Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.4.e
4.4.e Motivering
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609521:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GK) 21 januari 1999, nr. 30544/96, NCJM-bull. 1999, p. 763-770, m.nt. Lawson (García Ruiz/Spanje) (civiel); EHRM 8 april 2008, nr. 7170/02 (Grădinar/Moldavië); EHRM 2 november 2010 (ontv.), nr. 32463/06 (Bachowski/Polen); EHRM (GK) 16 november 2010, nr. 926/05 (Taxquet/België); EHRM 13 december 2011, nr. 20883/09 (Ajdaric/Kroatië).
EHRM (GK) 16 november 2010, nr. 926/05 (Taxquet/België); EHRM 10 juli 2012 (ontv.), nr. 1195/10 (Shala/Noorwegen); EHRM 13 november 2014, nr. 31973/03 (Lazariu/Roemenië); EHRM (GK) 29 november 2016, nr. 34238/09 (Lhermitte/België).
EHRM 18 december 2007, nr. 3738/02 (Marini/Albanië); EHRM 7 april 2009 (ontv.), nr. 76800/01 & 76801/01 (Cesky & Kotik/Tsjechië); EHRM 7 juli 2009, nr. 25336/04 (Grori/ Albanië); EHRM 27 oktober 2009, nr. 45081/04 (Stephanyan/Armenië).
Zie over deze factoren ook de noot van Schlössels onder EHRM 27 september 2001, nr. 49684/99, NJCM-bulletin 2002, p. 291-298 (Hirvisaari/Finland) (civiel); Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 595-596; Dreissen 2007, p. 134-141.
EHRM 21 april 2011, nr. 42310/04 (Nechiporuk & Yonkalo/Oekraïne); zie ook EHRM 17 juni 2008, nr. 81/04 (Victor Savitchi/Oekraïne).
ECRM 21 oktober 1998 (ontv.), nr. 38089/97 (Gibbs/Nederland).
EHRM 20 januari 2011, nr. 20009/06 (Panayiotou/Cyprus).
EHRM (GK) 16 november 2010, nr. 926/05 (Taxquet/België); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland).
EHRM (GK) 16 november 2010, nr. 926/05 (Taxquet/België); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland).
Zo ook Knigge in zijn noot onder HR 21 september 1999, NJ 2000/380; zie ook zijn annotatie onder EHRM 4 juli 2000 (ontv.), nr. 43149/98, NJ 2001/401 (Kok/Nederland).
Vgl. over juryrechtspraak EHRM (GK) 16 november 2010, nr. 926/05 (Taxquet/België); zie ook reeds ECRM 29 november 1995 (ontv.), nr. 20161/92 (Tappe/Oostenrijk); ECRM 15 november 1996, nr. 25852/94 (Planka/Oostenrijk). Zie uitgebreid over deze grondslagen voor motivering volgens het EHRM, Trechsel 2005, p. 102-106.
Vgl. Brenninkmeijer 1995a; Goss 2014, p. 42-51
Zie bijv. EHRM 8 april 2008, nr. 7170/02 (Grădinar/Moldavië) en met name de daarbij gevoegde dissenting opinions van Bratza en Pavlovschi, die elk ingaan op het hier gesignaleerde punt; zie ook EHRM 13 december 2011, nr. 20883/09 (Ajdarić/Kroatië).
EHRM 19 december 1992, nr. 12945/87, NCJM-bull. 1993, p. 318-319, m.nt. Myjer (Hadjianastassiou/Griekenland); ECRM 31 maart 1993 (ontv.), nr. 18686/91 (Ojanen/Finland); EHRM 27 maart 2008 (ontv.), nr. 27098/04 (Persson/Zweden); EHRM 28 mei 2009, nr. 72839/01, 74124/01 & 15625/02 (Karyagin, Matveyev and Korolev/Rusland); EHRM 27 september 2009, nr. 6301/05 (Nitschke/Sweden); Aldus ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 430.
