Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/8.4
8.4 De verweerder (of één der partijen?) dient zijn (haar) woonplaats op het grondgebied van een EG of verdragsluitende staat te hebben
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS413201:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Boer, Tacit Submission, p. 31 verschaft een overzicht van de zienswijzen in de doctrine over de vraag of een verweerder woonplaats in een EG c.q. verdragsluitende staat dient te hebben.
Balk, Forumkeuze, p. 24; Droz, Compétence Judiciaire, p. 138; Gothot/Holleaux, La Convention, p. 111, nr. 190; Holleaux/Foyer/Geouffre de la Pradelle, Dip., p. 389, nr. 837; Gothot/Holleaux, Clunet 1971, p. 765; Ras TvP 1975, p. 897; AG Haak voor HR 16 januari 1981, NJ 1981, 663, p. 2221; Haak, Rechtspraak overzicht internationaal privaatrecht 1980-1986, WPNR 5894 (1988), p. 644; Penis, Internationaal procesrecht, p. 142; Polak 2005, (T&C Rv), art. 9 Rv, aant. 2; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-508-512; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 104; De Boer, Tacit Submission, p. 45 onderbouwt zijn standpunt zeer grondig en gedetailleerd; Schultsz, NJ 1981, 223, p. 751; Rb. Rotterdam 14 september 2000, NIPR 2001, 57.
Zie hierover De Boer, Tacit submission, p. 36 en vorige par. sub (ii).
De Boer, Tacit submission, p. 41.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412/98, Group Josi/UGIC, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412/98, Group Josi/UGIC, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597,.r.o.44 en 45.
Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 119.
Rb. Rotterdam 14 september 2000, NIPR 2001, 57.
Vgl. De Boer, Tacit submission, p. 41.
Voor verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten is een forumkeuze achteraf ook steeds toegestaan, zie art. 13 EEX-V°/12 Verdrag (verzekeringsovereenkomsten), 17 EEX-V°/15 Verdrag (consumentenovereenkomsten) en 21 EEX-V°/17 lid 5 Verdrag (arbeidsovereenkomsten).
Bij eerste lezing lijkt art. 24 EEX-V°/18 Verdrag geen andere vereisten te kennen dan in de vorige paragraaf is besproken. Met name stelt art. 24 EEX-V°/18 Verdrag geen (uitdrukkelijk) woonplaatsvereiste in tegenstelling tot bijv. de art. 2, 5, 6 en 23/17 EEX-V°Nerdrag. Hebben de opstellers van de verordening respectievelijk het verdrag bewust het toepassingsbereik in dit opzicht niet willen beperken of geldt een woon-plaatsvereiste als ongeschreven voorwaarde voor het formele toepassingsbereik?1
Art. 24 EEX-V°/18 Verdrag is naar mijn mening van toepassing ongeacht woonplaats van partijen.2 De keuze voor deze visie is allereerst ingegeven door de tekst van art. 24 EEX-V°/18 EEX die geen woonplaatsvereiste stelt. Mijns inziens dienen zwaarwegende argumenten te bestaan om zo'n ongeschreven voorwaarde toch te stellen en die zijn er gelet op het bovenstaande niet.3 Hoewel De Boer het een onbevredigend argument vindt,4 zou een uitgangspunt moeten zijn dat in een regel van bevoegdheidsrecht geen ongeschreven toepassingsvoorwaarden moeten worden gelezen. Uitzonderingen zoals kennelijke omissies, gewijzigde rechtsopvattingen, etc. doen zich in casu niet voor.
Het Hof van Justitie lijkt evenmin een woonplaatsvereiste te stellen. Ik leid dat af uit het arrest Group Josi/UGIC.5 Over art. 18 EEX — hoewel niet in geschil in de procedure — overweegt het Hof van Justitie:
`Wel is het zo, dat krachtens art. 18 van het Executieverdrag de vrijwillige verschijning van de verweerder de bevoegdheid meebrengt van de rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat waarbij de verzoeker de zaak aanhangig heeft gemaakt, zonder dat de woonplaats van de verweerder daarbij relevant is. (cursivering PK)
Doch hoewel de aangezochte rechterlijke instantie een instantie van een verdragsluitende staat moet zijn, vereist deze bepaling evenmin, dat de verzoeker woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat.'6
De enige voorwaarde is derhalve dat de aangezochte rechter een gerecht van een EG-lidstaat c.q. verdragsluitende staat is. Art. 24 EEX-V°/18 Verdrag vereist niet dat één der partijen woonplaats heeft op het grondgebied van een EG respectievelijk verdragsluitende staat.7 Deze overwegingen, die niet rechtstreeks over het geschil gingen (verweerder was niet vrijwillig verschenen en art. 24 EEX-V°/18 Verdrag was dus niet aan de orde), geven niettemin voor beide scenario's het standpunt van het Hof van Justitie weer. De eiser (r.o. 45) noch de verweerder (r.o. 44) behoeven woonplaats in een EG-lidstaat respectievelijk verdragsluitende staat te hebben.
Een gevolg van de afwezigheid van een woonplaatsvereiste is dat partijen zonder woonplaats in een EG-lidstaat c.q. verdragsluitende staat op grond van art. 24 EEX-V°/ 18 Verdrag een bevoegde rechter in de EG lidstaten respectievelijk verdragsluitende staten kunnen vinden.8 Bij een forumkeuze ex art. 23 EEX-V°/17 Verdrag kan dat niet.9 Waarom kunnen partijen door stilzwijgende forumkeuze op grond van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag bevoegdheid vestigen van een gerecht van een EG-lidstaat respectievelijk verdragsluitende staat, terwijl dat krachtens art. 23 EEX-V°/17 Verdrag niet mogelijk is. De reden hiervoor is mijns inziens dat de procespartijen — in tegenstelling tot art. 23 EEX-V°/17 Verdrag — ongeacht hun sterke of zwakke positie10 wilsovereenstemming hebben bereikt over het bevoegde gerecht voor beslechting van hun geschil, nadat het geschil is ontstaan. De internationale bevoegdheid is na het ontstaan van het geschil bijna altijd een onderwerp van belang. Ondanks hun conflict bereiken zij toch overeenstemming. Een partij die het met haar wederpartij eens wordt (en geen van beide kan de ander dwingen!), kan gebruik maken van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag. Het biedt een goede mogelijkheid aan partijen om met het kiezen van een gerecht te wachten tot het moment dat moet worden geprocedeerd (althans daarmee een begin is gemaakt). Dan kan rekening worden gehouden met de meest actuele omstandigheden en ieder der partijen heeft een vetorecht in de onderhandelingen over de bevoegde rechter. Op dat moment kunnen partijen in vrijheid een gerecht kiezen dat zij geschikt achten. In dit opzicht kan art. 24 EEX-V°/18 Verdrag vergeleken worden met partijen die een bindend adviseur of arbiter benaderen voor beslechting van hun geschil. Er bestaat ten tijde van het conflict een gemeenschappelijke wil tot het voeren van een procedure voor een bepaald gerecht, hoewel zij geen bindend advies of arbitrage zijn overeengekomen.
Redenen genoeg derhalve om partijen die het na het ontstaan van het geschil eens zijn bij het begin van een procedure, soepeler te behandelen dan partijen die lang voor het begin van een procedure en het ontstaan van een geschil een forumkeuze zijn overeengekomen. Aan een mogelijke procedure zal in het laatste geval vaak niet zijn gedacht.