De stellers van het middel lijken daarbij ten onrechte uit te gaan van 347 contacten gedurende de gehele bewezenverklaarde periode.
HR, 24-03-2026, nr. 24/01023
ECLI:NL:HR:2026:489
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-2026
- Zaaknummer
24/01023
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:489, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:637
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:215
ECLI:NL:PHR:2026:215, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑03‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:489
- Vindplaatsen
Uitspraak 24‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne (art. 2.B Opiumwet) en deelneming aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet). Bewijsklacht pleegperiode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01025 en 24/01050.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01023
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2024, nummer 23-001112-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Conclusie 03‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens medeplegen opzettelijk handelen in strijd met art. 2.B Opiumwet en deelneming criminele organisatie a.b.i. art. 11b Opiumwet. Middel klaagt over verwerping verweer dat verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt gedurende een aanzienlijk kortere periode dan is tenlastegelegd, althans over oordeel van het hof dat verdachte op tijdstippen gedurende de gehele bewezenverklaarde periode actief is geweest in handel in verdovende middelen. Middel faalt (art. 81.1 RO). Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/01025 en 24/01050.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01023
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 14 maart 2024 (parketnummer 23-001112-23, ECLI:NL:GHAMS:2024:637) door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. het “medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01025 en 24/01050. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat de verwerping van het verweer dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt gedurende een aanzienlijk kortere periode dan is tenlastegelegd, althans dat het oordeel van het hof dat de verdachte op tijdstippen gedurende de gehele bewezenverklaarde periode van 4 december 2019 tot en met zijn aanhouding op 30 november 2021 actief is geweest in de handel in verdovende middelen (feit 1 en feit 2), onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd dan wel door de rechtbank in eerste aanleg is overwogen dan wel vastgesteld.
De relevante stukken
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“1.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11 a Opiumwet.”
2.3
Door de rechtbank is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“Feit 1
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 5 juni 2020 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , [plaats] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid heroïne.
Feit 2
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 5 juni 2020 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder anderen) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 vierde, lid, Opiumwet.”
2.4
Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd, “omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank, te weten tot een ruimere pleegperiode”.
2.5
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“1.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 4 december 2019 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , [plaats] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid heroïne;
2.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 4 december 2019 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder anderen) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid, Opiumwet.”
2.6
Het arrest van het hof bevat de volgende, voor de beoordeling van het middel van belang zijnde, bewijsoverwegingen:
“Bewijsoverweging
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat enkel een pleegperiode van 19 juli 2021 tot en met 30 november 2021 bewezen kan worden en dat de verdachte voor het overige dient te worden vrijgesproken. Pas bij het onder de verdachte aantreffen van de telefoon met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 2] op 19 juli 2021 komt hij concreet in beeld, zodat dit als startpunt kan worden genomen. Vóór die periode is enige betrokkenheid van de verdachte niet te bewijzen.
(...).
Overwegingen van het hof
Vonnis waarvan beroep
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over op bladzijde 2 tot en met 6 in het vonnis onder paragraaf 3.3.2 (‘Bewijsoverweging'). Deze overwegingen gelden als hier ingevoegd, met uitzondering van de eerste alinea op bladzijde 5, onder het tussenkopje ‘Periode’. Het hof stelt daarvoor de navolgende overweging in de plaats met het tussenkopje Periode. (...).
Periode
Het hof acht bewezen dat de verdachte in de periode van 4 december 2019 tot en met 30 november 2021 heeft gehandeld in verdovende middelen en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte is op 19 juli 2021 aangehouden en had toen een mobiele telefoon bij zich met daarin een simkaart met het [telefoonnummer 2] , een van de nummers van de [A] . Gebleken is dat deze mobiele telefoon vanaf 4 december 2019 actief was en dat van 62 van de contacten in die telefoon politieregistraties met betrekking tot het gebruik van of de handel in harddrugs bekend waren. Ook is gebleken (zoals al overwogen in de door het hof overgenomen overwegingen van de rechtbank) dat het [telefoonnummer 1] , een van de andere nummers van de [A] , ook vanaf 4 december 2019 actief was. Dit telefoonnummer is gedurende een periode van ongeveer drie maanden – van 4 december 2019 tot en met 7 maart 2020 – in één mobiele telefoon actief geweest. Al vanaf 4 december 2019 is met deze mobiele telefoon en dit telefoonnummer een groot aantal ‘SMS-bommen’ gestuurd naar een groot aantal contacten die merendeels bekend staan als (hard)drugsgebruikers. Gedurende de voornoemde periode is ook contact geweest met het telefoonnummer van de verdachte zelf (347 keer), [medeverdachte 4] (154 keer), [medeverdachte 1] , en veelvuldig met het ouderlijk huis van de verdachte en zijn broers. De intensiteit van deze contacten past bij het betrokken zijn bij de gezamenlijke drugshandel.
Het bovenstaande is redengevend voor het bewijs dat de verdachte al vanaf 4 december 2019 bij de handel in verdovende middelen via de [A] betrokken was. De verdachte heeft voor het bovenstaande geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven.
Het hof acht bewezen, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, dat de verdachte op tijdstippen gedurende de gehele periode van 4 december 2019 tot en met zijn aanhouding op 30 november 2021, actief geweest in de handel in verdovende middelen.
(...)”
2.7
De door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank luiden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
“3.3.2 Bewijsoverweging
Inleiding
In 2019 en 2020 is via Meld Misdaad Anoniem en een anonieme brief, bezorgd bij het politiebureau in [plaats] , melding gemaakt van het [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ), dat vermoedelijk werd gebruikt voor de handel in cocaïne en heroïne. De dealer zou de naam ‘ [naam] ' gebruiken. Er werd gesproken in de meldingen over de gebroeders [verdachte] uit [plaats] .
De ‘ [A] '
De politie is in februari 2020 een opsporingsonderzoek gestart. Het nummer * [telefoonnummer 1] bleek de kenmerken te hebben van een zogenoemd ‘dealnummer'. Zo bestonden de eerste handelingen met het telefoonnummer uit SMS-berichten die naar groot aantal contacten (80-90 contacten) werden verstuurd. Dit gebeurde op de datum van ingebruikname van het nummer op 4 december 2019. Uit onderzoek naar de contacten bleek dat twintig telefoonnummers in de politiesystemen waren gekoppeld aan personen die bekend staan als drugsgebruikers. Het [telefoonnummer 1] maakte daarnaast meerdere malen contact met de verdachte en de broers van de verdachte: [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .
Het onderzoek leidde, door onder meer zogenaamde kruisvergelijkingen, tot nog vier telefoonnummers, die als dealnummers konden worden aangemerkt: [telefoonnummer 5] (hierna: * [telefoonnummer 5] ), [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ), [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) en [telefoonnummer 4] (hierna: * [telefoonnummer 4] ). Ze werden opeenvolgend gebruikt en hadden een groot aantal dezelfde contacten. De verzonden berichten vanuit * [telefoonnummer 5] , * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 4] vermeldden onder meer ‘ [naam] actief’, ‘grote ballen’, ' [naam] snelle service’ en ' [naam] topservice'. Het [telefoonnummer 5] werd aangetroffen onder de naam 'Sos [naam] ’ in de telefoon van [betrokkene 1] , een voor de politie bekende drugsgebruiker. Ook werd in de telefoon van [betrokkene 1] een bericht van * [telefoonnummer 2] gezien dat dit het nieuwe nummer was, gevolgd door ‘ [naam] actief’. Uit het voorgaande volgt dat er sprake is geweest van een dealerlijn onder de naam ‘ [naam] ’ (hierna: de [A] ). De rechtbank ziet voorts voldoende bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte en zijn broers bij de [A] . Zij overweegt daartoe het volgende.
Bevindingen telefoonnummers
Uit het onderzoek is gebleken dat de door de telefoonnummers * [telefoonnummer 7] , * [telefoonnummer 2] , * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 4] aangestraalde zendmasten zich voornamelijk bevonden in [plaats] en in de omgeving van het ouderlijk huis van de verdachte, de [a-straat 1] te [plaats] . Alle telefoonnummers maakten contact met meerdere broers [verdachte] . Op het nummer * [telefoonnummer 4] is een tap gezet. Uit de tapgesprekken volgt dat er contact was tussen de [A] en de verdachte en de broers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De gesprekken duiden op drugshandel. Zo belt de [A] naar de verdachte en [medeverdachte 1] om “pakketten” of "pakkies" te pakken uit de kast, heeft de verdachte een gesprek met de [A] over de levering en het adres van een gebruiker, en wordt bij [medeverdachte 2] gecheckt of een betaling van een gebruiker al binnen is. [medeverdachte 1] heeft de gebruiker van de [A] in een gesprek aangesproken met " [medeverdachte 3] ". Ook voeren de verdachte en [medeverdachte 2] gesprekken met de [A] over nieuwe klanten, over oppassen voor de politie, over de auto die [medeverdachte 4] kennelijk nodig heeft en valt hier ook de naam van [medeverdachte 4] . Het [telefoonnummer 2] is aangetroffen in de onder de verdachte in beslag genomen Samsung in juli 2021. Uit onderzoek aan de in beslag genomen Iphone 11 onder [medeverdachte 4] in november 2021 is gebleken dat het [telefoonnummer 6] (hierna: * [telefoonnummer 6] ) contact maakte met de gebruiker [getuige 1] en dat in deze chats de gebruiker zichzelf kenbaar maakte als ‘ [naam] ’. Dit nummer stond in de telefoon van [getuige 2] opgeslagen als ‘ [naam] ’.
