NJ 2026/83
Procesrecht. Verzettermijn (art. 143 lid 3 Rv jo. art. 144 onder b Rv); art. 6 EVRM; (lengte van) nadere termijn.
HR 30-08-2024, ECLI:NL:HR:2024:1103, m.nt. A.I.M. van Mierlo
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 augustus 2024
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink, K. Teuben
- Zaaknummer
23/00877
- Conclusie
A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent
- Noot
A.I.M. van Mierlo
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD48793:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1103, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑08‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:99, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑01‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑03‑2023
- Wetingang
Samenvatting
Toepassing van art. 143 lid 3 Rv in verbinding met art. 144 Rv leidt ertoe dat de verzettermijn aanvangt op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. In de rechtspraak is de regel ontwikkeld dat onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn in art. 143 Rv onder omstandigheden achterwege moet blijven indien die toepassing tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.