EHRM 21 januari 1999 (GK), nr. 30544/96 (García Ruiz/Spanje) (civiel); EHRM 27 maart 2008 (ontv.), nr. 27098/04 (Persson/Zweden); EHRM 6 januari 2009 (ontv.), nr. 20532/05 (Viinikanoja/Finland) (civiel); EHRM 17 mei 2011 (ontv.), nr. 57655/08, NJ 2012/307, m.nt. Van Kempen (Suhadolc/Slovenië), EHRM 2 mei 2017 nr. 17906/15 (Ruminski/Zweden); mits natuurlijk de bestreden uitspraak voldoende is gemotiveerd, zie EHRM 11 oktober 2011, nr. 36755/06 (Fomin/Moldavië) en EHRM 27 september 2001, nr. 49684/99 (Hirvisaari/Finland); Voor afwijking van het oordeel van een lagere rechter hoeven in beginsel geen redenen te worden gegeven, zie EHRM 17 juni 2008, nr. 81/04 (Victor Savitchi/ Oekraïne).
“The Court further observes that where a supreme court refuses to accept a case on the basis that the legal grounds for such a case are not made out, very limited reasoning may satisfy the requirements of Article 6 of the Convention”, in EHRM 11 juli 2000 (ontv.), nr. 42295/98 (Nerva e.a./Verenigd Koninkrijk) (civiel); EHRM 18 juli 2006, nr. 40109/03 (Jaczko/Hongarije) (civiel); EHRM 18 december 2007, nr. 3738/02 (Marini/Albanië) (civiel); EHRM 14 oktober 2008, nr. 3261/05 (Mruz/Hongarije) (civiel); ECRM 2 juli 1997 (ontv.), nr. 33186/96 (Webb/Verenigd Koninkrijk); EHRM 6 januari 2009 (ontv.), nr. 20532/05 (Viinikanoja/Finland) (civiel); EHRM 7 juli 2009, nr. 25336/04 (Grori/Albanië); EHRM 1 september 2009 (ontv.), nr. 38308/05 (Wnuk/Polen) (civiel); EHRM 1 december 2009 (ontv.), nr. 11186/03 (Jakupi/Albanië) (civiel); EHRM 2 november 2010 (ontv.), nr. 32463/06 (Bachowski/Polen); EHRM 13 oktober 2016, nr. 47938/07 (Talmane/Letland).
Vgl. onder het IVBPR, CRM 31 oktober 2006, nr. 1187/03 (Verlinden/Nederland) (civiel), waarover Joseph & Castan 2013, p. 469.
EHRM 11 juni 2000 (ontv.), nr. 42295/98 (Webb/Verenigd Koninkrijk); EHRM 29 mei 2001, nr. 63716/00 (Sawoniuk/Verenigd Koninkrijk); aldus ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 430.
Zie bijv. ECRM 26 oktober 1995 (ontv.), nr. 20087/92 (E.M./Noorwegen); ECRM 27 november 1996 (ontv.), nr. 25944/94 (Peterson Sarpsborg e.a./Noorwegen); ECRM 9 april 1997 (ontv.), nr. 25419/94 (Denev/Zweden) (civiel); ECRM 25 februari 1997 (ontv.), nr. 26561/ 95 (Rebai e.a./Frankrijk) (civiel); EHRM 19 januari 2010 (ontv.), nr. 15371/07 (Nersesyan/ Armenië) (civiel); zie voor inhoudelijke toegangsbeoordeling in het bijzonder EHRM 25 februari 1997 (ontv.), nr. 26561/95 (Rebai e.a./Frankrijk); EHRM 1 september 2009 (ontv.), nr. 38308/05 (Wnuk/Polen) (civiel); EHRM 2 november 2010 (ontv.), nr. 32463/06 (Bachowski/Polen); EHRM 2 september 2014 (ontv.), nr. 19312/07 (Tchaghia Shvili/Georgië); EHRM 15 november 2016 (ontv.), nr. 36007/07 (Shapoval/Oekraïne); zie voor vrije toegangsbeoordeling in het bijzonder EHRM 11 december 2006 (ontv.), nr. 39485/03 (Stober/Duitsland); EHRM 23 oktober 2007 (ontv.), nr. 2357/05 (Heimann/Duitsland); EHRM 24 september 2013, nr. 46090/10 (Sardón Alvira/Spanje); EHRM 20 januari 2015, nr. 16563/11 (Arribas Anton/Spanje); zie ook EHRM 16 oktober 2006, nr. 32817/02 (Wildgruber/Duitsland); EHRM 17 mei 2011 (ontv.), nr. 57655/08, NJ 2012/307, m.nt. Van Kempen (Suhadolc/Slovenië); Hierover ook Pinckaers 1997, p. 49-50.
