AB 2017/430
Uitspraak Grote Kamer van het College na conclusie van Raadsheer A-G over una via in boetezaken. Relativiteitsvereiste. Bewijslastverdeling. Cautie. Bestuurlijke lus.
CBb 26-10-2017, ECLI:NL:CBB:2017:343, m.nt. R. Stijnen
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
26 oktober 2017
- Magistraten
Mrs. R.R. Winter, H.L. van der Beek, C.M. Wolters, H.G. Rottier, C.J. Borman
- Zaaknummer
15/246
- Noot
R. Stijnen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS927833:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:CBB:2018:290, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19‑06‑2018
ECLI:NL:CBB:2017:343, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26‑10‑2017
ECLI:NL:CBB:2017:130, Conclusie, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08‑05‑2017
- Wetingang
Art. 6 EVRM; art. 47, 48 EU-Handvest; art. 5:10a, 5:44, 8:69a Awb; art. 14 Msw
Essentie
Uitspraak Grote Kamer van het College na conclusie van Raadsheer A-G over una via in boetezaken. Relativiteitsvereiste. Bewijslastverdeling. Cautie. Bestuurlijke lus.
Samenvatting
Zoals de raadsheer advocaat-generaal onder 5 in zijn conclusie heeft uiteengezet — welke uiteenzetting het College volgt — doet de geschiedenis van de totstandkoming van art. 5:44 Awb zien dat de regeling van het tweede en derde lid van dat artikel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van de (mogelijke) overtreder. Datzelfde geldt, naar uit voormelde conclusie evenzeer kan worden afgeleid, ook met betrekking tot art. 55 Msw, bezien in het licht ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.