de verdediging dat diverse familieleden van de opgeëiste persoon zijn vastgezet of onderwerp zijn geweest van internationale rechtshulpverzoeken vanuit Turkije, moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Blijkens de cassatieschriftuur doelt de steller van het middel hiermee op een rechtshulpverzoek om de zus van de verdachte als getuige te horen en een uitleveringsverzoek met betrekking tot de broer van de verdachte. Uit de beschrijving van deze incidenten in de brief van 18 maart 2025 van de raadsvrouw van de verdachte maak ik op dat deze familieleden zelf werden verdacht van directe betrokkenheid bij de PKK, dan wel deel hadden genomen aan de gewapende strijd.12.Een en ander kan aldus geen ondersteuning bieden voor de stelling van de verdediging dat de opgeëiste persoon als familielid van PKK’ers geen eerlijk proces zal krijgen in zijn strafzaak.13.
3.25
Voor zover in de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon volgens de verdediging niet zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK, treft het middel evenmin doel. De steller van het middel verwijst naar het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, waaruit blijkt dat de verdediging foto’s heeft getoond aan de rechtbank “om te laten zien dat cliënt nog steeds banden heeft met de PKK.” Deze foto’s zijn niet overgelegd aan de rechtbank en de rechtbank heeft daarover verder geen waarnemingen gedaan, dus de inhoud daarvan is mij onbekend. Uit de door de raadsvrouw voorgedragen pleitaantekeningen leid ik af dat het gaat om foto’s van een reis die de opgeëiste persoon met zijn ouders heeft gemaakt in 2019 naar Noord-Irak. Kennelijk heeft de rechtbank het zo begrepen dat de verdediging hiermee heeft willen illustreren dat de opgeëiste persoon nog steeds contact heeft met familieleden die betrokken zijn bij de PKK. Dat de rechtbank hierin niet als stelling heeft ingelezen dat de opgeëiste persoon zélf betrokken is (geweest) bij de PKK, acht ik – mede bezien in het licht van het overige dat is aangevoerd – niet onbegrijpelijk.
3.26
Tot slot maakt het middel er gewag van dat de rechtbank niet is ingegaan op hetgeen onder punt 13 en 14 van het schriftelijk standpunt naar voren is gebracht. Vooropgesteld zij dat de rechtbank er niet toe genoodzaakt is op alle onderdelen van het verweer expliciet te reageren.14.De vraag is of het oordeel van de rechtbank, in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, (on)begrijpelijk is.
3.27
De steller van het middel doelt op het in het pleidooi neergelegde verweer dat in de uitleveringsstukken aanwijzingen zijn te vinden dat de formele drugsverdenking in werkelijkheid verband houdt met een strafrechtelijk onderzoek naar betrokkenheid bij de PKK. Het zou gaan om de volgende aanwijzingen:
- het bewijs waaraan in het uitleveringsverzoek wordt gerefereerd is vergaard op basis van art. 10 van de Anti-Terror Law, welke bevoegdheid destijds enkel kon worden ingezet voor onderzoeken naar (onder meer) drugshandel, voor zover die gedragingen plaatsvonden in het kader van een terroristische organisatie. In het verleden is door de Turkse autoriteiten meermaals gesteld dat de PKK gelden zou verkrijgen uit drugshandel;
- in het feitenrelaas worden de termen ‘Cemaat’ en Irak genoemd, wat ook indicaties zijn voor een verband met de PKK;
- in het aanhoudingsbevel wordt bij de gegevens van de opgeëiste persoon onder het kopje ‘business address’ het adres van het bedrijf van zijn broer genoemd, wiens uitlevering in 2016 is geweigerd (zie hiervoor onder randnummer 3.17).
3.28
De omstandigheid dat het bewijs dat heeft geleid tot de verdenking aan het adres van de verdachte is voortgekomen uit de toepassing van een bevoegdheid die enkel zou mogen worden ingezet in terrorisme-onderzoeken, lijkt mij niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat de verdenking van de opgeëiste persoon in werkelijkheid ziet op vermeende betrokkenheid bij de PKK, laat staan dat de opgeëiste persoon in zijn berechting geen eerlijk proces zal krijgen. De in het feitenrelaas genoemde termen lijken mij daarvoor evenzeer onvoldoende specifiek. Uit de vermelding van het ‘business address’ van de broer van de opgeëiste persoon kan mijns inziens evenmin worden afgeleid dat sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM in de berechting van de opgeëiste persoon. Daarbij weeg ik mee dat de uitlevering van de broer ook voor drugsfeiten werd verzocht en dat uit de beslissing tot weigering van deze uitlevering niet kan worden opgemaakt dat het daar ging om een ‘gefabriceerde’ verdenking. Gelet hierop acht ik het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de door de verdediging genoemde omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon, ook zonder nadrukkelijke motivering, niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
3.29
Het eerste middel faalt in alle onderdelen.
4. Het tweede middel
4.1
Het tweede middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam zijn en/of dat art. 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en art. 18 Uitleveringswet (hierna: Uw) niet vereisen dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn vóór de datum van het uitleveringsverzoek.
Het verweer van de verdediging
4.2
Meergenoemde pleitaantekeningen die de raadsvrouw van de opgeëiste persoon op de zitting van 2 april 2025 heeft voorgedragen houden over de genoegzaamheid van de Turkse uitleveringsstukken het volgende in:
“Ongenoegzaamheid stukken Turkije
18. Hoewel mijns inziens op de bovenstaande gronden de uitlevering nu al ontoelaatbaar moet worden verklaard meen ik subsidiair dat het dossier nog niet compleet is voor u om tot het oordeel te komen dat de uitlevering toelaatbaar is.