Observaties
Uit de combinatie van observaties en tapgesprekken op het [telefoonnummer 4] volgt een duidelijke modus operandi: een drugsgebruiker belt naar * [telefoonnummer 4] , er wordt een tijd en plaats afgesproken, de camerabeelden van de [a-straat 1] registeren kort daarna het vertrek van [medeverdachte 3] en het observatieteam ziet [medeverdachte 3] bij het adres van de drugsgebruiker aankomen, naar binnen gaan en korte tijd later weer weggaan. In een aantal gevallen wordt afgesproken op een parkeerplaats. [medeverdachte 3] is op meerdere momenten in het gezelschap van zijn broer [medeverdachte 1] en een enkele keer met de verdachte of [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] is een aantal keren alleen bij de woningen van drugsgebruikers waargenomen, eveneens nadat het nummer * [telefoonnummer 4] is gebeld. Er wordt gebruik gemaakt van auto’s die op naam van [medeverdachte 1] staan. Er vinden overdrachten en betalingen plaats, die worden gezien en vastgelegd door het observatieteam. Na een ontmoeting tussen [medeverdachte 3] en drugsgebruiker [getuige 1] en een ontmoeting tussen [medeverdachte 3] en drugsgebruiker [betrokkene 2] zijn deze drugsgebruikers staande gehouden. Bij hen aangetroffen drugs is in beslag genomen en onderzocht. Dit bleek bij beide personen cocaïne te zijn.
Financieel
De rekeningafschriften van de verdachte en zijn broer [medeverdachte 2] tonen bijschrijvingen, veelal ronde bedragen, van bekende drugsgebruikers, die ook contact hebben gehad met * [telefoonnummer 4] . De onderzochte periode liep vanaf 1 januari 2020 en de eerste bijschrijving op een rekening van [medeverdachte 2] is van 4 januari 2020. Ook op de rekening van [medeverdachte 1] is de bijschrijving van een bedrag van een drugsgebruiker aangetroffen.
Doorzoekingen in woningen en de kluis
De politie heeft op 30 november 2021 de woning aan de [a-straat 1] doorzocht. [medeverdachte 3] is aangehouden in een slaapkamer aan de voorzijde. De simkaart van het [telefoonnummer 1] is gevonden in deze slaapkamer. Op het bed is een Nokia aangetroffen, die via het IMEI-nummer kon worden gekoppeld aan het [telefoonnummer 4] . De IMEI-nummers van drie andere in de woning aangetroffen telefoons konden worden gekoppeld aan de telefoonnummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 4] . In de woning zijn voorts goederen aangetroffen die verband houden met de handel in drugs, zoals weegschalen, een gripzakje met ongevouwen sealbags en contant geld. Er zijn ook gripzakjes met bolletjes aangetroffen, welke bolletjes cocaïne en heroïne bleken te zijn. Tenslotte werd er een bankpas van [betrokkene 3] , een drugsgebruiker en contact van de [A] , aangetroffen. Ook in de woning aan [b-straat] , het adres van de verdachte, werden goederen aangetroffen die verband hielden met de handel in drugs. Dit betroffen twee weegschalen met daarin resten van cocaïne en heroïne. In de kluis die op naam van de moeder van de verdachte en broer [medeverdachte 2] stond, werd een bedrag van ruim € 30.000 aan contant geld aangetroffen.
Forensisch onderzoek
Op verschillende gripzakjes in de woning aan de [a-straat 1] werden DNA en een vingerafdruk aangetroffen van [medeverdachte 3] . Op het elastiek rond de aangetroffen bankbiljetten is ook DNA en een vingerafdruk van [medeverdachte 3] aangetroffen. Op de weegschaal die in de woning aan [b-straat] is aangetroffen, zat een vingerafdruk van de verdachte en is het DNA van [medeverdachte 4] aangetroffen.
Getuigen
De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] verklaren over de handelwijze van de ‘ [A] ’ en de rol van de verdachte. Deze broers verklaren begin 2020 dat zij drugs afnemen bij een dealer genaamd ‘ [naam] ’ met het [telefoonnummer 1] . Volgens [getuige 1] is ‘ [naam] ’ een broer van [medeverdachte 4] , die een half jaar eerder bij hem drugs heeft afgeleverd. [getuige 2] heeft verklaard dat de broers werken onder dezelfde naam en dat [medeverdachte 3] degene is die vaak de drugs komt brengen, soms met [medeverdachte 4] en soms met een andere broer. Op de foto die [getuige 2] heeft getoond, wordt [medeverdachte 2] als de andere broer door de politie herkend. Het betoog van de verdediging dat deze verklaringen niet tot bewijs kunnen dienen omdat zij onbetrouwbaar zouden zijn, nu het – kort samengevat – gaat om verklaringen van drugsgebruikers, wordt verworpen. De verklaringen zijn authentiek, gedetailleerd en consistent en zijn in lijn met de overige bevindingen in het dossier. Het feit dat de getuigen drugsgebruikers zijn, maakt hun verklaringen niet zonder meer onbetrouwbaar. Dat [getuige 2] op een later tijdstip, bij het verhoor van de rechter-commissaris, mogelijk onder invloed en daardoor onbetrouwbaar heeft verklaard, doet niet af aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van eerder afgelegde verklaringen.
Periode
(...).
Medeplegen
Medeplegen vereist een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het met anderen voltooien van de strafbare gedraging, in dit geval het handelen in cocaïne en heroïne.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van medeplegen. Dit blijkt uit:
- het gezamenlijk gebruik dat de broers van de (telefoonnummers van de) [A] maakten,
- de telefoongesprekken tussen de broers over "pakkies" en “pakketten”, over “nieuwe klanten, oppassen voor de politie", over [medeverdachte 4] die vier dagen niets heeft gedaan “waardoor de lijn kapot gaat”,
- de omstandigheid dat de op de [A] bestelde drugs door [medeverdachte 3] , soms gezamenlijk met één van zijn broers, of soms door een andere broer, werden afgeleverd,
- het gezamenlijk gebruik van verschillende auto’s die op naam van [medeverdachte 1] stonden,
- het feit dat gebruikers hun betalingen overmaakten naar bankrekeningen van de broers.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn broers. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Criminele organisatie
Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 11b Opiumwet worden verstaan “een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is”. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.
Er moet ook worden bewezen dat de organisatie als oogmerk heeft om misdrijven te plegen. Aangezien het oogmerk voldoende is, is een gepleegd misdrijf, of strafbare poging of voorbereiding daartoe, dus niet vereist. Het oogmerk kan echter wel blijken uit de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven. Het oogmerk moet bovendien, gelet op de duurzaamheid van het samenwerkingsverband, gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven.
Voorts kan van deelneming aan een criminele organisatie slechts dan sprake zijn, indien de verdachte behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel in ondersteuning kan worden gesproken.
Voor een familie waarvan leden betrokken zijn bij criminele activiteiten, geldt dat de eigen juridische en sociale structuur op een aantal punten overeenkomsten kan vertonen met de hierboven genoemde aspecten van een criminele organisatie. Dit betekent echter niet dat indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen, er om die reden reeds sprake is van een criminele organisatie. Daarvan is slechts sprake indien deze familiestructuur met een zekere stelselmatigheid en bestendigheid wordt ingezet om te kunnen komen tot het plegen van de strafbare feiten.
In deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk gebleken van een dergelijke aanwending van de reeds bestaande familiestructuur door de verdachte en zijn broers, de medeverdachten. Er werd door de verdachte en zijn broers op stelselmatige wijze samengewerkt en er was sprake van een zekere rolverdeling, waarbij sommige rollen door meerdere broers werden vervuld. Het beheer van de [A] was met name bij [medeverdachte 3] belegd en hij leverde ook de meeste bestellingen af, maar de [A] werd soms ook beheerd door een van de medeverdachten. Het beheren van de telefoon en het afleveren van de bestellingen vereiste onderlinge afstemming, waarvan is gebleken uit de telefoongesprekken die de verdachten met elkaar voerden. Dat dit niet altijd goed ging, is gebleken uit het telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en de verdachte, waarin zij hun ongenoegen uiten over [medeverdachte 4] , die op dat moment de [A] beheerde maar vier dagen stil heeft gezeten, waardoor ‘de grote lijn’ schade leed en ‘alle grote kippen weglopen’. Tussen de [A] en de verdachte werden gesprekken gevoerd over de klanten en de prijzen. Het financiële deel verliep grotendeels via [medeverdachte 2] , die op zijn bankrekening betalingen ontving van drugsgebruikers en toegang had tot de kluis, waar een groot bedrag aan contant geld is aangetroffen. Deze wijze van betaling vereiste eveneens afstemming met de broer die de bestelling vervolgens moest afleveren. Ook deze afstemming is gebleken uit de getapte telefoongesprekken tussen de [A] en [medeverdachte 2] . Voorts kreeg [medeverdachte 2] via de [A] de waarschuwing om van het geld in de kluis af te blijven. In de telefoon van [medeverdachte 2] werd ook een notitie aangetroffen met daarin vermeld grote geldbedragen. Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen volgt dat de organisatie niet alleen als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet, maar dat gedurende een langere periode door verdachte en zijn medeverdachten daadwerkelijk gezamenlijk misdrijven in de zin van voornoemde wet zijn gepleegd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie.”
