type: 128coll: 2294
Rb. Rotterdam, 06-09-2017, nr. C/10/522246 / HA ZA 17-233
ECLI:NL:RBROT:2017:6670
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
06-09-2017
- Zaaknummer
C/10/522246 / HA ZA 17-233
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2017:6670, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 06‑09‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2017:4701, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 19‑04‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 06‑09‑2017
Inhoudsindicatie
Beding tot vergoeding bij verbreking samenwoning nietig wegens strijdigheid met de goede zeden.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/522246 / HA ZA 17-233
Vonnis van 6 september 2017
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. H.J. van Smaalen te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. A. Bouwmeester te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis van 19 april 2017, waarbij in het incident de vordering is afgewezen en in de hoofdzaak de zaak is verwezen naar de rolrechter en iedere nadere beslissing is aangehouden;
- -
de brief van 7 juni 2017 waarbij de comparitie is bepaald;
- -
de akte aanvulling van eis met producties;
- -
de brief van 4 juli 2017 met producties;
- -
de akte bezwaar/verzet vermeerdering eis met producties;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 5 juli 2017;
- -
het bericht van mr. H.J. van Smaalen van 19 juli 2017 inhoudende dat partijen niet tot een schikking hebben kunnen komen.
1.2.
Ten slotte is vonnis in de hoofdzaak bepaald.
2. De feiten
2.1.
Partijen hebben in Nederland samengewoond op basis van een affectieve relatie. 2.2. Aan [eiser] is op 21 maart 2011 een verblijfsvergunning voor samenwonen met [gedaagde] verleend, die al vanaf haar tiende jaar legaal in Nederland woont. [eiser] werkt in de horeca. [gedaagde] ontvangt een Wajong-uitkering.
2.3.
Partijen hebben een notarieel verleden samenlevingscontract (hierna: het samenlevingscontract) gesloten op 16 augustus 2011. In deze overeenkomst staat onder meer:
- in de “Verklaringen vooraf”:
“[…] Zij zijn op 8 maart 2010 te Rotterdam gaan samenwonen en voeren sinds dat tijdstip een gemeenschappelijke huishouding.”
-in artikel 3 van hoofdstuk 3:
“Vergoeding […]
Bij verbreking van de samenwoning anders dan door overlijden, huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen partijen, zal:
1. partij [eiser] voor ieder jaar dat de samenwoning tussen partijen heeft geduurd aan partij [gedaagde] vergoeden een bedrag van twaalf duizend euro (€ 12.000,00) per jaar, een gedeelte van een jaar naar evenredigheid berekend;
[…]”
-op bladzijde 6:
“Slotverklaringen
[…]
De partners zijn ermee bekend dat het samenlevingscontract kan worden gewijzigd maar dat zij daar dan overeenstemming over moeten hebben.
[…]
Tolk
Mede verscheen voor mij, notaris, mevrouw [notaris] , […] die verklaarde deze akte en de mondelinge toelichting van mij, notaris, te hebben vertaald in de Chinese taal (Mandarijn), zodat de comparanten sub 1 en 2 voornoemd, voldoende kennis hebben kunnen nemen van de inhoud en de strekking van deze akte.
[…] Slot
De verschenen personen zijn mij, notaris, bekend en de identiteit van de bij deze akte betrokken personen is door mij, notaris, vastgesteld aan de hand van de hiervoor vermelde documenten.
De inhoud van de akte is aan hen opgegeven en toegelicht. De verschenen personen hebben verklaard op volledige voorlezing van de akte geen prijs te stellen, tijdig voor het verlijden van de inhoud van de akte te hebben kennisgenomen en met de inhoud in te stemmen.
Onmiddellijk daarna is de akte beperkt voorgelezen en door de verschenen personen en mij, notaris, ondertekend.”
2.4.
De affectieve relatie en de samenwoning van partijen zijn aanvang 2016 ten einde gekomen.
2.5.
[eiser] en [gedaagde] zijn thans respectievelijk 46 en 38 jaar oud.
2.6.
[gedaagde] heeft een grosse van de notariële samenlevingsovereenkomst aan [eiser] doen betekenen bij exploot gedateerd “oktober 2016.” In dit exploot doet [gedaagde] [eiser] aanzeggen om een bedrag van € 74.330.- aan “hoofdsom conform hoofdstuk 3 artikel 3”, vermeerderd met € 92,48 aan explootkosten binnen twee dagen aan [gedaagde] te betalen.
3. Het geschil in de hoofdzaak
3.1.
[eiser] vordert: primair te verklaren voor recht dat het beding in lid 1 van artikel 3 van hoofdstuk 3 (hierna: het vergoedingsbeding) van het samenlevingscontract nietig is, subsidiair het vergoedingsbeding te vernietigen, meer subsidiair te bepalen dat het alimentatiebeding uit het samenlevingscontract (a) wordt ingetrokken of (b) gewijzigd in die zin dat de door [eiser] aan [gedaagde] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud wordt gewijzigd van € 12.000,- per jaar tot nihil per maand. Voorts vordert [eiser] : te verklaren dat het op 1 februari 2017 ten laste van [eiser] gelegde executoriaal beslag op zijn ING bankrekening met nummer [rekeningnummer] onrechtmatig is gelegd, [gedaagde] te veroordelen om alle schade die [eiser] ten gevolge van het onrechtmatig beslag heeft geleden aan hem te vergoeden, te verklaren voor recht dat voor zover er nog andere belagen gelegd zijn op basis van het in executoriale vorm uitgegeven samenlevingscontract, deze onrechtmatig zijn gelegd, [gedaagde] te veroordelen om alle schade die [eiser] ten gevolge van de onrechtmatige beslagen heeft geleden aan hem te vergoeden en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
[eiser] voert aan dat het vergoedingsbeding door inhoud en strekking onzedelijk is en daarmee nietig op grond van artikel 3:40 BW. Aan [eiser] wordt een soort in tijd oplopende boete opgelegd bij beëindiging van de samenwoning. Dit ongeacht wie de samenwoning beëindigt en ongeacht de behoefte van [gedaagde] en de draagkracht van [eiser] . Subsidiair voert [eiser] aan dat het vergoedingsbeding dient te worden vernietigd op grond van artikel 3:44 BW wegens misbruik van omstandigheden. [eiser] was ten tijde van het sluiten van het samenlevingscontract de Nederlandse taal niet machtig, laat staan dat hij kennis droeg van juridische bepalingen. Hij behoefde er niet bedacht op te zijn dat het “boetebeding” werd opgenomen. Meer subsidiair stelt [eiser] dat, voor het geval het vergoedingsbeding dient te worden gezien als een alimentatieregeling, het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ten tijde van het sluiten van het samenlevingscontract bedroeg het gemiddelde inkomen van [eiser] netto € 575,-. [eiser] heeft een loonstrook van november 2011 overgelegd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat partijen duidelijke en concrete financiële afspraken met elkaar hebben gemaakt hetgeen valt onder de contractsvrijheid van samenwonende meerderjarigen. Partijen wisten bij ondertekening van de akte waar zij aan toe waren. Een tolk Chinees heeft de akte vertaald. Voorts was het concept-samenlevingscontract in het Chinees vertaald en aan [eiser] ter lezing gegeven. Partijen hebben een vergoedingsafspraak willen vastleggen die niet gekoppeld is aan de in artikel 1:157 BW ontwikkelde normen aangaande een uitkering tot levensonderhoud. De gemaakte afspraak is niet onzedelijk. De rechtsgevolgen zijn naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid geenszins onaanvaardbaar. Partijen zijn er door de notaris op gewezen dat de afspraken konden worden gewijzigd. Dat [eiser] dit heeft nagelaten dient voor zijn eigen rekening en risico te blijven. [eiser] heeft een aanzienlijk hoger inkomen dan hij stelt.
4. De beoordeling in de hoofdzaak
4.1.
De strekking van het vergoedingsbeding is ongeoorloofd, nu [gedaagde] daarmee heeft beoogd dat [eiser] de samenwoning nimmer zou kunnen verbreken gelet op de hoogte van het door hem te betalen bedrag. Ter comparitie heeft [gedaagde] immers verklaard (in de bewoordingen van het proces-verbaal):
“ [eiser] heeft veel dingen aan mij beloofd. Daarom wilde ik hem helpen om een legale status te verkrijgen. Ikzelf verblijf al sinds mijn tiende jaar legaal in Nederland. Vanwege ons samenwonen kreeg hij een verblijfsvergunning voor een jaar. Dat was in maart 2011. [eiser] gaf aan absoluut niet met mij te willen trouwen. Hij wilde het eerst nog aankijken. Ik wilde toen graag naar de notaris om een samenlevingscontract te sluiten met [eiser] , zodat hij niet zomaar de relatie kon beëindigen en weg kon gaan wanneer hij na vijf jaar zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zou hebben. Ik wilde eigenlijk dat [eiser] voor altijd bij mij zou blijven. Voor later als ik verzorging behoef. Daarom heb ik de akte zo opgesteld. Omdat het bedrag dat in het beding was vermeld zo hoog was, zou [eiser] dit bedrag nooit kunnen betalen en altijd bij mij blijven. Dat was de strekking van het beding.”