EHRM 29 mei 2001 (ontv.), 63716/00 (Sawoniuk/Verenigd Koninkrijk); ECRM 2 juli 1997 (ontv.), nr. 33186/96 (Webb/Verenigd Koninkrijk). EHRM 14 januari 2003 (ontv.), 41293/98 (Salonen & Stahl/Finland); EHRM 19 januari 2010 (ontv.), nr. 15371/07 (Nersesyan/Armenië) (civiel).
EHRM 14 januari 2003 (dec), 41293/98 (Salonen & Stahl/Finland).
EHRM 6 januari 2009 (ontv.), nr. 20532/05 (Viinikanoja/Finland) (civiel).
EHRM 27 maart 2008 (ontv.), nr. 27098/04 (Persson/Zweden).
EHRM 26 februari 2002 (ontv.), nr. 54367/00 (Bufferne/Frankrijk) (civiel); EHRM 6 september 2005 (ontv.), nr. 28070/03 (Glender/Zweden) (civiel).
Zie bijv. EHRM 11 juli 2000 (ontv.), nr. 42295/98 (Nerva e.a./Verenigd Koninkrijk) (civiel); EHRM 18 juli 2006, nr. 40109/03 (Jaczko/Hongarije) (civiel); EHRM 18 december 2007, nr. 3738/02 (Marini/Albanie) (civiel); EHRM 14 oktober 2008, nr. 3261/05 (Mruz/Hongarije) (civiel); ECRM 2 juli 1997 (ontv.), nr. 33186/96 (Webb/Verenigd Koninkrijk); EHRM 6 januari 2009 (ontv.), nr. 20532/05 (Viinikanoja/Finland) (civiel); EHRM 7 juli 2009, nr. 25336/04 (Grori/Albanie); EHRM 1 september 2009 (ontv.), nr. 38308/05 (Wnuk/Polen) (civiel); EHRM 1 december 2009 (ontv.), nr. 11186/03 (Jakupi/Albanië) (civiel); EHRM 2 november 2010 (ontv.), nr. 32463/06 (Bachowski/Polen).
Met verwijzing naar de wettelijke toegangsvoorwaarde, zie EHRM 2 oktober 2014, nr. 15319/09, AB 2015/54, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Hansen/Noorwegen) (civiel), r.o. 15.
Zie over dat laatste punt ook Emmerson, Ashworth & Macdonald 2012, p. 897-899.
Daartegen pleit weer dat motivering van een verlofbeslissing niet alleen van belang is om controle in nader beroep mogelijk te maken, maar ook om de beslissing tot het aanwenden van beroep te faciliteren.
Zie paragraaf 3.10c.
EHRM 2 oktober 2014, nr. 15319/09, AB 2015/54, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Hansen/Noorwegen) (civiel), r.o. 30-46.
EHRM 10 april 2012, nr. 11656/08 (Bar-Bau S. z o. o./Polen).
EHRM 10 april 2012, nr. 11656/08 (Bar-Bau S. z o. o./Polen), met verwijzing naar EHRM 3 november 2009, nr. 38016/07 (Sierpinski/Polen), zie voor de iets anders geformuleerde voorganger van deze bepaling EHRM 15 juni 2006, nr. 8932/05 & 59519/00 (Sialkowska/Polen).