19. Ten eerste het arrest warrant. Artikel 12 EUV vereist dat tot staving van (be supported by in de originele tekst) een uitleveringsverzoek het origineel of een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding wordt overlegd. In het dossier is uitsluitend een arrest warrant opgenomen dat gedateerd is op 20 januari 2025. Het uitleveringsverzoek zelf echter dateert van 14 januari 2025; dit arrestatiebevel kan dan ook niet geacht worden het uitleveringsverzoek te supporten.
20. Daar komt bij dat het thans onmogelijk is vast te stellen of de aanhouding en detentie van cliënt wel rechtmatig was, nu er geen arrestatiebevel is overlegd dat ten grondslag lag aan het Interpol red notice-verzoek. Dit raakt ook de eventuele gevangenhouding die u zou dienen te bevelen.
21. In ieder geval bent u thans niet in staat te oordelen voor welke zaak de uitlevering nu exact wordt verzocht, gezien de verschillende dossiernummers die worden genoemd in het uitleveringsdossier respectievelijk het aanhoudingsbevel en gezien de tegenstrijdigheden tussen het uitleveringsverzoek en het red notice-bevel.
22. In bredere zin is thans niet goed vast te stellen waar cliënt nu precies voor wordt opgeëist en of er mogelijk sprake is van weigeringsgronden; daarvoor is bijvoorbeeld nogal van belang wat nu precies de verwijzing naar Cemaat, Irak en het adres van de broer van cliënt inhoudt en of er in de zaak een relatie wordt gelegd met terrorisme.
23. Ik ben dan ook van mening dat de stukken thans ongenoegzaam zijn en dat er in ieder geval moeten worden overlegd:
a) De originele indictment van 26 januari 2014
b) Het originele arrest warrant van 4 augustus 2015 (volgens red notice)
c) De communication detection order issued by Istanbul High Criminal Court through Investigation No. […] ”
De beslissing van de rechtbank
4.3
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist over de genoegzaamheid van de stukken:
“3.5 Genoegzaamheid van de stukken
De verdediging heeft gesteld dat in strijd met artikel 12 van het EUV het overgelegde bevel tot aanhouding (‘arrest warrant’) gelet op de datum daarvan (20 januari 2025) niet geacht kan worden het uitleveringsverzoek van 14 januari 2025 te staven. In de ‘red notice’ wordt gesproken van een arrestatiebevel van 4 augustus 2015 en dit ontbreekt. Voorts ontbreken de originele ‘indictment’ van 26 januari 2014 en de hiervoor genoemde ‘communication detection order’. Volgens de verdediging kan gelet op de verschillende dossiernummers die in het uitleveringsdossier en het aanhoudingsbevel zijn genoemd en voorts, gelet op de tegenstrijdigheden tussen het uitleveringsverzoek en het ‘red notice-bevel’, niet worden beoordeeld voor welke zaak de uitlevering wordt verzocht. Daarnaast is het noodzakelijk om een reclasseringsrapport op te stellen om vast te kunnen stellen dat de opgeëiste persoon voldoende inzicht heeft in de procedure en de gevolgen daarvan.
Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het EUV bepaalt onder meer dat tot staving van (‘be supported by’) het uitleveringsverzoek een bevel tot aanhouding dient te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet vereist dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn voor de datum van het uitleveringsverzoek. Evenmin is vereist dat eerder uitgevaardigde arrestatiebevelen worden overgelegd. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van de UW en artikel 12 van het EUV genoemde stukken gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit afdoende worden opgemaakt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd. Het overleggen van het dossier met de genoemde ‘indictment’ van 26 januari 2014 is niet vereist. Het is voorts niet aan de rechter in deze uitleveringsprocedure om te toetsen of de opeisende staat voldoende bewijs heeft voor de verdenking. Mitsdien is evenmin vereist dat de eerder genoemde ‘minutes’ worden overgelegd. De stukken worden door de rechtbank genoegzaam geoordeeld. De door de verdediging genoemde tegenstrijdigheden en andere opmerkingen doen daar niet aan af.”
Het juridisch kader
4.4
Vooropgesteld moet worden dat het voorliggende uitleveringsverzoek van Turkije in de eerste plaats wordt beheerst door het EUV, dat – in geval van strijdigheid – voorgaat op de bepalingen van de Uw.15.Art. 12 lid 2 EUV luidt:
“Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:
(a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij;
(…)”
4.5
Het bij het EUV behorende ‘Explanatory report’ houdt over art. 12 lid 2 EUV in:
“Article 12 (The request and supporting documents)
(…)
Paragraph 2 specifies at sub-paragraphs (a), (b) and (c) the documents which the requesting Party is required to produce in support of its request, and the information which it must supply. Some of the experts thought that the warrant of arrest or any other order having the same effect should be issued by an authority of a judicial nature. This point arises from Article 1, in which the Parties undertake to extradite persons against whom the competent authorities of the requesting Party are proceeding or who are wanted by them.
It was observed that the description of the person claimed is not generally given in the request itself but is attached as a separate document.
During the discussion on Article 12 it was found that most of the States represented on the Committee of Experts do not extradite a person claimed until after a decision by a judicial Authority.”