2.8
In de bewijsmiddelenbijlage bij het arrest heeft het hof in totaal 109 bewijsmiddelen opgenomen. De voor de beoordeling van het middel van belang zijnde bewijsmiddelen luiden als volgt:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2021, doorgenummerde pagina’s 100-105 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Middels een verkregen vordering artikel 126N van het Wetboek van Strafvordering werden de historische verkeersgegevens gevorderd en verkregen van het [telefoonnummer 1] .
Uit de verkregen historische verkeersgegevens bleek dat de SIMkaart voorzien van genoemd telefoonnummer gedurende die periode in een tweetal telefoontoestellen heeft gezeten, zijnde de IMEI-nummers [IMEI nummer 1] en [IMEI nummer 2] .
Uit IMEI-bevraging blijken voornoemde gebruikte IMEI-nummers toe te behoren aan de volgende toestellen, waarvan onderstaande de volgende info:
[IMEI nummer 1]
Fabrikant: Samsung Korea
Productnaam: Samsung GT-E12001
SIMkaart met [telefoonnummer 1] is in dit toestel actief geweest in de periode: 04-12-2019 van 19.06 uur - 07-03-2020 te 18.29 uur.
[IMEI nummer 2]
Fabrikant: TCL Communication Ltd
Productnaam: 1054D, merknaam Alcatel
SIMkaart met [telefoonnummer 1] is in dit toestel actief geweest in de periode 13-03-2020 11.27 uur - 13-03-2020 11.28 uur.
Gebruik [telefoonnummer 1] in [IMEI nummer 1]
Op 4 december 2019 te 19.06.26 uur wordt het telefoonnummer in genoemd telefoontoestel met genoemd IMEI nummer in gebruik genomen.
Op 04-12-2019 vanaf het tijdstip 21.06.07 uur tot en met het tijdstip 04-12-2019 21.10.10 uur worden er 41 SMS berichten verzonden naar verschillende telefoongebruikers. Uit onderzoek en analyse blijkt het merendeel van deze nummers/contacten voor te komen binnen de politiesystemen, als zijnde personen uit [plaats] en directe omgeving die allen bekend staan als drugsgebruikers. Voornoemd omschreven versturen van SMS-bommen aan een grote groep nummers/contacten (meestal rond de 80 à 90 contacten) herhaalt zich tot en met 31 december 2019 41 maal; in januari 2020 57 maal; in februari 2020 15 maal en in de maand maart 2020 tot de 13e geen één maal.
Het telefoonnummer is voornamelijk onder bereik van zendmasten in [plaats] en directe omgeving ( [plaats] -Noord , [plaats] Zuid , [geboorteplaats] , [plaats] en [plaats] ). Het telefoonnummer is veruit het meest onder bereik van de zendmast, met locatie [c-straat 1] [plaats] . Het telefoonnummer heeft contact met telefoonnummers waarvan uit onderzoek is gebleken dat die in gebruik zijn bij [verdachte] (347 keer), [medeverdachte 4] (154 keer). [medeverdachte 1] (1 keer) en [betrokkene 4] . Ook is er veelvuldig contact met het [telefoonnummer 8] op naam van [verdachte] , [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het ouderlijk huis van de broers […] .
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2021, doorgenummerde pagina’s 188-193 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Gedurende het onderzoek naar gebruikte telefoonnummers door dealer [naam] werd het geheugen van een mobiele telefoon van een als drugsgebruiker bekende zijnde persoon genaamd [betrokkene 1] [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] uitgelezen.
Deze mobiele telefoon werd onder een andere drugsdealer aangetroffen. In het geheugen van deze telefoon werd een aantal SMS berichten aangetroffen die verwezen naar de dealer [naam] . Tijdens deze SMS berichten wordt door [naam] het [telefoonnummer 9] gebruikt. Hierbij wordt door de dealer [naam] aangegeven dat hij actief is en goed spul heeft.
Tevens werd een SMS bericht aangetroffen waarin werd vermeld door de afzender SOS [naam] dat het nieuwe telefoonnummer van [naam] was geworden [telefoonnummer 2] en dat het oude nummer moest worden weggegooid. De afzender maakte gebruik van het [telefoonnummer 9] . Het bericht was op 14-1-2021 verzonden aan de gebruiker.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2021,doorgenummerde pagina’s 8599 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Uit politiesystemen is gebleken dat op 03 maart 2021 verdachte [medeverdachte 5] , geboren op [geboortedatum] 1998 aangehouden werd in verband met het aanwezig hebben van verdovende middelen. Onder de verdachte werd onder andere een mobiele telefoon van het merk Cat voor nader onderzoek in beslag genomen, waaruit na onderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1988, deze mobiele telefoon gebruikt heeft.
Onder andere werd uit nader onderzoek aan de telefoon bekend dat:
• de mobiele telefoon daadwerkelijk in gebruik is/is geweest bij [betrokkene 1] ;
• er in de contactenlijst van de telefoon diverse telefoonnummers staan met als vermelding de namen " [naam] ", "Sos [naam] ", “Sos [naam] New”, waarvan bij het onderzoeksteam bekend is dat deze namen gebruikt worden door de gebroeders […] ;
• er berichten door “Sos [naam] ” naar de genoemde telefoon gestuurd werden, waaruit blijkt dat [naam] weer actief is met een snelle service. Met de mededeling Grote ballen;
• een bericht door “Sos [naam] ” gestuurd wordt met de mededeling van een nieuw mobiele telefoonnummer en het verzoek om het oude nummer te verwijderen;
• er berichten verstuurd werden vanaf hef mobiele [telefoonnummer 2] waaruit blijkt dat [naam] actief is, een snelle service heeft, een nieuw telefoonnummer heeft, online is, die dag grote ballen heeft, na 21.00 uur ook actief is, dat het goed voor de weerstand is, het sterk spul betreft, er grote sneeuwballen zijn.
8. Een proces-verbaal van bevindingen van 2 augustus 2021, doorgenummerde pagina’s. 127-137 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Op 20 juli 2021 [het hof begrijpt: 19 juli 2021] werd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998, in [plaats] op heterdaad aangehouden terzake bezit van meerdere bolletjes harddrugs, in verband te brengen met het vermoedelijk dealen van harddrugs. [verdachte] was onder andere in het bezit van twee mobiele telefoons, zijnde een Apple iPhone 8 smartphone en een Samsung GT. Deze mobiele telefoons werden onderzocht en uitgelezen. De data van beide toestellen werd hierop veiliggesteld voor nader onderzoek en analyse.
Uit de veiliggestelde data van de Samsung blijkt onder andere:
IMEI: [IMEI nummer 4]
Simkaart: Lycamobile, [SIM nummer]
Eigen nummer: [telefoonnummer 2]
Uit de data van de Samsung blijkt uit de in/uitgaande gesprekken dat deze in ieder geval actief is geweest vanaf 4 december 2019 tot en met 19 juli 2021 (dag van aanhouding [verdachte] ).
In het volledige overzicht blijkt dat er van 62 contacten binnen de politiesystemen registraties vermeld staan met betrekking tot harddrugsgebruik en/of dealen in harddrugs en/of drugsoverlast situaties.
Op 2 achtereenvolgende dagen (31 augustus en 1 september 2020) zijn er 7 verwijderde uitgaande berichten, welke zijn verstuurd naar 7 verschillende nummers/contacten. Alle verstuurde, berichten vermelden in het bericht de naam " [naam] ", als: " [naam] online"; " [naam] online topspul" of “ [naam] online!".
In 2021, tussen 2 en 19 juli, zijn er 65 berichten, als volgt: 2 drafts met “ [naam] online” en " [naam] actief’. Op 11 en 16 juli zijn er 2 drafts naar 2 verschillende nummers/contacten met de respectievelijke teksten “ [naam] online" en “ [naam] actief”. Op 9, 18 en 19 juli zijn er 17 verwijderde uitgaande berichten, welke zijn verstuurd naar 17 verschillende nummers/contacten met de respectievelijke teksten “ [naam] actief” of “ [naam] online topkwaliteit!!" of " [naam] " en “ [naam] online”.
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2021, doorgenummerde pagina’s 138-146 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Uit de verkregen historische verkeersgegevens bleek dat de SIMkaart voorzien van [telefoonnummer 2] gedurende de periode tussen 25-02-2021 tot en met 24-07-2021 in vier (4) telefoontoestellen heeft gezeten zijnde de imeinummers [IMEI nummer 7] ; [IMEI nummer 4] ; [IMEI nummer 13] en [IMEI nummer 6] . Uit IMEI-bevraging blijken voornoemd gebruikte IMEI-nummers toe te behoren aan de volgende toestellen.
IMEI 2862: Het [telefoonnummer 2] is vanaf 25-02-2021 om 18:02 uur tot en met 19-07 2021 te 19:31 uur actief geweest in een Samsung GT-E1205Y.
IMEI 9471: De simkaart met [telefoonnummer 2] is tussendoor twee (2) weken actief geweest in een BlackBerry-telefoon, gedurende de periode vanaf vrijdag 16-04-2021 te 23:32 uur tot en met zaterdag 01-05-2021 te 09:33 uur. De zendmast tijdens beide momenten van overzetten [telefoonnummer 2] naar Samsung - BlackBerry en vice versa was [c-straat 1] [plaats] .
IMEI 6672: Het [telefoonnummer 2] is op 24-07-2021 tussen 12:50 en 12:55 uur. kortstondig gebruikt in een Apple iPhone 5. De zendmast tijdens deze minuten in dit toestel was [c-straat 1] [plaats] .
