Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/6.2.3.2
6.2.3.2 Huidige kenmerken
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399472:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met het begrip uiteindelijk belang is bedoeld dat door de gehele schakel van vennootschappen moet worden doorgekeken tot uiteindelijk de aandeelhouders-natuurlijke personen (of eventueel stichting). Zie ook onderdeel 2.4 van het besluit 25 februari 2015, nr. BLKB2015/211M, V-N 2015/20.16.
Zie hieromtrent ook HR 22 september 2006, nr. 42444, BNB 2007/27, waarin de Hoge Raad het begrip “uiteindelijk belang van een rechtspersoon” interpreteert als de laatste rechtspersoon aan de top van een keten rechtspersonen.
Besluit 25 februari 2015, nr. BLKB2015/211M, V-N 2015/20.16.
Een opmerkelijk punt uit het besluit betreft onderdeel 2.5. Is art. 20a Wet VPB 1969 van toepassing op een aangekochte “stille (negatieve) reserve” vennootschap waarvan de activa na de aandelenoverdracht worden verkocht met verlies? De staatssecretaris is van mening dat latente verliezen en winsten ook onder art. 20a vallen. Hij leidt dit af uit de jurisprudentie die is gewezen onder het art. 20 lid 5 besluit. Puur vanuit de ratio van de regeling zou het mijns inziens wenselijk zijn dat ook de handel in stille (negatieve) reserve vennootschappen wordt voorkomen. De wettekst (art. 20a lid 1) heeft het echter duidelijk over “geleden verliezen” en “genoten winsten”. Zie onder andere de volgende publicaties die nader op dit punt ingaan: D.R. Post, Het kan wel, maar we doen het niet, NTFR 2017/1617 en R. de Smit, Maakt de Hoge Raad handel in latente winstvennootschappen mogelijk, NTFR 2017/1298.
De huidige regeling ter voorkoming van handel in verlieslichamen is opgenomen in art. 20a Wet VPB 1969. De hoofdregel is dat alle verliezen van een vennootschap geleden tot aan de aandeelhouderswijziging niet meer verrekenbaar zijn, indien het uiteindelijke belang in belangrijke mate (ten minste 30%) is gewijzigd.1 De uitzonderingen, waardoor verliezen toch (deels) verrekenbaar zijn, zijn als volgt:
De aandeelhouderswijziging vloeit voor uit een overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht (lid 2a);
Een grootaandeelhouder (ten minste een derde belang) breidt zijn belang in de vennootschap uit (lid 2b)2;
De belastingplichtige is niet bekend of had niet bekend kunnen zijn met het feit dat het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd (lid 3; dit speelt bij beursvennootschappen);
De bezittingen van belastingplichtige bestaan gedurende ten minste 9 maanden van het betreffende jaar, niet grotendeels (meer dan 50%) uit beleggingen (lid 4a, beleggingstoets);
De werkzaamheden van belastingplichtige zijn ten opzichte van het oudste verliesjaar niet met meer dan 70% afgenomen (lid 4b, inkrimpingstoets)
Voor zover winsten en inkomens zijn toe te rekenen aan werkzaamheden die reeds aanwezig waren direct voorafgaande aan de aandeelhouderwijziging kunnen de verliezen verrekend worden (lid 11);
Voor zover er stille reserve zijn kunnen de verliezen verrekend worden (lid 12, herwaarderingsmogelijkheid bezittingen naar de waarde in het economische verkeer).
Voor de praktijk is onder meer het besluit3 over art. 20a Wet VPB 1969 van belang, waarin diverse standpunten van de staatssecretaris omtrent deze bepaling zijn opgenomen.4