4.6
Art. 12 lid 2 EUV vereist – in min of meer vergelijkbare bewoordingen als art. 18 lid 3 Uw – dat bij een verzoek strekkende tot vervolgingsuitlevering een (authentiek afschrift) van een bevel tot aanhouding wordt overgelegd. De memorie van toelichting bij de goedkeuring van het EUV wijst nadrukkelijk op de overeenkomsten met (het destijds ontwerp-wetsvoorstel van) art. 18 Uw:
“De opsomming van bij een verzoek tot uitlevering over te leggen stukken komt overeen met die welke is gegeven in artikel 18 van het ontwerp-Uitleveringswet.”16.
4.7
Art. 18 Uw luidt – voor zover hier van belang:
“1. Een verzoek tot uitlevering kan slechts in overweging worden genomen, indien het voldoet aan de vereisten omschreven in de navolgende leden van dit artikel.
(…)
3. Het verzoek moet vergezeld gaan van:
a. het origineel of een authentiek afschrift
hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis,
hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft,
een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
(…)”
4.8
De memorie van toelichting bij art. 18 Uw houdt het volgende in:
“Artikel 18. De hierin gestelde eisen aan vorm en inhoud van verzoeken tot uitlevering komen overeen met de in verdragen gebruikelijke. Dit artikel zou, daar het betrekking heeft op voorwaarden waarvan de vervulling nodig is voor de mogelijkheid tot uitlevering, eigenlijk systematisch thuis behoren in hoofdstuk II. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn echter de bepalingen die aangeven wat in de opeenvolgende stadia van de uitleveringsprocedure kan of moet geschieden, in het derde hoofdstuk bijeengehouden.”17.
4.9
De in respectievelijk art. 12 EUV en art. 18 Uw gestelde eisen dienen een drietal doelen. Het uitleveringsverzoek en de bijbehorende stukken moeten het de aangezochte staat in de eerste plaats mogelijk maken de identiteit en de nationaliteit van de opgeëiste persoon vast te stellen. Ten tweede moet uit de uitleveringsstukken kunnen worden opgemaakt met welk doel de uitlevering wordt verzocht en voor welk feit. Ten derde moeten de uitleveringsstukken de aangezochte staat de benodigde gegevens verschaffen om te beoordelen of tot uitlevering kan worden overgegaan in het licht van de geldende voorwaarden en weigeringsgronden.18.
De bespreking van het middel
4.10
Bij het uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten van 14 januari 2025 is onder meer gevoegd een aanhoudingsbevel (“arrest warrant”) dat is gedateerd 20 januari 2025. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit aanhoudingsbevel het uitleveringsverzoek niet kan staven, omdat het van een latere datum is en de stukken derhalve ongenoegzaam zijn. Voorts heeft de verdediging gewezen op discrepanties in de op het uitleveringsverzoek en het aanhoudingsbevel genoemde onderzoeksnummers.
4.11
De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank vereist art. 12 lid 2 EUV niet dat het aanhoudingsbevel gedateerd dient te zijn vóór de datum van het uitleveringsverzoek. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de in art. 18 Uw en art. 12 EUV genoemde stukken zijn gevoegd bij het uitleveringsverzoek en dat daaruit afdoende kan worden opgemaakt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd. De rechtbank komt tot de slotsom dat de stukken genoegzaam zijn en dat de door de verdediging genoemde tegenstrijdigheden in die stukken daar niet aan afdoen.
4.12
Het middel voert allereerst aan dat art. 12 EUV en art. 18 Uw in redelijkheid niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat het aanhoudingsbevel reeds moest bestaan ten tijde van het uitleveringsverzoek en dus niet later dan dat verzoek kan worden gedateerd. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij art. 5 en 18 Uw19.bepleit de steller van het middel dat bedoeld is dat uitlevering slechts mogelijk is voor feiten waarvoor daadwerkelijk detentie mogelijk is en dat daarbij niet past dat reeds een uitleveringsverzoek kan worden opgesteld alvorens een rechter of andere bevoegde autoriteit vaststelt dat er voldoende gronden en mogelijkheden voor detentie zijn. Een en ander brengt volgens de steller van het middel ook mee dat de voorlopige aanhouding onrechtmatig moet worden beschouwd, omdat er geen sprake was van een geldig aanhoudingsbevel uit Turkije ten tijde van het opstellen van het uitleveringsverzoek.
4.13
Het standpunt van de steller van het middel dat art. 12 EUV en art. 18 Uw vereisen dat de daarin genoemde stukken eerder zijn gedateerd dan het uitleveringsverzoek vindt geen steun in het recht. De tekst van art. 12 EUV en art. 18 Uw biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Uit de wetsgeschiedenis bij beide bepalingen kan een dergelijke eis evenmin met zoveel woorden worden afgeleid. De bedoeling van de wetgever noopt – anders dan het middel wil – in mijn optiek ook niet tot de door de steller van het middel bepleite uitleg. De in art. 12 lid 2 EUV en art. 18 Uw neergelegde voorschriften hebben tot doel de aangezochte autoriteiten voldoende te informeren, zodat zij een oordeel kunnen vellen over (de toelaatbaarheid van) het verzoek tot uitlevering. Het lijkt mij tegen die achtergrond niet bezwaarlijk dat een uitleveringsverzoek wordt opgesteld voordat een rechterlijke autoriteit in de verzoekende staat heeft vastgesteld of er gronden zijn voor aanhouding. In het hypothetische geval dat een aanhoudingsbevel uiteindelijk niet zou kunnen worden overgelegd omdat de rechterlijke autoriteit meent dat daarvoor onvoldoende gronden bestaan, zal het uitleveringsverzoek reeds op die grond (moeten) worden afgewezen door de aangezochte staat. Ik zie dan ook niet in welk belang zou zijn gediend met het stellen van een aanvullende eis dat het bedoelde aanhoudingsbevel voorafgaat aan het uitleveringsverzoek. Het middel faalt op dit punt.
