Hof Den Haag, 19-07-2024, nr. 22-003685-23.a
ECLI:NL:GHDHA:2024:1260
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
19-07-2024
- Zaaknummer
22-003685-23.a
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2024:1260, Uitspraak, Hof Den Haag, 19‑07‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:485
Uitspraak 19‑07‑2024
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft als vrachtwagenchauffeur een uit Shanghai afkomstige container opgehaald van het haventerrein in Rotterdam en was met deze container onderweg naar een andere bestemming toen in de container ongeveer 401 kilogram cocaïne werd aangetroffen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het versnijden van cocaïne met procaïne en het voorhanden hebben van ongeveer 3 kilogram cocaïne. De verdachte is de huurder van de woning waarin deze middelen zijn aangetroffen. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-003685-23
Parketnummers: 10-129161-23 en 10-274797-20
Datum uitspraak: 19 juli 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
thans gedetineerd in de [verblijfplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder parketnummer 10-274797-20 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder parketnummer 10-129161-23 onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij in de zaak onder parketnummer 10-274797-20, zoals nader in het vonnis omschreven.
Deze vordering is in hoger beroep niet meer aan de orde.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep is het hoger beroep niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het tenlastegelegde met parketnummer
10-274797-20.
Het hoger beroep is dan ook beperkt tot de bij dagvaarding met parketnummer 10-129161-23 tenlastegelegde feiten.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – thans in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2023 tot en met 22 mei 2023 te Maasvlakte, gemeente Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 401 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 mei 2023 te Maasvlakte en/of Europoort, gemeente Rotterdam opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 401 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I:
2.
hij in of omstreeks de periode 1 mei 2023 tot en met
6 juni 2023 te Dordrecht, althans in Nederland, opzettelijke aanwezig heeft gehad ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij in of omstreeks de periode 1 mei 2023 tot en met
6 juni 2023 te Dordrecht, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van één of meer partijen cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door een (grote) hoeveelheid versnijdingsmiddel (te weten ongeveer 54 kilogram procaine) voorhanden te hebben en/of op te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met dien verstande dat de inbeslaggenomen telefoon dient te worden verbeurd verklaard.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen, nu het hof weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring en kwalificatie komt als de rechtbank, maar de bewijsvoering – mede gelet op het in hoger beroep gevoerde verweer, enige aanpassing behoeft.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2023 tot en met 22 mei 2023 te Maasvlakte, in de gemeente Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 401 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in of omstreeks de periode 1 mei 2023 tot en met
6 juni 2023 te Dordrecht, althans in Nederland, opzettelijke aanwezig heeft gehad ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij in of omstreeks de periode 1 mei 2023 tot en met
6 juni 2023 te Dordrecht, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van één of meer partijen cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door een (grote) hoeveelheid versnijdingsmiddel (te weten ongeveer 54 kilogram procaïne) voorhanden te hebben en/of op te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep
- op gronden als vermeld in de pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.
Het hof overweegt hieromtrent – grotendeels met de rechtbank – als volgt.
Ten aanzien van feit 1 primair
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 mei 2023 omstreeks 21:00 uur kregen verbalisanten van de douane de melding om op de APM Terminals Maasvlakte II in Rotterdam (hierna: APM2) de container [containernummer] , met opschrift [bedrijf 1] en voorzien van zegelnummer [zegelnummer 1] te controleren. De container was afkomstig uit Shanghai. Ter plaatse bleek dat de betreffende container inmiddels, om 21:07 uur, door de verdachte was opgehaald met een vrachtwagen voorzien van het Slowaakse kenteken [kenteken] en van het terrein van de APM2 was afgereden.
Omstreeks 21:25 uur is de vrachtwagen met daarop de container op de Moezelweg in Rotterdam-Europoort gecontroleerd. De verbalisanten zagen dat het zegelnummer van de container afweek van het eerder genoemde zegelnummer [zegelnummer 1] en dat het was voorzien van een zegel met het nummer [zegelnummer 2] . Desgevraagd kon de verdachte geen vrachtbrief overhandigen. Ook kon hij niet vertellen waar hij precies naar toe moest in Rotterdam. Naar zijn zeggen zou hij dat nog te horen krijgen van zijn opdrachtgever. In de cabine van de vrachtwagen is een mobiele telefoon (iPhone) aangetroffen waarop tijdens de controle de verdachte meerdere keren werd gebeld door een contact genaamd " [contactpersoon] ”, zoals op het display was te zien. Uit later onderzoek is gebleken dat op deze telefoon, waarover de verdachte verklaarde dat het zijn telefoon was, maar één chat (via Signal) is aangetroffen met “ [contactpersoon] ”, die als enige contactpersoon in de lijst van contactpersonen op de iPhone stond vermeld.
De ter plaatse aanwezige narcoticaspeurhonden vertoonden een positieve reactie bij de container, waarna de container werd overgedragen en geopend door het Team Bijzondere Bijstand van de Douane. In de container werd in totaal netto ruim 401 kilogram cocaïne aangetroffen. De verdachte is vervolgens aangehouden.