De hier aan [eiser] opgelegde verplichting komt in strijd met de vrijheid van [eiser] om naar eigen inzicht te beslissen omtrent het samenwonen met [gedaagde] . Het geldelijk nadeel voor [eiser] dat als sanctie is gesteld bij verbreking van de samenwoning is in strijd met de goede zeden, omdat het ten gevolg heeft dat [eiser] hierdoor kan worden geleid bij het nemen van de beslissing, die in volle vrijheid behoort te worden genomen.
Gesteld en onvoldoende betwist is dat [eiser] ’s inkomen ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst niet hoog was. Het was dan ook te voorzien dat [eiser] de bedongen geldsom bij verbreking van de samenwoning nooit zou kunnen betalen. [gedaagde] was daarmee bekend gelet op haar verklaring ter comparitie.
De contractsvrijheid van partijen vindt haar begrenzing in de wet, in het onderhavige geval wegens strijd met de goede zeden.
4.2.
Het vergoedingsbeding is derhalve nietig op grond van artikel 3:40 BW.
De primaire vordering van [eiser] zal worden toegewezen, evenals de vorderingen in verband met het beslag/de beslagen.
4.3.
Gelet op de gewezen samenwoningsrelatie tussen partijen zullen de proceskosten in de hoofdzaak tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
5.1
verklaart voor recht dat het beding in lid 1 van artikel 3 van hoofdstuk 3 (“het vergoedingsbeding”) van het samenlevingscontract nietig is,
5.2
verklaart dat het op 1 februari 2017 ten laste van [eiser] gelegde executoriaal beslag op zijn bankrekening bij de ING Bank N.V. met rekeningnummer [rekeningnummer] onrechtmatig is gelegd en veroordeelt [gedaagde] om alle schade die [eiser] ten gevolge van het onrechtmatig beslag heeft geleden aan hem te vergoeden,
5.3
verklaart voor recht dat voor zover er nog andere beslagen gelegd zijn op basis van het beding in lid 1 van artikel 3 van hoofdstuk 3 (“het vergoedingsbeding”) van het samenlevingscontract, deze onrechtmatig zijn gelegd en veroordeelt [gedaagde] om alle schade die [eiser] ten gevolge van de onrechtmatige beslagen heeft geleden aan hem te vergoeden,
5.4
compenseert de kosten van de procedure in de hoofdzaak tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.L. Tan en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑09‑2017
Uitspraak 19‑04‑2017
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening ex art. 223 lid 1 Rv. Vrouw treft executiemaatregelen ten laste van de man op basis van notariële samenlevingsovereenkomst, ter incassering van een in deze akte overeengekomen contractuele partneralimentatie na verbreking affectieve relatie. Geen staking executie. Onvoldoende aannemelijk dat man niet gebonden is aan deze overeenkomst.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/522246 / HA ZA 17-233
Vonnis in incident van 19 april 2017
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. H.J. van Smaalen te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. A. Bouwmeester te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening,
- -
de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens conclusie van antwoord op de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening,
- -
de overgelegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
2.1.
Partijen hebben in Nederland samengewoond op basis van een affectieve relatie. Partijen hebben een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst gesloten op 16 augustus 2011. In deze overeenkomst staat onder meer:
- in de “Verklaringen vooraf”:
“[…] Zij zijn op 8 maart 2010 te Rotterdam gaan samenwonen en voeren sinds dat tijdstip een gemeenschappelijke huishouding.”
-in artikel 3 van hoofdstuk 3:
“Vergoeding/geldlening
Bij verbreking van de samenwoning anders dan door overlijden, huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen partijen, zal:
1. partij [eiser] sub 2 voor ieder jaar dat de samenwoning tussen partijen heeft geduurd aan partij [gedaagde] vergoeden een bedrag van twaalf duizend euro (€ 12.000,00) per jaar, een gedeelte van een jaar naar evenredigheid berekend;
2. de geldlening die partij [eiser] ontvangen heeft van de tante van mevrouw [gedaagde] op acht maart tweeduizend tien, ad vijf en tachtig duizend euro (€ 85.000,00) direct opeisbaar zijn en door partij [eiser] moeten worden terugbetaald met een rente van acht procent (8%) per jaar. Deze geldlening is zonder verdere omschrijving voldoende aan partijen bekend.”