4.14
Het middel klaagt in de tweede plaats dat de rechtbank zijn oordeel onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd heeft in het licht van het verweer van de verdediging over de discrepanties in onderzoeksnummers tussen het uitleveringsverzoek en het aanhoudingsbevel. Deze – niet nader toegelichte – klacht treft mijn inziens evenmin doel. Het oordeel van de rechtbank dat uit de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken voldoende blijkt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd en eventuele discrepanties in de stukken daar niet aan afdoen kan ik goed volgen. Daarbij neem ik in aanmerking de inhoud van het uitleveringsverzoek en het aanhoudingsbevel zoals hiervoor onder randnummers 2.1-2.2 weergegeven, waarin dezelfde strafbare gedragingen en dezelfde pleegperiode wordt beschreven en waarin voorts hetzelfde zaaknummer wordt genoemd (nummer […] ).
5. Slotsom
5.1
Beide middelen falen en in ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑03‑2026
V.H. Glerum en N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst en E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2022, p. 259-260.
Glerum & Rozemond, a.w., p. 261.
EHRM 7 juli 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0707JUD001403888, NJ 1990/158 m.nt. E.A. Alkema, par. 113 (Soering/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909 (Othman/Verenigd Koninkrijk), NJ 2013/360, m.nt. N. Keijzer, par. 260. Zie later ook o.a. EHRM 15 juni 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0615DEC007153714 (Harkins/Verenigd Koninkrijk), par. 62-65.
Glerum & Rozemond, a.w., p. 261-263.
Vgl. ook randnr. 24 van de conclusie van A-G Harteveld vóór HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:133 en randnr. 17 van de conclusie van A-G Hofstee vóór HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:864, NJ 2023/316, m.nt. N. Keijzer.
Conclusie A-G Aben 4 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:370, randnrs. 9 en 23.
Conclusie A-G Paridaens 9 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1342.
Gerechtshof Den Haag 2 februari 2016 (civiele kamer), ECLI:NL:GHDHA:2016:143. Het hof was van oordeel dat de betrokkene in detentie een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM.
Ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025)’, 24 februari 2025, p. 66.
Deze incidenten zijn verder beschreven in de brief van 18 maart 2025 van de raadsvrouw van de verdachte, die zich zoals gezegd bevindt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
De onderhavige zaak laat zich wegens dit punt ook niet zonder meer vergelijken met de uitspraak van rechtbank Gelderland van 23 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3998 die de steller van het middel in de schriftuur noemt. De rechtbank Gelderland achtte in die zaak “voldoende aannemelijk (…) geworden dat zowel de opgeëiste persoon zelf als een aantal familieleden actief is of is geweest voor Koerdische organisaties die door Turkije als terroristisch worden aangemerkt” en verklaarde de uitlevering aan Turkije in die zaak ontoelaatbaar, op de grond dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk van artikel 6 EVRM.
Zie hierover meer bijv. J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 32-33.
Glerum & Rozemond, a.w., p. 225.
Beroepschrift 07‑01‑2025
Dossiernummer 20250756
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
Van mr. T.M.D. Buruma
In de zaak van:
[opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ([land]), verzoeker tot cassatie van de op 30 april 2025 door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen uitspraak onder kenmerk UTL-I-2025000220, die voor deze zaak domicilie kiest bij zijn raadsvrouwe aan de Linnaeusstraat 2-A (1092 CK) te Amsterdam en haar nadrukkelijk machtigt tot het indienen van de navolgende middelen.
Middel I
Het recht — in het bijzonder artt. 6 en 13 EVRM — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de Rechtbank op onjuiste althans onbegrijpelijke gronden het verweer dat sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM, waartegen cliënt na zijn uitlevering geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, wat moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering tot strafvervolging, heeft verworpen.
Toelichting
1.
De uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht ter fine van strafvervolging. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het uitleveringsverzoek is ter terechtzitting op 2 april 2025 het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt — voor zover voor de beoordeling van het middel van belang — het volgende in:
- ‘1.
Vandaag ziet op de toelaatbaarheid van de uitlevering van de heer [opgeëiste persoon]. Ik heb u bij voorbaat een uitgebreide brief toegestuurd met onderbouwing van de redenen waarom [opgeëiste persoon] niet uitgeleverd moet worden: ik verzoek u die brief van 18 maart 2025 hier als herhaald en ingelast te beschouwen.
- 2.
In die brief zijn in ieder geval twee punten opgeworpen die volledig aan u ter beoordeling voorliggen: de dreigende (flagrante) schending van artikel 6 EVRM en de ongenoegzaamheid van de stukken.
- 3.
Daarnaast is er uitvoerig gewezen op de dreigende discriminatoire behandeling: als Koerd die met de PKK in verband wordt gebracht zal cliënt op grond van zijn nationaliteit en politieke gezindheid wordt vervolgd, gestraft althans ongunstig worden beïnvloed na zijn uitlevering. De zaak is eigenlijk identiek aan die van zijn broer, waarin de uitlevering verboden werd wegens een dreigende artikel 3 EVRM schending, die direct voortvloeide uit de discriminatoire bejegening van Koerden in detentie die met de PKK in verband worden gebracht.