Het cassatieberoep was kennelijk niet op de derde en vierde grond voor toegang gericht.
Het overweegt: “Dans de telles circonstances la Cour note que l’examen au fond du second moyen du pourvoi revêtait une certaine importance pour la société requérante.”
Beroep op een constitutioneel hof lijkt mogelijk, zie onder het oude toegangssysteem EHRM 1 september 2009 (ontv.), nr. 38308/05 (Wnuk/Polen).
EHRM 3 november 2009, nr. 38016/07 (Sierpinski/Polen).
EHRM 20 maart 2012, nr. 12285/09 (Dryzek/Polen), zie onder het oude toegangssysteem EHRM 1 september 2009 (ontv.), nr. 38308/05 (Wnuk/Polen).
EHRM 1 september 2009 (ontv.), nr. 38308/05 (Wnuk/Polen).
EHRM 29 mei 1997, nr. 21522/93 (Georgiadis/Griekenland); EHRM 29 september 2005, nr. 2507/02 (Kurti/Griekenland), zie over “exceptional circumstances” de zaak EHRM 30 november 1987, nr. 8950/80 (H./België); en over deze zaken Kuijer 2004, 169; Grabenwarter 2014, p. 139.
Ten aanzien van de motivering van uitspraken stelt het EHRM doorgaans voorop dat “the extent of the duty to give reasons varies according to the nature of the decision and must be determined in the light of the circumstances of the case”.1 Zo is het van belang om onderscheid te maken tussen uitspraken (deels) gewezen door een jury en beslissingen genomen door professionele rechters.2 Ook doet het ertoe wat het nationale recht voorschrijft, is relevant wat door de verdediging naar voren is gebracht en telt wat de positie van de rechter in de procedure als geheel is.3/4 Afhankelijk van het belang of de indringendheid waarmee de verdediging standpunten naar voren brengt, dient soms ook daarop te worden gereageerd.5 Overigens kan de motivering van een oordeel in een beslissing besloten liggen.6 Hoewel gerechten enerzijds “are not obliged to give a detailed answer to every argument raised”,7 moet de uitspraak anderzijds duidelijk maken dat “the essential issues of the case” aan de orde zijn geweest.8
Al met al is moeilijk in algemene termen aan te geven wat het EHRM aan motivering vereist. Dit casuïstische karakter van motiveringsrechtspraak van het EHRM kan worden verklaard. Als grondslagen voor de motiveringsverplichtingen wijst het EHRM er vaak op dat “the accused, and indeed the public, must be able to understand the judgment or decision that has been given; this is a vital safeguard against arbitrariness”.9 Uit deze overwegingen blijkt de preventie van willekeurige beslissingen als belangrijke grondslag voor de motiveringsverplichting. Deze grondslag kan tot aanvullende motivering nopen, maar omdat ook andere procedurele waarborgen willekeur tegengaan (openbaarheid; onafhankelijkheid) kan in andere gevallen met minder motivering worden volstaan.10 Hetzelfde compensatiemechanisme geldt voor de tweede motiveringsgrondslag, explicatie, nu de procespartijen uitleg over de beslissingen soms niet alleen uit de motivering kunnen afleiden.11 Door dit compensatiemechanisme valt niet gemakkelijk scherp te krijgen wat in concrete gevallen van de strafrechter aan motivering wordt verwacht.
Daar komt bij dat het EHRM de motiveringsverplichting in bepaalde zaken inzet als aanknopingspunt voor wat als fourth instance-toetsing kan worden beschouwd.12 De gedachte daarachter is dat een evident onjuiste beslissing niet voldoende kán worden gemotiveerd. Het Hof zal in een dergelijk geval de motivering als onvoldoende betitelen en kan daardoor een rechtstreeks oordeel over de merits van de strafzaak zelf in het midden laten.13 In elk geval de schijn van procedurele toetsing blijft dan bestaan. In het midden kan blijven of het EHRM hier goed aan doet, hier is belangrijk dat de motiveringsjurisprudentie van het Hof door deze toetsing niet inzichtelijker wordt.