IMEI 7470: Het [telefoonnummer 2] is op 24-07-2021 om 13:38 uur kort actief geweest in een Samsung GT-E12001.
Overige bijzonderheden/opvallendheden m.b.t. analyse histo [telefoonnummer 2] :
Op 26 februari 2021 vanaf 06:46 uur zijn er eenmalige SMS-berichten verstuurd naar ruim 90 nummers cq. contacten. Uit onderzoek en analyse blijkt het merendeel van deze nummers/contacten voor te komen binnen de politiesystemen, als zijnde personen uit [plaats] en directe omgeving, die allen bekend staan als (hard) drugsgebruikers(sters).
Voornoemd omschreven versturen van SMS-bommen aan een grote groep nummers/contacten (kleine 90) herhaalt zich op 2 dagen in februari (27 en 28); 29 dagen in maart; 23 dagen in april; 24 dagen in mei; 22 dagen in juni en 4 dagen in juli.
Uit verdere analyse en onderzoek is onder andere vastgesteld dat het [telefoonnummer 2] , actief in de periode vanaf 25 februari tot en met 24 juli 2021, dagelijkse contacten heeft gehad met nummers cq. contacten, die deel uit maken van ongeveer 90 vaste contacten, zijnde (hard)drugsgebruikers.
Verder is uit analyse aan de historische verkeersgegevens gebleken, dat [telefoonnummer 2] , in de periode van 25-02-2021 tot en met 24-07-2021, meerdere malen telefonisch contact heeft gehad met nummers, welke in de politiesystemen gekoppeld staan aan [medeverdachte 4] ( [geboortedatum] /1992) en [medeverdachte 1] ( [geboortedatum] /1987).
Het telefoonnummer is voornamelijk onder bereik van zendmasten in [plaats] en directe omgeving ( [plaats] -Noord , [plaats] Zuid , [geboorteplaats] , [plaats] en [plaats] ). Het telefoonnummer is veruit het meest onder bereik van de zendmast, met locatie [c-straat 1] [plaats] .
10. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2021, doorgenummerde pagina’s 151-152 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Op 19 juli 2021 werd de [verdachte] aangehouden. Tijdens zijn aanhouding was hij in het bezit van een mobiele telefoon met daarin de SIMkaart voorzien van het [telefoonnummer 2] .
Uit de verkregen historische verkeersgegevens van genoemd telefoonnummer werd een viertal contacten van het dealtelefoonnummer geselecteerd die veelvuldig contact hadden met dat telefoonnummer. Dit waren telefoonnummers van bekende harddrugsgebruikers. Van deze 4 telefoonnummers werden vervolgens de historische verkeersgegevens verkregen en werd er een vergelijking gemaakt op overeenkomstige telefoonnummers. Vanuit deze vergelijking werd een drietal telefoonnummers bekend namelijk: 1233, een telefoonnummer betrekking hebbende op voicemailgebruik; het [telefoonnummer 2] , het hiervoor genoemde dealtelefoonnummer aangetroffen onder de [verdachte] en het [telefoonnummer 3] . Met dit telefoonnummer werd 1219 x contact gemaakt dan wel gezocht door de vier genoemde druggebruikers vanaf 25 juli 2021.
14. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2021, doorgenummerde pagina’s 175-187 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Uit onderzoek werd bekend dat onderstaande mobiele telefoonnummers gebruikt zijn of worden door de familie [verdachte] :
[telefoonnummer 1]
[telefoonnummer 2]
[telefoonnummer 3]
[telefoonnummer 4]
Van de bovengenoemde mobiele telefoonnummers werden historische verkeersgegevens gevorderd. Uit onderzoek naar de ontvangen verkeersgegevens werd bekend dat onderstaande unieke IMEI-nummers gekoppeld staan aan de genoemde mobiele telefoonnummers:

39. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 november 2021, doorgenummerde pagina’s 285-288 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Alle telecommunicatie werd opgenomen en afgeluisterd van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (nader te noemen [telefoonnummer 4] ). Uit de historische printgegevens bleek dat [telefoonnummer 4] regelmatig gebeld werd door de telefoonnummers [telefoonnummer 10] en [telefoonnummer 11] . Van de twee genoemde telefoonnummers kon worden vast gesteld dat beide telefoonnummers in gebruik zijn bij [betrokkene 5] , geboren [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , wonende [d-straat 1] te [plaats] . Van gebruiker [betrokkene 5] kon gedurende onderzoek Kermit worden vastgesteld dat [betrokkene 5] een harddrugsgebruiker is.
Op 5 november 2021 te tussen 09:16 uur en 10:33 uur werd de onderstaande communicatie middels SMS berichten verricht tussen de " [A] " en de telefoonnummers [telefoonnummer 10] en [telefoonnummer 11] .
09:17 uur 6357: I will make a transfer for you for 50E but you will be there within 30 minutes?
09:18 uur [telefoonnummer 4] : Oke send i watch
De historische gegevens werden gevorderd van [rekeningnummer 1] over de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 november 2021. Hieruit bleek dat de rekening op naam staat van [medeverdachte 2] , geboren [geboortedatum] 2003. Op 5 november 2021 te 09:18 uur werd er op genoemd rekeningnummer een bedrag van 50 euro bijgeschreven, zonder omschrijving door [rekeningnummer 2] op naam van [betrokkene 5] .
Op 5 november 2021 te 12:07 uur wordt de [A] gebeld door het [telefoonnummer 12] . Gedurende het onderzoek werd vastgesteld dat [telefoonnummer 12] in gebruik is bij [verdachte] . Dit gesprek duurt 75 seconden.
[telefoonnummer 4] : Ik was net naar [plaats] gegaan, hé daar is het kankerheet hè?
[telefoonnummer 12] : Ja, oppassen daar ook ja?
[telefoonnummer 4] : Die gast, hij woont ook precies in het centrum hè.
[telefoonnummer 12] : Ja, weet ik, klopt, weet ik, weet ik.
[telefoonnummer 4] : Ik liep de deur uit, ik ging de stoep op en d'r kwam een ... (ntv) langs pik, van de smeris.
47. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 oktober 2021, doorgenummerde pagina’s 392-401 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Middels een vordering 126 ND bij de Infobox Onverklaarbaar en Crimineel Vermogen is gebleken dat [verdachte] een tweetal rekeningnummers op zijn naam heeft staat. Te weten:
Betaalrekening: [rekeningnummer 3]
Spaarrekening: [rekeningnummer 4]
TRANSACTIES [rekeningnummer 3]
Uit onderzoek van de gevorderde gegevens bleek dat er meerdere malen transacties werden ontvangen van verschillende personen. Opvallend hierbij was dat dit allemaal “ronde” bedragen betroffen van bedragen tussen de 10 en 100 euro.
[rekeningnummer 5] staat op naam van [betrokkene 6] , geboren [geboortedatum] 1996. Op 5 juni 2020 ontving [verdachte] éénhonderdtwintig euro van [betrokkene 6] . Uit onderzoek in het politiesysteem bleek dat er op 24 mei 2018 een melding van een ruzie op een parkeerplaats werd gemeld. Ter plaatse werd [verdachte] aangetroffen. Die verklaarde zojuist ruzie te hebben gehad maar wilde niet aangeven met wie. Aanrijdend naar de melding zagen de collega’s [betrokkene 6] passeren. Van de meeste betrokkenen is vastgesteld dat dit drugsgebruikers betreffen. Van een aantal van hen is ook vastgesteld dat zijn regelmatig contact hebben met de “ [A] ”.
53. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 december 2021, doorgenummerde pagina 594 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Uit de ontvangen verkeersgegevens in onderzoek Kermit werd bekend dat onderstaande telefoonnummers gekoppeld stonden aan onderstaande Imei-nummers en gebruikt werden als dealtelefoon van ' [naam] '.
Tel. nummer Imei- [telefoonnummer 2]
[IMEI nummer 6]
[telefoonnummer 2] [IMEI nummer 3]
[telefoonnummer 4] [IMEI nummer 12]
Na onderzoek van de telefoons die tijdens de doorzoeking in de woning [a-straat 1] te [plaats] in beslag genomen werden bleek dat de Imei-nummers van onderstaande telefoons overeen kwamen met de genoemde Imei-nummers van de dealtelefoon:
- zwarte Samsung, aangetroffen in de woonkamer, goednummer 1320475, Imei-nummer [IMEI nummer 6] ;
- zwarte Blackberry, aangetroffen in slaapkamer, goednummer 1320462, Imei-nummer [IMEI nummer 14] [het hof begrijpt, omdat het laatste cijfer van een IMEI-nummer kan wisselen, maar het dan nog altijd dezelfde telefoon betreft: hetzelfde als [IMEI nummer 3] ];
- zwarte Samsung FM-radio aangetroffen in slaapkamer, goednummer 1320511, Imei-nummer [IMEI nummer 15] .
59. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2021,doorgenummerde pagina’s 610-612 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, ais de bevindingen van de verbalisant:
Op 10 november 2021 werd [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1990 aangehouden. Bij deze aanhouding werd onder de verdachte een telefoon in beslag genomen. De telefoon werd door de collega’s van de digitale recherche middels een forensische software uitgelezen.
Uit het Preliminary Device Report bleek dat de telefoon zeer vermoedelijk in gebruik is bij [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] . Onder hem werd de telefoon ook inbeslaggenomen. Er werden door mij grote hoeveelheid gebruikersaccounts aangetroffen die verwijzen naar [getuige 1] .