- 4.
[…]
Dreigende (flagrante) schending van Artikel 6 jo 13 EVRM
- 5.
[…]
- 6.
In deze zaak is sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, waartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat, althans van een dreigende schending van artikel 6 EVRM. Er zijn objectief gerechtvaardigde twijfels over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht, waartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat nu diezelfde risico's zich ook voordoen bij berechting door de hogere Turkse rechter. Ik verwijs naar HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:864 (Rwanda) waarin deze grondslag voldoende werd geacht de uitlevering te weigeren. Daar vul ik nog bij aan dat in casu het lidmaatschap van het EHRM geen verschil (meer) maakt, nu uit de overlegde informatie blijkt dat Turkije zich niet langer houdt aan EHRM-uitspraken.
- 7.
Dat er in Turkije een zeer groot probleem is met de mensenrechtelijke situatie in het algemeen en de bejegening van Koerden en de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het bijzonder heb ik in mijn brief uitvoerig onderbouwd. De gebeurtenissen in Istanbul die we sindsdien in het nieuws hebben zien langskomen bevestigen dat beeld des te meer. Eén van de feiten waar de burgemeester van Istanbul van verdacht wordt is dat hij de PKK zou hebben geholpen, doordat zijn politieke partij een lijstverbinding was aangegaan met een Koerdische democratische partij (de DEM). Daarbij is het overigens tekenend dat hij formeel nog niet voor deze terrorismefeiten is aangehouden, maar voor de ‘neutralere’ verdenking van corruptie (bijlage 18, aangehecht). Dit illustreert hoe de formele grondslag van de arrestatie lang niet altijd de daadwerkelijke verdenkingen dekt.
- 8.
Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, de Europese Commissie, de U.S. State Department en de VN, allemaal benoemen ze een structureel patroon van politieke invloed op de rechterlijke macht, waarbij de Europese Commissie stelt:
‘the judiciary not only lacks structural independence, but […] the decision-making of authorities and bodies that administer the justice system, as well as individual actions and decisions of prosecutors and judges, are manifestly partisan and often taken in pursuance of het objectives of the government.’
Er is dus niet alleen sprake van directe politieke beïnvloeding: ook zonder concrete aanwijzingen van buitenaf handelen officieren van justitie en rechters partijdig en ter onderbouwing van de kennelijke wensen van de staat.
- 9.
Dit algemene, structurele probleem geldt in het bijzonder in strafzaken tegen personen die op enige wijze met de PKK in verband worden gebracht. Ik wees in de brief op de grote moeilijkheden advocaten te vinden die bereid zijn personen die met de PKK in verband worden gebracht bij te staan en op de ernstige twijfels inzake de rechtmatigheid van bewijs verkregen onder de Anti-Terror Law. Deze risico's gelden dus voor de zeer brede kring personen die op de één of andere manier met de PKK in verband wordt gebracht, in het bijzonder familieleden, zo bleek uit het vorige maand verschenen Algemeen Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
- 10.
Ik kan niet genoeg benadrukken hoe groot de groep personen wel niet is die met de PKK wordt geassocieerd en als gevolg daarvan wordt benadeeld: volgens het ambtsbericht zijn er tussen de 20.000 en 25.000 politieke gevangenen in Turkije, waarvan 80% Koerd is.1.
- 11.
In de brief is reeds uitvoerig uiteengezet dat familieleden van cliënt actief waren bij de HPG (de gewapende afdeling van de PKK), en dat andere familieleden al veelvuldig zijn geconfronteerd met transnationale repressie. Ik toon u nu bovendien enkele foto's van een reis die cliënt met zijn ouders heeft gemaakt in 2019 naar Noord-Irak. Ik verzoek u deze foto's goed te bestuderen en te vergelijken met de eerste bijlage van mijn brief, in het bijzonder de aldaar opgenomen foto's en logo's. U zult begrijpen dat het voor cliënt cruciaal is dat deze foto's niet met de Turkse autoriteiten worden gedeeld, reden waarom ik de foto's hier ter zitting (achter gesloten deuren) aan u toon.
- 12.
Er is dan ook alle aanleiding aan te nemen dat cliënt specifiek het risico loopt van partijdige rechtspraak.
- 13.
Dat de formele verdenking een drugsdelict betreft is daarbij niet relevant, zo blijkt ook uit de uitspraak van 6 juni 2023. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat deze verdenking überhaupt niet de ware reden is dat men cliënt wenst te vervolgen. In het uitleveringsverzoek wordt immers opgemerkt dat het bewijs is opgenomen ‘following the communication detection order issued by Istanbul High Criminal Court which is authorized by the article 10 of the Anti-Terror Law’. Dit artikel 10 Anti-Terror Law regelde (tot 2014) inderdaad de jurisdictie in zaken die onder haar bereik vielen, waaronder ‘the offense of organized drug trafficking’ (artikel 188), mits dit gedaan is ‘in het kader van de activiteiten van een terroristische organisatie’ (artikel 4 Anti-Terror Law).2. In het verleden is meermaals gesteld dat de PKK gelden zou verkrijgen uit drugshandel: het heeft er dan ook alle schijn van dat het onderzoek tegen cliënt wel degelijk direct op betrokkenheid bij de PKK ziet. Overigens zijn de gebruikte termen Cemaat en Irak (waar de PKK gevestigd is) daar ook indicaties voor.