-op bladzijde 6:
[…]
“Tolk
Mede verscheen voor mij, notaris, mevrouw [notaris] , wonende te […], geboren te […] op […], ongehuwd, houdster van het Nederlands paspoort nummer […]. afgegeven te […] op […], die verklaarde deze akte en de mondelinge toelichting van mij, notaris, te hebben vertaald in de Chinese taal (Mandarijn), zodat de comparanten sub 1 en 2 voornoemd, voldoende kennis hebben kunnen
nemen van de inhoud en de strekking van deze akte.”
[…]
“De verschenen personen zijn mij, notaris, bekend en de identiteit van de bij deze akte betrokken personen is door mij, notaris, vastgesteld aan de hand van de hiervoor vermelde documenten.
De inhoud van de akte is aan hen opgegeven en toegelicht. De verschenen personen hebben verklaard op volledige voorlezing van de akte geen prijs te stellen, tijdig voor het verlijden van de inhoud van de akte te hebben kennisgenomen en met de inhoud in te stemmen.
Onmiddellijk daarna is de akte beperkt voorgelezen en door de verschenen personen en mij, notaris, ondertekend.”
2.2.
De affectieve relatie en de samenwoning van partijen zijn aanvang 2016 ten einde gekomen.
2.3.
De vrouw heeft een grosse van de notariële samenlevingsovereenkomst aan de man doen betekenen bij exploot gedateerd “oktober 2016.” In dit exploot doet de vrouw de man aanzeggen om een bedrag van € 74.330.- aan “hoofdsom conform hoofdstuk 3 artikel 3”, vermeerderd met € 92,48 aan explootkosten binnen twee dagen aan de vrouw te betalen.
2.4.
De vrouw heeft ten laste van de man executoriaal derdenbeslag doen leggen op een bankrekening van de man. Daarnaast heeft de vrouw aan de man en aan diens werkgever informatie opgevraagd over het inkomen van de man.
3. De vordering in het incident
3.1.
De man vordert in het incident, samengevat:
- schorsing van de executiemaatregelen die de vrouw treft uit hoofde van de notariële samenlevingsovereenkomst,
- met opheffing van de executoriale beslagen die de vrouw heeft gelegd op de bankrekening en op eventuele andere goederen van de man,
- met een verbod aan de vrouw om opnieuw executiemaatregelen te treffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
-althans een beslissing in goede justitie.
De man stelt daartoe, samengevat, het volgende.
3.2.
De notariële samenlevingsovereenkomst is ongeldig althans nietig. Executiemaatregelen die worden getroffen uit hoofde van deze akte zijn dan ook ongeoorloofd. De man heeft niet tijdig kennis kunnen nemen van de inhoud van het samenlevingscontract. De man sprak geen Nederlands toen de akte werd verleden door de notaris. De notaris heeft de man geen enkele uitleg over de inhoud van het contract gegeven, met name niet over artikel 3 van hoofdstuk 3. De advocaat van de man heeft onlangs contact gezocht met de tolk Chinees die aanwezig was toen de samenlevingsovereenkomst notarieel werd verleden. Die tolk heeft laten weten dat de tekst wel is voorgedragen door de notaris en vervolgens door haar, de tolk, is vertaald, maar niet meer dan dat. De man kan zich niet herinneren dat de bepalingen van artikel 3 van hoofdstuk 3 zijn voorgelezen/vertaald. De aanwezige tolk was een tolk Mandarijn. De man is afkomstig uit de provincie Zhejiang in China alwaar een eigen dialect wordt gesproken. De man kan de taal Mandarijn alleen volgen als er heel langzaam wordt gesproken. De man is pas medio juli 2016 bekend geworden met de inhoud van de akte. De man stelt dat hij pas net in Nederland verbleef toen hij de notariële samenlevingsovereenkomst sloot (op 16 augustus 2011) en dat dus onjuist is de vermelding in de akte dat partijen (al) op 8 maart 2010 zijn gaan samenwonen.
De man stelt dat het onzedelijk is om af te spreken dat een boete verschuldigd wordt vanwege het beëindigen van een affectieve relatie en dat daarom sprake is van strijd met de openbare orde en/ of de goede zeden. De man betwist dat hij een lening heeft afgesloten bij de tante van de vrouw.
4. Het verweer in het incident
4.1.
De vrouw voert verweer in het incident. Dit verweer zal, zo nodig, in de beoordeling worden betrokken.
5. De beoordeling in het incident
5.1.
Toewijzing van een voorlopige voorziening zoals gevraagd is alleen mogelijk wanneer zij gericht is op een voorziening die voor de duur van het geding kan worden gegeven.
5.2.
Opheffing van een executoriaal beslag is geen voorlopige maatregel voor de duur van het geding maar een definitieve maatregel. De rechtbank zal dit deel van de provisionele vordering afwijzen. Beoordeeld zal slechts worden of de executiemaatregelen geschorst en/ of verboden moeten worden.