Wat betekent dit voor de berechting in beroep en in het bijzonder voor verlofstelsels? Om te beginnen is van belang dat de verplichting tot motivering mede is gebaseerd op de gedachte dat motivering “makes it possible for the accused to exercise usefully the right of appeal available to him”.14 Tussen de verplichting om te motiveren en de toegang tot beroep bestaat dus een duidelijke relatie. Waar voor beroepsrechters in het algemeen geldt dat bevestiging van een bestreden uitspraak in beginsel geen nadere motivering behoeft,15 geldt met het oog op het bovenstaande dat het gerecht in laatste instantie in elk geval zeer bescheiden mag motiveren.16 / 17
Ook voor verlofstelsels is het Europese Hof soepel. Artikel 6 EVRM schrijft volgens het hof niet voor dat verlofbeslissingen tot in detail worden gemotiveerd.18 “If the domestic law subjects the acceptance of the appeal to a decision by the competent court whether it considers that the appeal raises a legal issue of fundamental importance and whether it has any chances of success, it may be sufficient for this court simply to reject or accept this petition [of: to refer to the provision authorising this procedure, GP].”19 Deze regel laat weliswaar ruimte voor een motiveringsplicht in bijzondere gevallen, maar het EHRM vereist dat in de praktijk eigenlijk nooit. Keer op keer worden klachten over de motivering van weigering van leave to appeal afgewezen. Toegeven, in sommige zaken hecht het EHRM belang aan verzachtende omstandigheden zoals: het feit dat de strafzaak reeds in twee instanties uitgebreid is berecht en daarop gemotiveerd is beslist;20 het feit dat het nationale recht geen motivering vereist;21 of het feit dat de bestreden beslissing niet als zodanig zonder onderzoek is bevestigd maar louter de klachten van de insteller van het beroep zijn beoordeeld.22 Maar in andere zaken komt het EHRM tot een goedkeuring zonder meer,23 of bevat de uitspraak van het Hof zelfs een welwillende lezing van een niet of nauwelijks gemotiveerde verlofbeslissing.24 Samengevat laat het EHRM dus veel ruimte voor summiere of standaardmotivering van verlofbeslissingen.
Twee zaken wijken echter van deze bestendige lijn opvallend af. Gelet op het belang van motivering voor het effectief uitoefenen van een beroepsmogelijkheid, stelt artikel 6 EVRM mogelijk strengere motiveringseisen indien verlof tot beroep wordt afgewezen en tegen die weigering zelf weer beroep openstaat. De rechtspraak van het EHRM hintte reeds in die richting, aangezien de coulante vooropstellingen over de motivering van verlofbeslissingen doorgaans enkel de hoogste gerechten betreffen.25 In 2014 is deze gedachte voorts in een concrete zaak bevestigd.
In de zaak Hansen/Noorwegen stelt het EHRM een schending vast van het motiveringsvereiste in een geval van leave to appeal tot hoger beroep. De zaak draait om hoger beroep tegen een civielrechtelijke uitspraak over de eigendom van een woning. Een meervoudige kamer van drie rechters wijst, na aankondiging van dat oordeel door de kamer en reactie daarop van Hansen, op 12 juni 2008 het verlofverzoek unaniem af. De motivering is summier: het appelgerecht “finds it clear that the appeal will not succeed”.26 Tegen dat oordeel stelt Hansen beroep in bij het hooggerechtshof, in het bijzonder klagend over het gebrek aan motivering van het verlofoordeel. Verlof tot het hooggerechtshof wordt afgewezen, omdat ook dat beroep is gedoemd te falen. Bij het EHRM klaagt Hansen over het gebrek aan adequate motivering voor de afwijzing van verlof tot hoger beroep. Het EHRM stelt zoals opgemerkt een schending vast.