- 14.
Belangrijk is bovendien dat het business address dat in het arrest warrant genoemd wordt het bedrijf van de broer van cliënt betreft wiens uitlevering geweigerd is! Dit duidt eveneens op een relatie tussen beide zaken althans onderbouwt de stelling dat cliënt dezelfde risico's loopt.’
2.
Hieraan is ter zitting met de hand nog toegevoegd:
‘deze morgen dossier gekregen:
- —
adres broer komt overeen, vader en moeder werden ook genoemd in die strafzaak, en in de media werd die gestelde drugsorganisatie met de PKK in verband gebracht.’
Ook is benoemd:
‘De Turkse staat intimideert de familie en de gemeenschap. Ik toon verschillende foto's om te laten zien dat cliënt nog steeds banden heeft met de PKK. Als betrokkene in Turkije komt, is het risico voor hem heel groot. […]’
(p. 1 proces-verbaal).
3.
Het aldus aangevoerde is door de Rechtbank als volgt samengevat en verworpen (p. 3–4):
‘Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en/of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat niet snel sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. […]
Ter onderbouwing van het verweer heeft de verdediging aangevoerd dat de opgeëiste persoon stamt uit een Alevitische Koerdische familie en dat een aantal van zijn familieleden betrokken is geweest bij de Koerdische arbeiderspartij PKK. Met verwijzing naar onder meer een ambtsbericht, een rapportage van Human Rights Watch en andere stukken heeft de verdediging naar voren gebracht dat — kort gezegd — de rechterlijke macht in Turkije niet onafhankelijk en onpartijdig is en beïnvloed wordt dooi' de uitvoerende macht. Volgens de verdediging zijn deze problemen acuut in zaken met een politieke component, zoals tegen familieleden die beschouwd worden als aanhangers van de PKK. De opgeëiste persoon zou bij uitlevering aan Turkije geen eerlijk proces krijgen en geconfronteerd worden met bewijsmateriaal verkregen onder anti-rechtstatelijke Anti-terror law, politieke inmenging met de rechtspraak, marteling en mishandeling in detentie en met grote moeilijkheden een advocaat kunnen vinden, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt voorop dat de verdediging niet heeft gesteld dat de opgeëiste persoon zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK. De rechtbank gaat er wel van uit dat hij behoort tot een familie waarvan een aantal leden als PKK-aanhangers kan worden beschouwd.
In het overgelegde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken van februari 2025 is omtrent familieleden van PKK-aanhangers vermeld dat zij door het Turkse veiligheidsapparaat werden gesurveilleerd, opgepakt en/of gedwongen om informatie te verschaffen over PKK-aanhangers. Indien familieleden geld stuurden naar politieke gevangenen, konden zij strafrechtelijk worden onderzocht en vervolgd wegens financiële ondersteuning van de PKK. Ook kregen familieleden van PKK-aanhangers te maken met huisinvallen. Deze werden verricht door speciale gemaskerde eenheden. Huisinvallen gingen volgens de bron veelvuldig gepaard met mishandelingen en detenties. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van PKK-aanhangers, zo is vermeld in het ambtsbericht. Anderzijds is ook vermeld dat onduidelijk is gebleven op welke schaal deze praktijken voorkwamen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit werden voor de Turkse autoriteiten.
Gelet op de overgelegde stukken bestaan gerechtvaardigde zorgen over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in het algemeen en meer in het bijzonder in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel onvoldoende onderbouwd dat familieleden van PKK aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het overgelegde ambtsbericht is daarvoor te vaag.
Gelet op vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het beroep hierop wordt daarom verworpen.’
4.
Hoewel de rechtbank het juiste juridisch kader voorop heeft gesteld, is haar conclusie dat er geen sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM onjuist althans onbegrijpelijk.
5.
De rechtbank overweegt immers dat er ‘gerechtvaardigde zorgen over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in het algemeen en meer in het bijzonder in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht’. Ook heeft de rechtbank weergegeven hoe familieleden van PKK-aanhangers worden behandeld. De conclusie dat het overgelegde ambtsbericht te vaag is om vast te stellen dat familieleden van PKK aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen, is in het licht van die overwegingen onbegrijpelijk.
6.
Daar komt bij dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de aangedragen argumenten die zien op de specifieke omstandigheden van cliënt. Ten eerste is de conclusie ‘dat de verdediging niet heeft gesteld dat de opgeëiste persoon zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK’ onbegrijpelijk in het licht van het proces-verbaal van de zitting waarin staat vermeld dat de verdediging heeft gesteld ‘Ik toon verschillende foto's om te laten zien dat cliënt nog steeds banden heeft met de PKK.’
7.
Ten tweede accepteert de rechtbank dat cliënt behoort tot een familie waarvan leden als PKK-aanhangers worden beschouwd. De rechtbank gaat echter niet in op het ter zitting en reeds uitgebreider voorafgaand per brief3. aangevoerde verweer dat diverse familieleden van cliënt eerder zijn vastgezet en dat Turkije juist ten aanzien van deze familie al meermaals internationale rechtshulp heeft getracht in te zetten op een wijze die niet strookt met het Nederlands systeem. Zo was gewezen op het feit dat de zus van cliënt in 2024 werd gevraagd als getuige in het kader van een Turks rechtshulpverzoek over feiten waar zij en de verdachte in wiens zaak zij gehoord werd al in 2004 voor vervolgd waren in Nederland. Ook was gewezen op de zaak Gerechtshof Den Haag 2 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:143, waarin de uitlevering van de broer van cliënt voor een gestelde drugsverdenking onrechtmatig werd verklaard wegens zijn (familie)banden met de PKK en de daaruit volgende risico's.