Onder de invoer ‘ [naam] ’ zijn de volgende telefoonnummers opgeslagen op de telefoon:
[telefoonnummer 6]
[telefoonnummer 3]
[telefoonnummer 4]
Uit de een bevraging in de call log blijkt er 50 gesprekken zijn geweest met het contact ‘ [naam] ’ in de periode van 31-6-21 t/m 30-11-2021. Hiervan was een groot deel verwijderd maar nog wel zichtbaar in het uitleesbestand. 9 gesprekken vonden plaatst met het nummer: + [telefoonnummer 4] .
41 gesprekken waren door de gebruiker verwijderd met het contact ‘ [naam] ’ met het nummer:
[telefoonnummer 2]
.
Op de telefoon trof ik 1 chatgesprek aan met het contact ‘ [naam] ’ via instant messages (sms) met het nummer: [telefoonnummer 4] . Samengevat gaat deze chat over dat de gebruiker van de telefoon vraagt of [naam] naar de MC Donalds kan komen omdat hij 40 heeft. Vermoedelijk gaat het hier om een afspraak om voor 40 euro drugs te kopen. De berichten zijn op 10/11 en 11/11 verzonden.
Onder de invoer [medeverdachte 1] trof ik het volgende telefoonnummer aan: [telefoonnummer 13] .
Ik trof een verwijderd contact aan ingevoerd onder de naam [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] is een verdachte binnen dit onderzoek. Er was geen telefoonnummer (meer) zichtbaar aan gekoppeld.
62. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2021, doorgenummerde pagina's 647-660 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
[telefoonnummer 14] is tot 27 oktober in gebruik bij [verdachte] .
[telefoonnummer 15] is vanaf 27 oktober in gebruik bij [verdachte] .
De telefoonnummers [telefoonnummer 14] en [telefoonnummer 15] zullen in dit proces verbaal van bevindingen worden aangeduid als telefoonnummer “ [telefoonnummer 14] [verdachte] ” en “ [telefoonnummer 12] [verdachte] ”.
30 oktober te 20:06 uur belt de " [A] " uit naar [telefoonnummer 12] [verdachte] . Het volgende gesprek vond plaats: [telefoonnummer 12] : Yoo maat.
[telefoonnummer 4] : Yoo maat, ik heb allemaal nieuwe klanten hè pik
[telefoonnummer 12] : Nieuwe?
[telefoonnummer 4] : Heel veel man. Ik heb nu ook die ene Turk van ehhh….je weet toch wel, die kapper bij moskee daaro
[telefoonnummer 4] : Jawel, die haalt ook bij mij, [betrokkene 7] .
[telefoonnummer 12] : Ja? Die heb je nu?
[telefoonnummer 4] : Ja man, ja man. Hij haalt nu ook bij mij man.
[telefoonnummer 12] : Maar hoe dan trouwens pik? Dus het houdt in dat er nog veel meer mensen zijn?
[telefoonnummer 4] : Heel veel rokers zijn, tuurlijk pik.
65. Een proces-verbaal van bevindingen van 27 januari 2022, doorgenummerde pagina’s 69-75 van het aanvullend procesdossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Onderstaand een aanvulling van een aantal relevante zaken uit de data van de Apple iPhone X, inbeslaggenomen onder nummer 1320472, welke tevens betrekking hebben/in verband gebracht kunnen worden met de rol van verdachte [medeverdachte 2] met betrekking tot:
- drugsgerelateerde zaken/contacten
- opvallende geld- en financiële zaken.
Op donderdag 30 juli 2020 om 13:47 uur (UTC+2) komt er bij [medeverdachte 2] een Whatsappbericht binnen van zijn broer [verdachte] en ontstaat er over en weer een kort ‘gesprek', als volgt tekstueel uitgewerkt: : Jo kerel
[medeverdachte 2] : Yo wat was met tel
[verdachte] ; Uitgezet werd zwaar aftap
[medeverdachte 2] : Hoe dan was met je golf? Al weg
[verdachte] : [bijnaam] is onze grote lijn aan t verkloten
[medeverdachte 2] : Hij zegt dat ie hard gaat
[verdachte] : zaterdag zondag maandag en dinsdag heeft ie niks gedaan. Hij was doorgesnoven
[medeverdachte 2] : Neeee waarom had jij niet gepakt
[verdachte] : ja veel grote klanten weg ja ik heb overgenomen maar hij is niet serieus. Vandaag doet ie weer niks en telefoon staat aan
[medeverdachte 2] : Heb jij hem niet?
[verdachte] : Ik ben net wakker en hij is weer niet bezig. Ik heb gister alles gedaan
[medeverdachte 2] : Ik bel nu
Direct hierna Whatsappt [medeverdachte 2] om 13:52 uur (UTC+2) naar zijn broer [medeverdachte 4] , betreft een eenzijdig ‘gesprek’ waarin [medeverdachte 4] niet reageert, als volgt tekstueel uitgewerkt:
[medeverdachte 2] : Kk nerd waar ben je nou mee bezig. Je kan niet vier dagen stil zitten om dat die Kk neus van weer vol zit. Hele lijn loopt naar de Kk door jou. Al die grote kippen lopen nu weg door jou. Jou maatjes zijn er alleen om jou te misleiden Kk mongool nu pakken die Kk zwervers weer
Er wordt door broer [medeverdachte 4] niet direct gereageerd op [medeverdachte 2] ’s Whatsapp berichten. Kort daarna Whatsappt [medeverdachte 2] om 13:55 uur (UTC+2) weer haar zijn broer [verdachte] , betreft ook een eenzijdig ‘gesprek’, als volgt tekstueel uitgewerkt:
[medeverdachte 2] : Staat ie nu weer stil die tel. Die Kk zwervers pakken nu dan Waar ik jaar lang voor heb gestreden Geeft ie weg Zijn maatjes zijn er alleen om hem te misleiden dat begrijpt hij niet Ze zouden allemaal stoppen zogenaamd. Ze zijn allemaal weer begonnen Ze zijn nooit gestopt. E konden gewoon niks pakken Nu pakken ze vollen pot en worden jullie gebeld voor een 10tjr
Direct hierna Whatsappt [medeverdachte 2] om 13:58 uur (UTC+2) weer naar zijn broer [medeverdachte 4] , ook weer een eenzijdig ′gesprek’ waarin [medeverdachte 4] niet reageert, als volgt tekstueel uitgewerkt:
[medeverdachte 2] : Kom die Kk nestje van je uit En pomp hem
Een aantal dagen later, op maandag 03 augustus 2020 om 14:29 uur (UTC+2) hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] voor het eerst weer Whatsapp contact, het ‘gesprek’, als Volgt tekstueel uitgewerkt:
[medeverdachte 2] : Hallo
[medeverdachte 4] : Ja
[medeverdachte 2] : Pompen die hap He suffe. Wat laat je hun draaien je toen keer dikkere lijn in handen en dan ga jij 4 dagen slapen geef hem dan door
[medeverdachte 4] : Wat lul jij wie zegt dat
69. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2021150379-4 van 20 juli 2021, doorgenummerde pagina’s 106-108 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisanten, dan wel een van hen:
Op 19 juli 2021 omstreeks 22.55 uur kwamen wij, verbalisanten, ter plaatste op de [e-straat 1] te [plaats] . Ik, verbalisant, zag een man vanuit de bestuurdersportier uit een zwarte Mercedes, voorzien van [kenteken] , stappen. Ik herkende deze persoon direct als [verdachte] . Ik hield [verdachte] staande en vorderde zijn identiteitsbewijs. [verdachte] overhandigde mij een geldig Nederlands Rijbewijs. Het rijbewijs stond op naam van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] . Ik liep naar de bovengenoemde Mercedes en scheen met mijn zaklamp door de achterruit van de Mercedes. Ik zag op de grond een gripzakje liggen met daarin meerdere bolletjes. Ik, verbalisant, heb de Mercedes doorzocht. Ik heb met twee vingers het gripzakje vastgepakt, vervolgens direct losgelaten en middels een DNA-Kit veilig gesteld. Ik zag dat er ongeveer 20 bolletjes in het gripzakje zaten.
108. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 december 2021, doorgenummerde pagina’s 725-545 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [medeverdachte 1]:
Ik ben vaak als bestuurder van de auto opgetreden, wel 100, 200 keer. Dan stapt hij uit, [medeverdachte 3] . Dan geeft hij iets door, pakt het geld en geeft het weer aan iemand anders. Wat hij geeft? Dat kleine witte spul. Crack noemen ze dat? Kleine witte balletjes. [medeverdachte 3] is [naam] . [medeverdachte 2] komt ook af en toe in de auto zitten en dan gaan we met zijn drieën rijden. [verdachte] en [medeverdachte 3] praten samen iedere dag. [medeverdachte 3] heeft [verdachte] altijd nodig. [verdachte] regelt alles voor [medeverdachte 3] . Het gaat over cocaïne. [verdachte] kwam bij mij thuis, toen kwam een telefoontje binnen. Hij zei dat [medeverdachte 3] zei om iemand te bellen om 10 gram cocaïne klaar te maken. Toen zijn zij weg gegaan met zijn tweeën. [medeverdachte 3] kwam met de auto naar mij toe en hij belde [verdachte] en vroeg of hij naar beneden kon komen. [medeverdachte 3] zit in de drugs. En [verdachte] regelt alles. [medeverdachte 3] gaat bij de huizen langs. [verdachte] belt de klant, [medeverdachte 2] maakt alles klaar en [medeverdachte 3] gaat langs bij de huizen. U, verbalisant, vraagt om wat voor drugs het gaat. Heroïne, crack en cocaïne. Als [medeverdachte 3] gebeld wordt, gaat hij daarheen. Naar een klant toe. [verdachte] doet hetzelfde. Ik heb [medeverdachte 2] een keer gezien met een kleine weegschaal, hij woog iets ermee.
109. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt mij gedurende welke periode ik drugs heb gedeald. Ik ken geen data. Ik had cocaïne en crack te koop. Ik heb wel gedeald. De naam [naam] is wel drugs. Ik verkocht cocaïne en crack. Ik werkte ook onder die lijn. Met ‘onder die lijn werken’ bedoelde ik de naam [naam] .”
2.9
Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2024 vermeldt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder meer het volgende:
“De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij verklaart:
Ik ben in hoger beroep gegaan omdat ik buiten wil zijn en niet meer naar binnen wil. Ik zat fout, maar deed het niet samen met een ander of anderen. Ik ben het ook niet eens met de bewezenverklaarde pleegperiode. U, voorzitter, vraagt gedurende welke periode ik drugs heb gedeald. Ik ken geen data. Ik durf ook niet te zeggen hoe lang het heeft geduurd, hooguit vijf tot zes maanden vanaf juli 2021. Ik had cocaïne en crack te koop, geen heroïne. Ik deed het geheel in mijn eentje. Ik heb geen onderdeel uitgemaakt van een criminele organisatie.
(...)
De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter:
U, voorzitter, vraagt of ik vandaag een verklaring zal afleggen. Zoals te lezen is in de regionale krant, zijn er in [plaats] veel dingen aan de hand, ook met betrekking tot drugs. Ik wil wel iets zeggen, maar niet heel veel, omdat het in dat wereldje in je nadeel kan werken. De naam [naam] is wel drugs, dat kunt u van mij aannemen. Over het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] (verder: * [telefoonnummer 1] ) het volgende. Ik heb wel gedeald, maar zat niet achter dat telefoonnummer. Ik had mijn eigen dingen, zeg maar. Ik deed het niet samen met een ander, maar ik deed het zelf. Ik gebruikte mijn eigen telefoonnummer, maar dat komt in het dossier niet voor. Ik had mijn eigen winkeltje dat niet is onderzocht. In mijn eigen winkeltje verkocht ik cocaïne en crack. Dat is hetzelfde. Dat verkocht ik niet aan de personen die in het dossier staan, maar dat weet ik niet zeker, omdat het lange tijd geleden is. Het gaat om bolletjes, om tientjeswerk. U, voorzitter, vraagt mij waarom ik iets moet vrezen als ik verklaar. Er gebeuren veel dingen in ons dorp. Ik heb er niets mee te maken, maar het kan zo uit de hand lopen als je iets zegt. Mijn leven gaat iets beter en dat wil ik zo houden.
Ik ben hier om alleen over mijzelf te verklaren en niet over anderen. U, voorzitter, vraagt wat ik kan vertellen over de beschuldigingen. Ik was heel fout bezig en het was een moeilijke tijd. Ik was niet samen met mijn broers bezig. Ik was vanaf de zomer van 2021 fout bezig, daarvoor niet. U, voorzitter, houdt mij het Whatsappgesprek voor van 30 juli 2020 dat tussen [medeverdachte 2] en mij zou zijn gevoerd en u zegt dat uit dit gesprek lijkt te volgen dat ik al eerder dan in 2021 bezig was. Ik zwijg op die vraag. Ik was wel fout bezig. Ik weet het niet meer zo goed, want het is jaren geleden. U, voorzitter, zegt dat het geen zin meer heeft om mij vragen te stellen.
U, jongste raadsheer, zegt dat ik heb verklaard dat ik mijn eigen winkeltje had, niets met mijn broers te maken heb gehad en niets met de telefoonnummers van de [A] te maken heb gehad en u vraagt of ik vandaag iets beken waar het hof geen dossier over heeft.
De raadsman en de verdachte verlaten de zittingzaal voor overleg en keren vervolgens weer terug.
De verdachte verklaart vervolgens:
Ik had mijn eigen winkeltje. Ik werkte ook onder die lijn. Met ‘onder die lijn werken’ bedoelde ik de naam [naam] . Ik deed dat echter niet met iemand anders, maar helemaal zelf. Ik nam de telefoon dan op met: "hoi, hallo". De personen aan de telefoon kenden mij als [naam] . U, jongste raadsheer, vraagt wanneer ik de [A] in bezit had. Dat weet ik niet precies. Ik ging in de zomer van 2021 dealen omdat ik het moeilijk had. Ik had geld nodig, er stonden een aantal dingen open. Ik kreeg toen een telefoon. Ik ga niet de namen noemen van wie ik de telefoon kreeg. Ik zat dus wel fout, omdat ik dealde. U, jongste raadsheer, vraagt mij naar de verklaringen van [medeverdachte 1] . Ik zie [medeverdachte 1] bijna nooit. [medeverdachte 1] is ziek in zijn hoofd. Wat hij heeft verklaard klopt niet. Ik wil niet antwoorden op de vraag of ik cocaïne inkocht.
U, advocaat-generaal, zegt dat * [telefoonnummer 1] volgens het proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2021, doorgenummerde pagina’s 100-105 van het einddossier, 347 keer contact heeft gehad met mijn telefoon. Het klopt niet dat ik zo vaak contact heb gehad met * [telefoonnummer 1] .”
2.10
De raadsman van de verdachte heeft blijkens de aan het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2024 gehechte pleitnotities, onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Feit 1
1. De verdediging meent dat bewezen kan worden een pleegperiode van 19 juli 2021 tot 30 november 2021. Van het overige moet cliënt worden vrijgesproken.
Algemeen
2. Wanneer in het dossier wordt gesproken over ‘de broers [verdachte] ’, bijvoorbeeld in de MMA meldingen, zegt dat nog niks omdat er vijf broers zijn.
3. Het wordt er niet veel duidelijker op wanneer afnemers worden gehoord. Zij wijzen voornamelijk naar ‘1 [naam] ’, niet zijnde [verdachte] , en zijn onduidelijk over de periode. Met de uitlatingen dat zij ‘enkele maanden/jaren afnemen’ kunt u onvoldoende. Er zit een aantal verslaafden tussen dat erkent al jaren drugs te gebruiken en weet ik hoeveel afnemers en nummers heeft gebruikt.
4. Bovendien is het een vast gegeven dat dergelijke deallijnen/nummers overgaan van persoon op persoon, of eigenlijk: die lijnen worden gewoon doorverkocht. Zelfs wanneer de [naam] -lijn al in 2019 zou hebben bestaan, kan niet zonder meer worden vastgesteld dat ook daadwerkelijk [verdachte] zich daar toen al mee bezighield.
5. De vraag is: vanaf wanneer wel? Aan de hand van abstracte MMA-meldingen, kunnen we dat niet. ‘Een broertje van [medeverdachte 4] ’ of ‘3 broers’ is onvoldoende, dat is absoluut onvoldoende concreet.
6. Het dossier vervolgt met verklaringen van de broers [getuige 2] (p. 76 en 78). De één geeft namen, de ander geeft een signalement. In hun beider verklaringen past [verdachte] niet of wordt [verdachte] niet genoemd.
7. De printlijst-analyse van het nummer eindigend op - [telefoonnummer 1] bevestigt dit ook (p. 100). Van dat nummer is zoals gezegd een analyse gemaakt waaruit om verschillende redenen zou volgen dat hiermee wordt gedeald. Dit nummer zou veelvuldig contact hebben gehad met onder andere mijn cliënt:
Contacten overig:
Het telefoonnummer heeft contact met telefoonnummers waarvan uit onderzoek is gebleken dat die in gebruik zijn bij [verdachte] (347 keer), [medeverdachte 4] (154 keer), [medeverdachte 1] (1 keer) en [betrokkene 4] . Ook is er veelvuldig contact met het [telefoonnummer 8] op naam van [verdachte] , [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het ouderlijk huis van de broers [verdachte] .
8. Dat zegt dus dat cliënt niet de gebruiker van dat nummer is. Hij belt immers niet met zichzelf. De ‘hoofd’-zendmast van dat nummer sluit hierbij aan. De meest gebruikte zendmast is de [c-straat 1] in [plaats] . De woningen van cliënt vallen niet hieronder: [f-straat] en [b-straat] vallen onder een mast dichterbij, namelijk die aan de [g-straat] .
9. De 'thuismast’ van cliënt is niet de [c-straat] . Dat gecombineerd met het gegeven dat hij contact zou hebben met het nummer - [telefoonnummer 1] , zegt mij dat hij dus niet achter die - [telefoonnummer 1] zit.
(...)
10. Voor de latere - [telefoonnummer 4] is dat niet anders: ook die straalt voornamelijk de [c-straat] en de [g-straat] aan. Cliënt woont daar simpelweg niet in de buurt, (p. 170): (...).
11. Pas bij het gebruik van een later [naam] -nummer, de - [telefoonnummer 2] , komt [verdachte] concreet in beeld. Op 19 juli 2021 is hij aangehouden waarbij een Samsung is aangetroffen met daarin die - [telefoonnummer 2] . Dat is wél een startpunt in het dossier, eerder niet.