De verdachte heeft ontkend dat hij wist van de aanwezigheid van cocaïne in de container die
hij heeft vervoerd.
Vaststaat dat de verdachte de container met daarin de cocaïne van APM2 heeft uitgehaald, met de container het terrein is afgereden en deze verder door de gemeente Rotterdam heeft vervoerd. In zoverre heeft hij feitelijk de cocaïne ingevoerd in Nederland en verder vervoerd (verlengde invoer).
De vraag die voorligt, is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in de container en dus
ook het opzet heeft gehad deze cocaïne in te voeren in Nederland. Voor de beoordeling van die vraag zijn de
volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof stelt voorop dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat de belanghebbenden bij een cocaïnetransport
op de hoogte zijn van hetgeen wordt geleverd. Het is moeilijk voorstelbaar dat leveranciers van verdovende
middelen het risico lopen dat hun waardevolle zending — het gaat in dit geval om een partij met een
straatwaarde van miljoenen euro’s — in handen komt van een onwetende ontvanger, zij het dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval echter niet gebleken.
De verdachte is een ervaren beroepschauffeur, met ruim
20 jaar ervaring, die in die hoedanigheid in het bezit is van een havenpas. De verdachte heeft naar eigen zeggen vaker goederen vanuit de haven opgehaald en verder vervoerd. Van de verdachte mag dan ook worden verwacht dat hij op de hoogte is van de voor dergelijke transporten op de APM Terminals Maasvlakte geldende regels en werkwijze. Het moet hem daarom bekend zijn dat bij het vervoer van goederen de verzegeling van de container van groot belang is. Hiermee wordt immers gewaarborgd dat de inhoud van die container gedurende het (internationale) transport van verzender tot ontvanger ongewijzigd is gebleven. Het is, zeker bij beroeps-chauffeurs, een feit van algemene bekendheid dat bij het uithalen van een container de controle van de verzegeling van groot belang is en dat het ook één van de belangrijkste verantwoordelijkheden van de chauffeur is om die verzegeling te controleren voordat hij de terminal afrijdt. Als de verzegeling overeenkomt met de verzegeling op het Douane manifest dan mag de chauffeur ervan uitgaan dat met de inhoud van de container niet gerommeld is en dat deze overeenkomt met de op papier opgegeven lading, de zogenoemde vrachtbrief.
Dat de verdachte zich van dit belang bewust is geweest blijkt uit het feit dat hij bij het uithalen van de container foto’s van de container en van het (naar later bleek vervalste) zegelnummer heeft gemaakt en naar zijn opdrachtgever heeft verzonden.
Het hof leidt daarnaast af uit het berichtenverkeer van de in de cabine aangetroffen iPhone dat de verdachte vanaf het moment dat hij op APM2 was voornoemde “ [contactpersoon] ” continue op de hoogte heeft gehouden van wat hij aan het doen was. De verdachte heeft namelijk tussen 18:58 uur en
19:13 uur niet alleen de foto’s van de container en het (vervalste) zegelnummer naar die " [contactpersoon] ” verstuurd, maar ook de foto’s van het routing ticket en het outbound ticket en voorts heeft de verdachte hem voortdurend op de hoogte gehouden van het verloop van de rit.
Daar komt bij dat de verdachte de vervoersopdracht om de betreffende container bij APM2 op te halen niet heeft aangenomen van de reguliere ontvanger [bedrijf 2] , maar van een door verdachte als " [contactpersoon] ” aangeduide persoon.
Over de vervoersopdracht om de betreffende container bij APM2 op te halen heeft de verdachte wisselend verklaard. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij de opdracht telefonisch heeft aangenomen van “ [persoon] ”, een persoon die hij nooit had ontmoet en die hij alleen kende van mail- en/of belcontact. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij [persoon] ofwel “ [contactpersoon] ” wel een keer had ontmoet, op straat in Den Haag. De verdachte had hem toen zijn e-mailadres gegeven waarna hij via een mail de vervoersopdracht had gekregen. Hoe dan ook, de verdachte kon zonder enige verificatie niet van de betrouwbaarheid van deze opdrachtgever uitgaan.
Daarnaast was de verdachte niet in het bezit van een vrachtbrief, hetgeen verplicht is in het (internationale) goederenvervoer, heeft hij naar eigen zeggen het nummer van de verzegeling niet gecontroleerd en is niet gebleken dat hij assistentie van de Douane heeft ingeroepen om de container voor verder vervoer te controleren.
Deze controle heeft extra gewicht omdat het eveneens een feit van algemene bekendheid is dat in de Rotterdamse haven op grote schaal verdovende middelen per container worden binnengebracht en worden verstopt tussen legale goederen.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat er cocaïne in de container zat dan ook niet geloofwaardig.