8.
Ten derde gaat de rechtbank niet in op de in het bijzonder onder punt 13 en 14 van de pleitnota aangevoerde punten uit het uitleveringsverzoek zelf die duiden op een verdenking die wel degelijk in verband wordt gebracht met terrorisme en waarin ook een directe relatie met de strafzaak tegen de hiervoor benoemde broer van cliënt te vinden is, ook al wordt formeel van een drugsverdenking gesproken.
9.
De rechtbank heeft de juistheid van deze door cliënt onderbouwde stellingen in het midden gelaten en heeft niet ervan blijk gegeven het aldus aangevoerde bij de beoordeling van het verweer te hebben betrokken, althans heeft hieraan ten onrechte geen betekenis gehecht. Gelet hierop is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd.
10.
Ik merk in dit verband voorts op dat de situatie aldus ook anders is dan naar het zich laat aanzien in de zaak waarin op 9 december 2025 conclusie is gewezen, ECLI:NL:PHR:2025:1342. De advocaat-generaal merkte aldaar op dat de rechtbank het verweer slechts had kunnen verwerpen nu onvoldoende duidelijk zou zijn gebleken waarom bij de strafvervolging voor een commuun delict een reëel gevaar zou bestaan dat zijn recht op een eerlijk proces wordt geschonden in de strafvervolging. In casu is voldoende geconcretiseerd dat niet alleen in het algemeen Turkije juist ook commune verdenkingen misbruikt om lawfare (het gebruik van internationale rechtshulp ter repressie van politieke tegenstanders) te voeren, maar is gewezen op bijzondere aspecten van de voorliggende zaak die daar concreet op duiden. Tevens is onderbouwd aangevoerd dat er geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM openstaat, niet alleen omdat de problemen met de rechtspraak op alle niveaus gelden, maar ook omdat Turkije zich niets meer gelegen laat liggen aan de uitspraken van het EHRM (zie in het bijzonder p. 6–7 van de brief).
11.
Ter zitting werd voorts opgemerkt (p. 2):
‘Ik verwijs naar de uitspraak Rwanda. Daarin is vastgesteld wat nodig is om een verweer artikel 6 EVRM te honoreren. Eerst was er het vertrouwensbeginsel, maar er kwam steeds meer informatie dat de conclusie was dat we niet op basis van het vertrouwensbeginsel kunnen aannemen dat geen sprake is van schending. In Turkije is dezelfde situatie gaande. Dit land is aan het afglijden. Op enig moment kan de conclusie zijn dat het niet voldoende is. Al helemaal met betrokkene die persoonlijke omstandigheden heeft. De vereisten van de Hoge Raad zijn dat er een objectieve twijfel moet zijn over het systeem in het algemeen gecombineerd met een reëel risico gezien de positie van de betrokkene. De officier van justitie vindt het niet relevant dat betrokkene in verband kan worden gebracht met PKK, maar dat is een specifieke omstandigheid.’
De door de raadsvrouw geschetste ontwikkeling heeft inmiddels ook geleid tot ontoelaatbaarverklaring van een uitleveringsverzoek.
12.
Na de uitspraak waartegen wordt opgekomen heeft de Rechtbank Gelderland op 23 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3998, een Turks uitleveringsverzoek voor een commuun delict (moord/doodslag op zijn schoonzoon) ontoelaatbaar verklaard. De betrokkene werd wegens foto's en familieleden in verband gebracht met Koerdische organisaties die door Turkije als terroristisch werden aangemerkt. Vervolgens heeft de rechtbank uitvoerig uiteen gezet op welke gronden zij tot de conclusie komt dat de opgeëiste persoon een reëel risico liep op een dreigende flagrante inbreuk op zijn artikel 6 EVRM rechten waar geen effectief rechtsmiddel tegen open staat. Het Openbaar Ministerie is niet in cassatie gegaan tegen deze uitspraak.
13.
In het licht hiervan en gezien hetgeen namens cliënt is aangevoerd kan niet worden gesteld dat de rechtbank niet anders kon dan het verweer verwerpen.
Middel II
Het recht — in het bijzonder art. 12 EUV en art. 18 UW is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de stukken genoegzaam zijn en/of deze bepalingen niet vereisen dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn voor de datum van het uitleveringsverzoek.
1.
Het uitleveringsverzoek dateert van 14 januari 2025 en luidt, voor zover relevant:
‘Information on the indictment:
Chief Public Prosecutor's Office issuing the Arrest Warrant: [naam 1] Chief Public Prosecutor's Office.
Date and Number: The file was sent to our court with the indictment dated 26.01.2014 having docket no: 2014/[001]’
2.
In het pakket dat op 26 maart 2025 (opnieuw) door het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan de officier van justitie werd verzonden, waar dit uitleveringsverzoek onderdeel van is, zat voorts een Arrest Warrant van de [naam 1] Chief Public Prosecutor's Office, welke voor zover relevant luidt:
‘Investigation Number of Chief Public Prosecutor's Office: 2013/[002]
[…]
Apprehension for arrest. It has been ordered to apprehend the accused for arrest due to the reasons mentioned afore. Done on 20.01.2025.’
