Overeenkomst tot arbitrage
Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/4.3.2.1:4.3.2.1 Inleiding
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/4.3.2.1
4.3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS505956:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Burg. Rv. (SmiDERs), art. 1020, aant. 2 met referte aanl-1R 31 december 1915 (Gem. Noordwijkerhout/Guldemond), NJ 1916, blz. 407.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Partijen kunnen geschillen aan arbitrage onderwerpen. De geschillen kunnen zijn bestaande geschillen. Partijen sluiten alsdan een overeenkomst tot arbitrage met het oog op een geschil of geschillen die alsdan tussen hen bestaan. De geschillen kunnen evenwel ook toekomstige geschillen zijn. Het is dus niet noodzakelijk dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage al een geschil tussen partijen bestaat (art. 1020 leden 1 en 2 Rv) (zie 4.3.2.2).
Indien partijen niet ten minste een toekomstig geschil aan arbitrage onderwerpen, is zij ongeldig, tenzij partijen in de overeenkomst tot arbitrage een zaak als bedoeld in art. 1020 lid 4 (a)-(c) Rv aan arbitrage onderwerpen (zie 4.4). Het geschil zal moeten bestaan op het moment dat een partij het arbitraal geding aanhangig maakt (vgl. art. 1025 lid 2 Rv). Ontbreekt een geschil, dan is het scheidsgerecht onbevoegd1 (dit behoudens de zojuist genoemde uitzondering dat partijen een zaak als bedoeld in art. 1020 lid 4 (a)-(c) Rv aan arbitrage hebben onderworpen).
Vraag is wat precies met "geschillen" als bedoeld in art. 1020 leden 1 en 2 Rv wordt bedoeld (zie 4.3.2.3).