12. Dat rijmt ook met eerdere observaties voorafgaand aan die aanhouding: bijvoorbeeld 10 mei 2021 (p. 194) waar een mogelijke drugsdeal met [betrokkene 8] wordt waargenomen. Noch het signalement van cliënt, toch een opvallende, noch zijn naam wordt genoemd.
13. Zelfde verhaal op 14 juli 2021 (p. 197). Er wordt een bekende gebruiker gezien, een auto die niet op naam van mijn cliënt staat en ook cliënt zelf wordt niet waargenomen. Het zijn kleine voorbeelden, maar die dragen wel bij aan het beeld over de rol van cliënt.
14. Die rol is namelijk niet zo groot, ook niet in die periode van 19 juli 2021 tot 30 november 2021. Ook op de observaties in die periode ziet u cliënt niet terug:
- p. 198, 4 september 2021: [verdachte] niet gezien;
- Zelfde geldt voor p. 200;
- p. 202-203, PV van herkenning: blijkt niet cliënt te zijn;
- 23 september 2021, p. 207, er stappen twee personen de woning uit. Geen van die twee is cliënt.
15. Pas op 29 september 2021, p. 212, komt cliënt weer in beeld. Hij reist dan als chauffeur samen met een ander en samen met de dealtelefoon. Dat dit een incident is, volgt uit de observaties de dagen ervoor en de weken erna.
I. Een reeks aan camerabeelden gericht op de woning uit september/oktober 2021 (p. 373):
o 5 september 2021: geen [verdachte] ;
o 6 september 2021: geen [verdachte] ;
o 7 september 2021: geen [verdachte] ;
o 11 september 2021: geen [verdachte] ;
o 19 september 2021: geen [verdachte] ;
o 2 oktober 2021: geen [verdachte] ;
o 4 oktober 2021: geen [verdachte] ,
II. Kijkt u eens naar 6 oktober 2021 (p. 218 e.v.)
o Dealmoment 1: geen [verdachte] ;
o Dealmoment 2: geen [verdachte] ;
o Dealmoment 3: geen [verdachte] ;
o Dealmoment 4: geen [verdachte] ;
o Dealmoment 5: geen [verdachte] .
III. 20 oktober 2021 (p. 229) zelfde verhaal: er wordt wel iemand gezien, maar niet mijn cliënt.
IV. 25 oktober 2021, camerabeelden [B] (p. 335): cliënt niet gezien;
V. 26 oktober 2021, camerabeelden [B] (p. 335): cliënt niet gezien;
VI. 27 oktober 2021, camerabeelden [B] (p. 335): cliënt niet gezien;
VII. 28 oktober 2021, camerabeelden [B] (p. 335): cliënt niet gezien;
VIII. 29 oktober 2021, p. 252:
o er zijn drie dealmomenten waargenomen;
o er zijn twee personen herkend;
o cliënt zit daar niet tussen.
IX. 2 november 2021 (p. 262): weer twee dealmomenten, weer geen [verdachte] .
X. Ook 10 november 2021, er zijn dealmomenten in de ochtend (p. 290), middag (p. 299) en later die middag (p. 300). Driemaal: niet cliënt.
16. Als cliënt al niet in beeld komt op de momenten dat ze in de gaten worden gehouden, hoe kunnen we er dan vanuit gaan dat cliënt wel precies schuldig zou zijn in handel op de momenten dat ze niet in de gaten worden gehouden? Vergeet u niet dat deze jongens zich onbespied waanden. Ook mijn cliënt. Als hij hier vuistdiep in zou zitten, zou u hem toch veel vaker zien?
17. Iemand kan sporadisch hebben meegedaan, maar niet verantwoordelijk zijn voor de hele tijdlijn. In die periode na zijn 1e aanhouding ziet u hem één keer op beeld en hij komt hij twee keer voor op een tap. Op 19 oktober 2021 wordt hem gevraagd 'ff dunne zakjes’ mee te nemen. En op 5 november 2021 (p. 287) spreekt cliënt weliswaar met de - [telefoonnummer 4] , maar als u simpelweg het gesprek leest ziet u dat cliënt zich in dat gesprek aan niets schuldig gemaakt.
18. U heeft voor u iemand die zeker in beeld is gekomen, reden waarom ook niet om gehele vrijspraak van feit 1 wordt gevraagd, maar u ziet met mij dat de periode waarin de volledige focus op cliënt en zijn omgeving ligt, de keren dat hij in beeld komt op één hand te tellen zijn?
19. Ik doel natuurlijk wel op de keren die mogelijk verband houden met een strafbaar feit. Dat hij namelijk op bijvoorbeeld 30 juli 2021 (p. 354) een keer in beeld komt op de Casembrootstraat zegt niets. Dat is zijn ouderlijk huis en u ziet ook op de beelden dat hij de woning verlaat met wat kleding.
20. Wat is nu een meetbaar mikpunt? Als een paal boven water: de aanhouding van 19 juli 2021. U zult ook de periode daarna meenemen, hoewel ik u wel met klem verzoek (in de strafmaat) mee te nemen hoe vaak en op welke wijze hij daarin voorkomt. Maandenlang is ongeveer elk denkbaar bob-middel ingezet (taps, camera’s, observaties, filmen, foto’s, noemt het) en cliënt komt 1x fysiek op beeld voorbij. Op de tap iets vaker, maar dat is allemaal 10 dagen voor zijn aanhouding (zie p. 647-658).
21. Er wordt te hoog gestraft als cliënt voor al die maanden wordt veroordeeld: bij hem is niet de [naam] -lijn in zijn huis aangetroffen (p. 555 + 593).
Dealtelefoon [telefoonnummer 4] werd aangetroffen op het slaapgedeelte in de slaapkamer van de genoemde verdachte [medeverdachte 3] . Voor meer bevindingen hierover verwijs ik u door naar proces-verbaal doorzoeking woning [a-straat 1] te [plaats] .
Resume: De Nokia telefoon die werd op 30 november 2021 werd aangetroffen op het bed van [medeverdachte 3] berof de “ [A] ”.
22. Alle aangetroffen iMEI-nummers worden niet aan mijn cliënt gelinkt (p. 594) en datzelfde geldt voor de SIM-kaarten (p. 595).
Bijzonderheden vanuit onderzoek
Uit onderzoek werd bekend dat het [telefoonnummer 1] in de periode 4 december 2019 tot en met 13 maart 2020 als ‘ [naam] ’ dealnummer gebruikt werd. Uit onderzoek bleek al dat het [telefoonnummer 1] op verschillende manier gekoppeld werd aan de broers [verdachte] .
23. Cliënt woonde op [f-straat] , in zijn woning zijn geen drugs gevonden, in zijn woning lag geen geld, niets relevants. Net als op [b-straat] . Hooguit een weegschaal, maar letterlijk daarnaast staat een pot met ‘Supervita Mannitol voedingssupplementen' zodat deze weegschaal ook niet meer zo veel zegt. (...).
24. Ten overvloede: er is niks positiefs op drugs getest op de weegschalen. Niet kan dus worden vastgesteld dat deze verband houden met drugs, laat staan met enige duur van drugshandel.
25. Maken dan de bij de RC gehoorde getuigen het anders? Niet echt.
o [getuige 3] zegt letterlijk dat hij [verdachte] niet kent;
o [getuige 2] was totaal de weg kwijt, u leest dat ook in het aanvullend PV van de RC. Met zijn verklaring kunnen we echt niets;
o [getuige 1] is niet komen opdagen;
o [getuige 4] zei de naam [naam] niets, hij nam bij 5 of 6 dealers tegelijkertijd af en heeft over 50 jaar wel 200 dealers gekend;
o De naam [verdachte] zei getuige [betrokkene 2] niets;
26. Ook eerdere verhoren van hen wijzen niet naar cliënt. [getuige 3] (p. 561) geeft geen herkenning en geen naam. [getuige 1] (p. 567) omschrijft een signalement dat niet past bij mijn cliënt:
V: Kan u deze [naam] omschrijven qua uiterlijk?
A: Klein jongetje, kleiner dan ik. Tenger postuur. Zelf vind ik hem onverzorgd, klein stoppelbaardje, ruikt naar zweet, kleding onverzorgd, kort zwart haar, een licht snorretje heeft hij vaak staan. Hij is licht getint, een Turk. Hij noemt zichzelf dus [naam] , geen idee wat zijn echte of volledige naam is. Mijn broer heeft toen bij zijn aangifte ook foto’s van [naam] gestuurd. Die kunnen jullie wel terugvinden.
27. Dat er met die [naam] -lijn werd gedeald, daarover hoort u mij niet. Maar vaststellen op welke schaal mijn cliënt hierbij was betrokken is de crux voor de bewezenverklaring en de latere strafmaat. In de ogen van de verdediging heeft de rechtbank te gemakkelijk twee momentopnames aan elkaar gelijmd en daaraan de conclusie verbonden dat cliënt in die gehele tussentijd zich schuldig maakte aan dealen.
28. Zo zouden er ten eerste geldbedragen op zijn rekening zijn overgemaakt, maar zonder een redengevend bewijsmiddel zegt een girale overboeking niet dat hij die periode onafgebroken dealde.
