HR, 31-05-2011, nr. 09/02950
ECLI:NL:HR:2011:BQ1969
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
31-05-2011
- Zaaknummer
09/02950
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BQ1969
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ1969, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 31‑05‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ1969
ECLI:NL:PHR:2011:BQ1969, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑03‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ1969
- Vindplaatsen
Uitspraak 31‑05‑2011
Inhoudsindicatie
Overschrijding redelijke termijn.
31 mei 2011
Strafkamer
nr. 09/02950
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 12 mei 2009, nummer 21/004162-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de opgelegde straf en tot verwerping voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 31 mei 2011.
Conclusie 29‑03‑2011
Mr. Vellinga
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens — kort gezegd — 1. het met een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, plegen van ontuchtige handelingen mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, 2. opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en 3. diefstal met verbreking, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1500,-. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het overige heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/02950 en 09/02949 P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3.
Namens de verdachte heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
4.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is overschreden.
5.
Het cassatieberoep is ingesteld op 18 mei 2009. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 17 maart 2010 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
6.
De Hoge Raad kan de opgelegde straf verminderen. In mijn conclusie van 22 februari 2011, LJN BP5361 heb ik op de daar vermelde gronden voorgesteld ter compensatie van de overschrijding van de inzendtermijn tot en met drie maanden de straf te verminderen met 0,5 % van de opgelegde vrijheidstraf. Teneinde echter niet in één keer geheel te breken met de tot nu toe geldende rechtspraak zou de vermindering kunnen worden beperkt tot de helft van de tot nu toe gebruikelijke maatstaf.
7.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
8.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen met de helft van het percentage dat door de Hoge Raad wordt gehanteerd in zijn arrest van 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.6.2 onder A. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG