Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.9.2
4.9.2 Oplossingen in de literatuur I: art. 3:4 lid 3 BW
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644992:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Heyman, WPNR 2016/7095, p. 146; Vermeulen (2020), p. 30; Van der Plank (2016), p. 147; Verheul, WPNR 2015/7053, p. 241; Kortmann, AA 1998/02, p. 101-105; Heyman (2000), p. 91-122, Wichers (2002), p. 109-115, Ploeger, WPNR 2002/6497, p. 21; Janssen, WPNR 2009/6691, p. 855-867 en Hoofs (2012), p. 91.
Zie bijvoorbeeld: Heyman, WPNR 2016/7095, p. 146.
Wichers (2002), p. 12-13.
Zie voor een overzicht: Verheul, WPNR 2015/7053, p. 243.
Heyman, WPNR 2016/7095, p. 146.
Aldus de auteurs van het preadvies KNB 2016. Zie: Heyman, WPNR 2016/7095, p. 146.
Volgens art. 2370 Cc blijft een eigendomsvoorbehoud op een zaak bestaan als deze door een andere zaak is nagetrokken. De eigenaar kan afscheiding van de zaak vorderen mits de afscheiding zonder schade kan geschieden. Art. 2370 Cc: “L’incorporation d’un meuble faisant l’objet d’une réserve de propriété à un autre bien ne fait pas obstacle aux droits du créancier lorsque ces biens peuvent être séparés sans subir de dommage.” “Het incorporeren van een roerende zaak waarop een eigendomsvoorbehoud rust in een andere zaak, doet geen afbreuk aan de rechten van de schuldeiser wanneer de zaak zonder schade kan worden afgescheiden.” Zie hierover: Verheul & Verstijlen (2016), p. 66 e.v.
Art. 71 Pandwet (België): “Zijn de verkochte goederen onroerend door incorporatie geworden, dan blijft het eigendomsvoorbehoud behouden op voorwaarde van registratie in het pandregister.”
Vaak wordt in de literatuur de oplossing voor bovenstaande problemen gezocht in het aanpassen van de regels omtrent bestanddeelvorming en natrekking.1 Om onwenselijke rechtsgevolgen te voorkomen is onder meer geopperd om het geschrapte lid 3 bij artikel 3:4 BW uit het Ontwerp Meijers alsnog in te voeren.2 Dit artikel bepaalde, zoals hierboven besproken, dat een zaak die onder eigendomsvoorbehoud was geleverd na een verbinding geen bestanddeel werd van een andere zaak, mits het eigendomsvoorbehoud in de openbare registers was ingeschreven. Een belangrijk argument voor het niet opnemen van dit derde lid was destijds, dat de verbonden zaken gezamenlijk meer opleveren dan afzonderlijk. De waardedaling van de hoofdzaak zou aanzienlijk groter zijn dan de waarde die de afgescheiden zaak zou leveren. Ook zou door de doorbreking van de bestanddeelvorming onoverzichtelijke eigendomsverhoudingen ontstaan, die voor een derde niet te achterhalen zijn.3 Omdat de bepaling rechtsonzekerheid met zich mee zou brengen en in strijd was met het eenheidsbeginsel, is het geschrapt. In de literatuur werd hierop destijds met instemming gereageerd.4
Tegenwoordig wordt hier anders over gedacht. Het argument dat van waardevernietiging sprake zal zijn nadat zaken worden afgescheiden, geldt niet in een circulaire economie waar zaken modulair worden geproduceerd.5 Ook de rechtszekerheid is niet per definitie in het geding, doordat via de registers de eigendomsverhoudingen geraadpleegd kunnen worden. Vandaar dat is gepleit voor de invoering van het geschrapte lid 3 Ontwerp Meijers, dat niet alleen van toepassing zou moeten zijn op zaken die geleverd zijn onder eigendomsvoorbehoud, maar ook op zaken die verhuurd zijn.6 In dat geval blijft een zonnepaneel na de bevestiging op het dak van de huurder eigendom van de verhuurder.
Een kijkje over de grens leert ons dat in België en Frankrijk7 de mogelijkheid bestaat om de eigendom te behouden, ondanks dat deze zaken door vereniging onderdeel worden van een andere zaak. In België is met de aanpassingen van het zekerhedenrecht het pandregister ingevoerd. Vanaf 1 januari 2018 geldt krachtens art. 71 Pandwet dat een eigendomsvoorbehoud op een zaak blijft rusten als deze door vereniging onroerend is geworden, mits dit voorbehoud is ingeschreven in het pandregister.8 Deze regeling lijkt op het derde lid van art. 3:4 BW uit het Ontwerp Meijers. Vooralsnog lijkt de Nederlandse wetgever echter nog niet de stap te wagen die de Belgische heeft gezet, waardoor de (ongewenste) gevolgen van natrekking niet door registratie in het (pand)register kunnen worden voorkomen.