Zie over art. 403 (oud) Sv (zoals dat luidde tot 31 mei 2000): G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2005, vijfde druk, p. 737; A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, deel II, 1925, p. 340; en H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep, 1983, p. 108 e.v.
HR, 11-05-2010, nr. 09/02637 A
ECLI:NL:HR:2010:BL9128
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
11-05-2010
- Zaaknummer
09/02637 A
- Conclusie
Mr. Hofstee
- LJN
BL9128
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL9128, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑05‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL9128
ECLI:NL:PHR:2010:BL9128, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑03‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL9128
- Vindplaatsen
Uitspraak 11‑05‑2010
Inhoudsindicatie
Antilliaanse zaak. Art. 433.1 SvNA. Verzet. Het middel faalt reeds omdat het niet inhoudt dat en waarom verdachte door ‘s Hofs handelswijze in enig belang is getroffen.
11 mei 2010
Strafkamer
nr. 09/02637 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 4 juni 2009, nummer H 57/09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende op [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof het bestreden vonnis in strijd met art. 433, eerste lid, SvNA mede heeft gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg waar de zaak bij verstek is behandeld.
2.2. Voor de procesgang verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.
2.3. Het middel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het niet inhoudt dat en waarom de verdachte door 's Hofs handelwijze in enig belang is getroffen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 mei 2010.
Conclusie 23‑03‑2010
Mr. Hofstee
Partij(en)
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1.
Verzoeker is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (verder te noemen: het Hof) wegens ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder A van de Opiumlandsverordening 1960’ veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk.
2.
Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het vonnis mede naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 november 2008 heeft gewezen.
4.
In cassatie kan van de volgende gang van zaken worden uitgegaan. Tegen verzoeker is ter terechtzitting van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen (voortaan: het GEA) van 10 november 2008 verstek verleend. Verzoeker is vervolgens op 13 november 2008 in verzet gekomen. Blijkens het strafvonnis (verzet) van het GEA van 9 januari 2009 is de verzetzaak op diezelfde dag behandeld in aanwezigheid van verzoeker. Vervolgens is het hoger beroep behandeld ter terechtzitting van het Hof van 14 mei 2009, wederom in tegenwoordigheid van verzoeker. Het bestreden strafvonnis van het hof houdt in, voor zover hier van belang:
‘Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 10 november 2008 en 9 januari 2009, zoals daarvan blijkt uit de processenverbaal van die terechtzittingen, alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 14 mei 2009 op Curaçao.’
5.
In Nederland is het rechtsmiddel van verzet enige jaren geleden vervallen, maar zo niet in de Nederlandse Antillen. Nog altijd kent het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen (SvNA) de mogelijkheid van verzet als gewoon rechtsmiddel tegen einduitspraken in verstekzaken. In dat verband bepaalt art. 433 SvNA — voor zover hier van belang — dat behandeling van een zaak in verzet plaatsvindt ‘als ware het rechtsgeding bij verstek niet voorafgegaan’. De geciteerde zinsnede kwam letterlijk gelijkluidend voor in art. 403 (oud) Sv en brengt met zich dat een geheel nieuwe behandeling ter terechtzitting dient plaats te vinden.1. In de onderhavige zaak is dit blijkens het strafvonnis (verzet) van het GEA en het daarbij behorende proces-verbaal van de zitting geschied, met inachtneming van het bepaalde in art. 433 SvNA.
6.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat gelet op art. 433 SvNA moet worden aangenomen dat het verzet op de zitting van 9 januari 2009 is behandeld ‘als ware het rechtsgeding bij verstek niet voorafgegaan’, dat derhalve alleen dat nieuwe onderzoek ter terechtzitting grondslag van de beslissing kan zijn (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) en dat het Hof (dus) ten onrechte mede naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verstekzitting van 10 november 2008 vonnis heeft gewezen.
7.
Het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden nu kan worden aangenomen dat sprake is van een kennelijke misslag en het strafvonnis met verbetering van die misslag kan worden gelezen. Ik sluit bepaald niet uit dat het Hof slechts bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat het tevens ervan heeft kennis genomen dat sprake is geweest van een achterliggende verstekprocedure. Bovendien valt, mede gelet op het feit dat (de toelichting op) het middel daarover niets inhoudt, niet in te zien dat en waarom verzoeker door die misslag in enig belang is geschaad. Ook daarom is er geen reden om aan genoemd verzuim nietigheid van het strafvonnis van het Hof te verbinden.2.
8.
Het middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
9.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑03‑2010
Vgl. HR 26 september 2000, LJN ZD1970, NJ 2000, 701 en HR 9 januari 2001, LJN AA9480, NJ 2001, 125.