5.3.
De rechtbank begrijpt (vooralsnog) dat de door de vrouw getroffen executiemaatregelen hun grondslag vinden in lid 1 van artikel 3, hoofdstuk 3, van de akte
(€ 12.000,- per jaar voor elk jaar van samenwoning van partijen) en niet in lid 2 van dit artikel (de gestelde lening van € 85.000,- van de tante van de vrouw aan de man). De vrouw vordert immers circa € 73.000,- van de man en dat is minder dan deze € 85.000,-. De circa
€ 73.000,- correspondeert bovendien met circa 6 jaar samenwonen ad € 12.000,- per jaar, welk bedrag volgens de akte voor gebroken jaren naar rato moet worden berekend.
Aldus is thans niet in geding de vraag of de notariële akte een executoriale titel oplevert ten gunste van de tante van de vrouw, beoordeeld in het licht van de omstandigheid dat deze tante geen partij is bij de notariële samenlevingsovereenkomst.
5.4.
Dat beperkt het geding tot de vraag of de vrouw veroordeeld kan worden om haar executiemaatregelen ter zake van de overeengekomen € 12.000,- per jaar te staken. De rechtbank ziet geen reden om een zodanige voorlopige voorziening te treffen. Daarbij is het volgende van belang.
5.5.
De vrouw beschikt over een executoriale titel in de vorm van de notariële samenlevingsovereenkomst. Dit betekent dat de vrouw in beginsel het recht heeft om, buiten de rechter om, executiemaatregelen te treffen ter incassering van haar vordering.
5.6.
Indien de vrouw misbruik zou maken van haar bevoegdheid om deze executiemaatregelen te treffen, dan zou dat tot een ander oordeel kunnen nopen. Het is echter niet aannemelijk dat van een dergelijk misbruik sprake is. De man stelt dat het onzedelijk is om een boete af te spreken bij beëindiging van een affectieve relatie. Gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw gaat de rechtbank er vooralsnog van uit dat het hier niet gaat om een dergelijk boetebeding, maar (slechts) om een contractuele partneralimentatieplicht. De vrouw heeft in dit verband aangevoerd:
- de vrouw is gehandicapt, zij ontvangt een Wajong-uitkering en woont samen met haar zoon van 16,
- de vrouw wilde meteen met de man trouwen maar de man wilde dit niet, in ieder geval niet de eerste jaren,
- partijen hebben elkaar toen gevonden in een compromis, door af te spreken dat partijen tijdens hun samenwoning hun financiële onafhankelijkheid behielden en waarbij de man de vrouw een vergoeding zou betalen in het geval de samenleving zou worden verbroken.
Dit gemotiveerde verweer komt op voorhand niet onaannemelijk voor.
De rechtbank acht een alimentatieovereenkomst tussen meerderjarige personen die ongehuwd/ ongeregistreerd gaan samenwonen niet strijdig met de openbare orde of de goede zeden (vgl. rechtbank Rotterdam 23 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2678).
5.7.
Als juist is de stelling van de man dat hij de inhoud van de notariële akte niet kende/ begreep toen hij deze ondertekende, dan wil dat niet zonder meer zeggen dat de vrouw geen rechten aan deze akte kan ontlenen. Ingevolge artikel 3:35 BW kan tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.
5.8.
Bovendien is vooralsnog te onzeker of juist is de stelling van de man dat hij de inhoud van de akte toen niet kende. De rechtbank stelt vast dat een tolk Mandarijn aanwezig was en dat met die tolk recentelijk nog contact is gezocht door de advocaat van de man. Het ligt in de rede dat de tolk niet jegens deze advocaat heeft gezegd/ bevestigd dat de man bij de notaris niet heeft begrepen wat de tolk vertaalde aan de man, want anders zou dit man dit nu wel stellen. Bovendien staat in de akte dat de notaris de inhoud van de akte aan partijen heeft opgegeven en toegelicht en dat partijen verklaard hebben dat zij tijdig voor het verlijden van de inhoud kennis hebben genomen van de inhoud en daarmee in te stemmen.
5.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het incident draagt.
6. De beoordeling in de hoofdzaak
6.1.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor beraad van de rolrechter of een comparitie van partijen zal worden gelast.
7. De beslissing
De rechtbank
in het incident
7.1.
wijst het gevorderde af,
7.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
7.3.
verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting van 3 mei 2017 voor beraad van de rolrechter over de vraag of een comparitie van partijen zal worden gelast,
7.4.
houdt iedere nadere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.
2517/2504