Ook aan de verklaring van de verdachte dat hij niet wist waar hij de container in Rotterdam moest brengen wordt geen geloof gehecht nu de verdachte om 19:22:36 uur een bericht naar “ [contactpersoon] ” heeft gestuurd met “30 m” en om 19:25:47 uur een bericht dat hij in de file staat
en dat het wat langer gaat duren omdat de snelweg is afgesloten.
Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte zich minst genomen bewust
heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zich cocaïne in de door hem uitgehaalde en vervoerde container bevond en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.
Bij een doorzoeking op 6 juni 2023 in de woning van de verdachte op de [adres] in Dordrecht zijn in de kruipruimte achter de voordeur meerdere partijen met ongeveer 3 kilogram cocaïne en ongeveer 54 kilogram procaïne aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat procaïne wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist van de aanwezigheid van cocaïne en procaïne in de kruipruimte van zijn woning.
De verdachte was huurder van de woning en woonde daar alleen. Verdachte moet als huurder en bewoner van de woning geacht worden wetenschap te hebben van de in zijn
woning aanwezige goederen, tenzij er omstandigheden aannemelijk worden waaruit voortvloeit dat dit anders is. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van de in de woning
aangetroffen procaïne en cocaïne. De grote hoeveelheid cocaïne en procaïne is namelijk direct achter de voordeur in de kruipruimte aangetroffen.
De verklaring van de verdachte op de zitting dat hij niet bekend was met de cocaïne en de procaïne in zijn woning en dat “anderen” de beschikking hadden over de sleutel van zijn woning wordt door het hof als onaannemelijk terzijde geschoven. De verdachte heeft namelijk herhaaldelijk verklaard dat hij de zorg had voor zijn minderjarige dochter die regelmatig bij hem in de woning
verbleef en hij heeft pas voor het eerst op de terechtzitting in eerste aanleg gesproken over "anderen”.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij 2 maanden niet thuis is geweest, omdat hij toen bezig was met klussen in de woning van de moeder van zijn dochter met wie hij toen ‘weer goed was’, en dat kennissen van hem, genaamd [kennis 1] , [kennis 2] , [kennis 3] en [kennis 4] , in die periode in het huis zijn geweest. Eén van hen kan de cocaïne en procaïne in de kruipruimte hebben neergelegd, aldus de verdachte. Het hof acht ook die verklaring niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de waarde van de aangetroffen cocaïne ook in dit geval aanzienlijk was en het daarom moeilijk voorstelbaar is dat een belanghebbende bij deze cocaïne die cocaïne zou willen verstoppen in de woning van de verdachte als hij daarvan onwetend was.
De verdachte zou, als bewoner van de woning, de cocaïne dan immers gemakkelijk hebben kunnen vinden. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte dat hij in de bewuste periode sliep bij de moeder van zijn dochter met wie het ‘weer goed was’ niet strookt met zijn verklaring bij de reclassering dat hij voornemens was in juli 2023 een huwelijk aan te gaan met zijn huidige, in de Dominicaanse Republiek wonende vriendin met wie hij drie jaar een
LAT-relatie onderhield.
Omdat zowel de cocaïne als de procaïne in de woning van verdachte lagen, had hij daar de beschikkingsmacht over. Dat de verdachte heeft verklaard dat de cocaïne en de procaïne aan een ander zouden toebehoren, doet daar niets aan af.
Het hof gaat ervan uit dat de procaïne in de woning van verdachte de bestemming had die naar de uiterlijke verschijningsvorm de meest waarschijnlijke is, namelijk het bewerken van cocaïne. Daar komt bij dat de aangetroffen cocaïne ook daadwerkelijk met procaïne was
gemengd.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zowel het onder 2, als het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Het hof verwerpt de verweren.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde levert op:
1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
3: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft als vrachtwagenchauffeur een uit Shanghai afkomstige container opgehaald van het haventerrein in Rotterdam en was met deze container onderweg naar een andere bestemming toen in de container ongeveer 401 kilogram cocaïne werd aangetroffen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van deze grote handelshoeveelheid cocaïne in Nederland.
Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het internationale drugscircuit.
Met de internationale drugshandel wordt veel criminele winst behaald. De verdachte heeft kennelijk gehandeld uit financiële motieven en zich niet bekommerd om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Nog afgezien van het feit dat cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid gaat het gebruik ervan, in het bijzonder bij grensoverschrijdende handel in de invoer- en uitvoerlanden, vaak gepaard met vele andersoortige vormen van criminaliteit. Daarnaast tast de smokkel van drugs via de Rotterdamse haven de integriteit en het (internationale) imago van de haven aan en kan het gevaarlijk zijn voor de mensen die in de haven en de transportsector werkzaam zijn.
Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het versnijden van cocaïne met procaïne en het voorhanden hebben van ongeveer
3 kilogram cocaïne. De verdachte is de huurder van de woning waarin deze middelen zijn aangetroffen.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld tot een forse, deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.
Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. M.S. Lamboo, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juli 2024.