Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/14.1:14.1 Inleiding
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/14.1
14.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS484831:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het huidige Burgerlijk Wetboek is getracht de terminologie op een meer consistente wijze te gebruiken dan in het oude Burgerlijk Wetboek gebruikelijk was. Het lijkt dan ook voor de hand te liggen dat met de term ‘onroerende zaak’ in art. 5:60 wordt bedoeld een onroerende zaak als omschreven in art. 3:3 gelezen in verband met art. 3:4. Wijting is het hiermee niet eens. Hij is van mening dat werken en gebouwen los van de ondergrond mandelig kunnen zijn. Ziehier een probleem dat hierna besproken moet worden.
Door Smalbraak is gesteld dat de grond zou kunnen worden gesplitst in een onderlaag en een bovenlaag. Deze bovenlaag zou dan mandelig gemaakt kunnen worden.1
Dit probleem is reeds aan de orde gekomen in hoofdstuk 2.
De afbakening van de ene onroerende zaak ten opzichte van de andere – afbakening in het platte vlak derhalve – is eveneens behandeld in hoofdstuk 2.
Wel komt hier aan de orde de vraag of beperkte rechten en appartementsrechten als onroerende zaak in de zin van art. 5:60 kunnen worden aangemerkt.
Uit de omschrijving van art. 5:60 wordt duidelijk dat mandeligheid ten aanzien van roerende zaken niet mogelijk is.
Het onderscheid roerend – onroerend is derhalve voor ons onderwerp van veel belang. Reden om hierna allereerst bij dit onderscheid stil te staan. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de theorie, de thans aanhangige discussies en aanwezige problematieken.2 Aan de hand van jurisprudentie zal aansluiting bij de huidige praktijk worden gezocht.