29. Dan blijft uit 2020 over: één Whatsapp-gesprek (30 juli 2020, p. 70) met een medeverdachte. Dit ene gesprek vind ik onvoldoende om twee periodes aan elkaar te knopen en te zeggen: [verdachte] , jij was actief op 30 juli 2020 en op 19 juli 2021. Dat betekent dat jij dus de maanden ertussen ook actief was en zodoende komen we tot een periode van 17 maanden. Dat is te kort door de bocht.
30. Als u afzet hoe weinig cliënt in fysiek in beeld komt op alle ingezette bob-middelen, gaat het te ver om te concluderen dat hij dus al die maanden non-stop actief was. U zult tot een gedeeltelijke bewezenverklaring komen, maar binnen die bewezenverklaring verzoek ik te differentiëren in rollen en frequentie.”
2.11
Verder vermeldt het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2024 dat de raadsman van de verdachte in aanvulling op zijn schriftelijke pleitnotities onder meer het volgende naar voren heeft gebracht (waarbij de nummering overeenkomt met de door de raadsman in de schriftelijke pleitnotities aangebrachte nummering):
“Nummer 9: Ook staat het enkel contact hebben met dat [telefoonnummer 1] natuurlijk niet gelijk aan het concreet betrokken zijn bij de drugshandel.
Nummer 17: In dit gesprek wordt enkel met mijn cliënt gesproken en hij stelt ook wat vragen terug, maar meer ook niet. Niets wijst op drugshandel.”
De bespreking van het middel
2.12
In het middel staat de bewezenverklaarde periode van het medeplegen van het opzettelijk verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne (feit 1) en de deelname aan een criminele organisatie die daarop gericht is (feit 2) centraal. Deze bewezenverklaarde periode eindigt – conform de tenlastelegging – bij zowel het vonnis van de rechtbank als het arrest van het hof op 30 november 2021, de dag dat de verdachte werd aangehouden. De aanvang van de bewezenverklaarde periode is in het vonnis van de rechtbank gelegen op 5 juni 2020 en in het arrest van het hof op 4 december 2019.
2.13
In de bewijsvoering van het hof over het beginpunt van de bewezenverklaarde periode spelen de telefoons waarmee de drugsdealers contact hadden met hun klanten een grote rol. Naast het nummer * [telefoonnummer 1] , waren dit de nummers * [telefoonnummer 5] , * [telefoonnummer 2] , * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 4] . Deze nummers werden volgens de vaststellingen van het hof opeenvolgend gebruikt en hadden een groot aantal dezelfde contacten. Tijdens het tappen van het nummer * [telefoonnummer 4] werden onder meer gesprekken tussen dit nummer en de verdachte afgeluisterd waarin werd gesproken over pakketten, een levering en het adres van een gebruiker. Het hof vat dit, door overneming van de overwegingen van de rechtbank, samen als gesprekken tussen de ‘ [A] ’ en de verdachte over klanten en prijzen. Het hof stelt verder vast dat de verdachte en diens broers op stelselmatige wijze samenwerkten en dat er sprake was van een zekere rolverdeling, waarbij sommige rollen door meerdere broers werden vervuld.
2.14
Deze vaststellingen en de betrokkenheid van de verdachte bij de drugshandel worden op zich in cassatie niet betwist. Dat deze strafbare betrokkenheid van de verdachte al vanaf 4 december 2019 bestond, stoelt het hof onder andere op de vaststellingen over de nummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 1] . Kort gezegd komen die vaststellingen erop neer dat beide nummers op 4 december 2019 in gebruik zijn genomen, het nummer * [telefoonnummer 2] behoorde bij een telefoon die bij de verdachte is aangetroffen en de activiteiten op het nummer * [telefoonnummer 1] mede omvatten het veelvuldig bellen naar de verdachte in de periode meteen na de ingebruikneming.
2.15
Het hof overweegt meer specifiek allereerst dat de verdachte op 19 juli 2021 is aangehouden en op dat moment (onder meer) een mobiele telefoon bij zich had met daarin een simkaart met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 2] (bewijsmiddelen 8 en 10). Het hof stelt verder vast dat deze telefoon vanaf 4 december 2019 actief was en dat van 62 contacten in de telefoon politieregistraties met betrekking tot het gebruik van of de handel in harddrugs bekend zijn (zie ook bewijsmiddel 8). Uit de bewijsvoering volgt dat in 2020 en 2021 verzonden berichten vanuit het [telefoonnummer 2] onder meer ‘ [naam] actief’, ‘ [naam] online’ en ‘ [naam] online topspul’ inhouden (zie eveneens bewijsmiddel 8). Het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 2] betreft naar het oordeel van het hof dan ook een van de nummers van de [A] . Verder werd in de telefoon van een voor de politie bekende drugsgebruiker een bericht van het [telefoonnummer 2] aangetroffen, welk bericht op 14 januari 2021 werd verstuurd en inhield dat dit het nieuwe nummer van [naam] is (bewijsmiddelen 6 en 7). Uit de door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank volgt voorts dat het [telefoonnummer 2] – evenals de overige telefoonnummers die als ‘dealnummer’ zijn aangemerkt – voornamelijk heeft aangestraald bij zendmasten in [plaats] en in de omgeving van het ouderlijk huis van de verdachte en dat alle telefoonnummers contact maakten met meerdere broers [verdachte] . Ook werden met voornoemd telefoonnummer in 2021 meerdere ‘SMS-bommen’ verzonden naar merendeels contacten die binnen de politiesystemen voorkomen als (hard)drugsgebruikers (bewijsmiddel 9).
2.16
Het hof heeft verder vastgesteld dat een van de andere telefoonnummers van de [A] – eindigend op * [telefoonnummer 1] – ook sinds 4 december 2019 actief was. Dat telefoonnummer is gedurende een periode van ongeveer drie maanden – van 4 december 2019 tot en met 7 maart 2020 – in één mobiele telefoon actief geweest en vanaf 4 december 2019 zijn met deze mobiele telefoon en dit telefoonnummer een groot aantal ‘SMS-bommen’ naar een groot aantal contacten gestuurd. Ook deze contacten staan merendeels bekend als (hard)drugsgebruikers. In voornoemde periode heeft dit telefoonnummer contact gehad met de telefoonnummers van de verdachte (347 keer), [medeverdachte 4] (154 keer), [medeverdachte 1] en het ouderlijk huis van de verdachte en zijn broers (bewijsmiddel 1). Het hof overweegt over deze contacten dat de intensiteit daarvan past bij de betrokkenheid bij gezamenlijke drugshandel.
2.17
Uit deze gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof niet onbegrijpelijk in het algemeen afgeleid dat de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 1] zogenoemde ‘dealnummers’ betreffen. Voor wat betreft het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 1] volgt uit de bewijsvoering, gelet op de verstuurde ‘SMS-bommen’, specifiek dat dit nummer (in ieder geval) van 4 december 2019 tot en met 7 maart 2020 – en daarmee bij aanvang van de door het hof bewezenverklaarde periode – als ‘dealnummer’ werd gebruikt. Nu het hof verder heeft vastgesteld dat dit telefoonnummer in die periode van ongeveer drie maanden in totaal 347 keer contact heeft gehad met het telefoonnummer van de verdachte,1.dat het in 2021 onder de verdachte aangetroffen telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 2] ook sinds 4 december 2019 actief was en dat uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte voldoende nauw en bewust met de medeverdachten heeft samengewerkt bij het verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne en heeft deelgenomen aan een daarop gerichte criminele organisatie, is het oordeel van het hof dat de verdachte gedurende de gehele bewezenverklaarde periode van 4 december 2019 tot en met 30 november 2021 actief is geweest in deze handel in verdovende middelen niet onbegrijpelijk. Dit geldt tevens voor de verwerping van het verweer dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt gedurende een aanzienlijk kortere periode.
2.18
Hieraan kan niet afdoen dat in de toelichting op het middel de aandacht wordt gevestigd op het verweer dat de verdediging bij het hof had gevoerd, inhoudende dat [telefoonnummer 1] meermaals contact heeft gehad met het telefoonnummer van de verdachte zodat het volgens de steller van het middel uitgesloten althans onwaarschijnlijk is dat de verdachte zelf het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 1] heeft gebruikt (en aldus zichzelf zou hebben gebeld). Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan verder niet volgen dat de telefonische contacten met de verdachte betrekking hebben gehad op de handel in verdovende middelen, terwijl 3472.telefonische contacten tussen broers in een periode van ongeveer twee jaar niet als exceptioneel veel moet worden aangemerkt.
2.19
De steller van het middel miskent hiermee dat het hof het medeplegen van de handel in verdovende middelen en het deelnemen aan een criminele organisatie bewezen heeft verklaard. Het hof heeft vastgesteld dat binnen deze samenwerking verschillende rollen bestonden. Over de rol van de verdachte heeft het hof niet vastgesteld dat hij steeds de telefoon beheerde, maar wel dat hij actief was met zaken als pakketten, levering, klanten en prijzen. Gelet hierop is het geenszins onbegrijpelijk dat het hof oordeelde dat het gegeven dat de verdachte in een periode van drie maanden 347 keer is gebeld door een dealtelefoon kan bijdrage aan het bewijs voor het bewezenverklaarde vanaf 4 december 2019.
2.20
Het middel faalt.
3. Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 19 maart 2024. Dat zal betekenen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase in enige mate zal worden overschreden. In het geval de overschrijding van de redelijke termijn minder dan één maand bedraagt, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.3.
3.3
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑03‑2026
In de toelichting op het middel lijkt abusievelijk het getal 374 te zijn opgenomen.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2.