3.
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het uitleveringsverzoek is namens de opgeëiste persoon ter terechtzitting op 2 april 2025 het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
- ‘19.
Ten eerste het arrest warrant. Artikel 12 EUV vereist dat tot staving van (be supported by in de originele tekst) een uitleveringsverzoek het origineel of een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding wordt overlegd. In het dossier is uitsluitend een arrest warrant opgenomen dat gedateerd is op 20 januari 2025. Het uitleveringsverzoek zelf echter dateert van 14 januari 2025; dit arrestatiebevel kan dan ook niet geacht worden het uitleveringsverzoek te supporten.
- 20.
Daar komt bij dat het thans onmogelijk is vast te stellen of de aanhouding en detentie van cliënt wel rechtmatig was, nu er geen arrestatiebevel is overlegd dat ten grondslag lag aan het Interpol red notice-verzoek. Dit raakt ook de eventuele gevangenhouding die u zou dienen te bevelen.
- 21.
In ieder geval bent u thans niet in staat te oordelen voor welke zaak de uitlevering nu exact wordt verzocht, gezien de verschillende dossiernummers die worden genoemd in het uitleveringsdossier respectievelijk het aanhoudingsbevel en gezien de tegenstrijdigheden tussen het uitleveringsverzoek en het red notice-bevel’.
4.
De Rechtbank heeft het door de verdediging aangevoerde in de bestreden uitspraak als volgt beoordeeld:
‘Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het EUV bepaalt onder meer dat tot staving van (‘be supported by’) het uitleveringsverzoek een bevel tot aanhouding dient te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet vereist dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn voor de datum van het uitleveringsverzoek. Evenmin is vereist dat eerder uitgevaardigde arrestatiebevelen worden overgelegd. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van de UW en artikel 12 van het EUV genoemde stukken gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit afdoende worden opgemaakt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd. Het overleggen van het dossier met de genoemde ‘indictment’ van 26 januari 2014 is niet vereist. Het is voorts niet aan de rechter in deze uitleveringsprocedure om te toetsen of de opeisende staat voldoende bewijs heeft voor de verdenking. Mitsdien is evenmin vereist dat de eerder genoemde ‘minutes’ worden overgelegd. De stukken worden door de rechtbank genoegzaam geoordeeld. De door de verdediging genoemde tegenstrijdigheden en andere opmerkingen doen daar niet aan af.’
5.
Artikel 18 Uw vereist dat het uitleveringsverzoek ‘vergezeld’ wordt door —voor zover hier relevant— een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding. Aangenomen mag worden dat artikel 12 EUV op gelijke wijze moet worden uitgelegd. Dit vereiste kan in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat het arrestatiebevel reeds moest bestaan ten tijde van het uitleveringsverzoek, en dus niet later dan het uitleveringsverzoek kan worden gedateerd.
6.
Daartoe acht ik voorts van belang dat uit artikel 5 en 18 Uw in samenhang gelezen blijkt dat men uitlevering slechts mogelijk wilde laten zijn voor feiten waar daadwerkelijk detentie voor mogelijk is. Zoals in de memorie van toelichting werd overwogen:
‘Uitlevering is als een vorm van rechtshulp te beschouwen, en wel als die welke — naast de executie, op eigen grondgebied, van een buitenlands strafvonnis, — het meest in de sfeer van de persoonlijke vrijheid ingrijpt. Het verlenen van rechtshulp in deze vorm behoort dan ook met bijzondere waarborgen omgeven te blijven. Die waarborgen zullen niet alleen in de regels voor de procedure, maar eveneens in de omschrijving van de voorwaarden voor uitlevering gevonden moeten worden. Als minimum-eis dient in elk geval te worden gesteld, dat de feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering, zowel naar het recht van de verzoekende als naar dat van de aangezochte staat strafbaar zijn. En daar uitlevering in het algemeen een te zwaar middel is voor bagateldelicten, zal voorts in beginsel een bepaald strafniveau te eisen zijn.’
(TK 1964–1965, 8054 nr. 3, p. 11)
7.
Daarbij past niet dat er reeds een uitleveringsverzoek kan worden opgesteld alvorens een rechter of andere bevoegde autoriteit vaststelt dat er voldoende gronden en mogelijkheden voor detentie zijn.
8.
Tot slot is hierbij relevant dat op deze wijze de voorlopige aanhouding onrechtmatig moet worden beschouwd, althans dat deze aanhouding niet op rechtmatigheid te toetsen is; men beschikt immers niet over een ten tijde van die aanhouding geldig arrestatiebevel uit Turkije.
9.
Voorts is het oordeel dat de stukken genoegzaam zijn onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging in het bijzonder is aangevoerd ten aanzien van de discrepanties in onderzoeksnummers tussen het uitleveringsverzoek en de arrest warrant.
Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 7 januari 2025
Mr. T.M.D. Buruma
Bijlage: brief 18 maart 2025
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 07‑01‑2025
Ambtsbericht 2025, p. 39–40
Ik heb de relevante artikelen inclusief een onofficiële vertaling aangehecht, waarbij ik opmerk dat ik de inhoud van artikel 10 heb afgeleid uit de titel waaronder het staat
Deze brief van 18 maart 2025, door de rechtbank in de uitspraak genoemd (p. 2), is voor de zekerheid nogmaals aangehecht zonder bijlagen.