Dit is niet de plaats om uitgebreid op de kenmerken en uitgebreide motivering van die uitspraak van het EHRM in te gaan. Wel is de vraag van belang of het Hof in Hansen/Noorwegen is omgegaan ten opzichte van de coulante jurisprudentie over de motivering van verlofoordelen. Ik geloof van niet. De zaak Hansen/Noorwegen verschilt namelijk in twee opzichten van alle daaraan voorafgaande zaken. Ten eerste omdat in de Noorse zaak op inhoudelijke gronden verlof is geweigerd tot een appelinstantie die zowel opnieuw over de feiten als het recht oordeelt, en ten tweede omdat tegen de weigering van verlof zelf beroep mogelijk was. In zijn dissenting opinion wijst rechter Møse erop dat drie oudere zaken in sommige opzichten lijken op Hansen/ Noorwegen – al is geen ervan gelijk(waardig), zo geeft Møse ook toe. In het bijzonder wijst hij erop dat enkele oudere uitspraken ook verlof tot hoger beroep betroffen, en daaraan dus slechts één volwaardige instantie aan vooraf was gegaan, terwijl in die zaken geen schending van artikel 6 EVRM is vastgesteld. Gelet op de motivering van het EHRM in Hansen/Noorwegen lijkt mij echter niet zozeer relevant dat de verlofbeoordeling in hoger beroep plaatsvindt, maar dat in het geval van Hansen tegen dat oordeel nader beroep openstaat op het hooggerechtshof. Dat laatste lijkt voor het EHRM de reden om kritisch te zijn, in combinatie dus met het inhoudelijke karakter van het toegangsoordeel in hoger beroep. De relevantie van het oordeel in de zaak Hansen/Noorwegen is in de meest voorzichtige exegese dus beperkt tot gevallen waarin het verlofoordeel ten eerste inhoudelijk en meer specifiek zowel feitelijk als juridisch van aard is, en ten tweede tegen dat verlofoordeel verder beroep openstaat.27 De zaak Hansen/Noorwegen maakt duidelijk dat dat soort verlofbeslissingen met meer dan een standaardmotivering moeten worden gemotiveerd.
Mogelijk is hierbij verder nog relevant dat de toegang tot het Noorse hooggerechtshof door een verlofstelsel wordt beheerst. Om verlofbeoordeling door het Noorse hooggerechtshof mogelijk te maken lijkt het namelijk gewoonweg noodzakelijk dat de verlofbeslissing in hoger beroep wordt gemotiveerd, aangezien dergelijke motivering de verlofbeoordeling faciliteert. Deze afhankelijkheid bestaat niet of minder indien het hooggerechtshof de strafzaak integraal opnieuw zou behandelen, omdat dit soort beoordeling niet voortbouwt op de in hoger beroep gegeven motivering. De beschikbaarheid van een rechtsmiddel tegen een verlofbeslissing in hoger beroep pleit dus niet zonder meer ervoor hoge eisen te stellen aan de motivering van die verlofbeslissing.28 Voor Nederland is deze lijn van redeneren overigens niet van belang, aangezien in cassatie geen integrale herbeoordeling van de tenlastelegging plaatsvindt maar juist de bestreden uitspraak en daarin opgenomen motivering wordt gecontroleerd.
Ten slotte kan om een andersoortige reden worden getwijfeld aan de algemene betekenis van de uitspraak in Hansen/Noorwegen. In de periode tussen de weigering van het appelverlof in Noorwegen in juni 2008 en de veroordeling in Straatsburg van 2014 is Noorwegen terechtgewezen voor de toepassing van het verlofstelsel in hoger beroep door het Comité voor de Rechten van de Mens vanwege schending van artikel 14 lid 5 IVBPR.29 Als gevolg daarvan vereisten eerst het Noorse hooggerechtshof in december 2008 en daarna de wetgever in 2010 dat verlofbeslissingen in hoger beroep tamelijk concreet worden gemotiveerd.30 Het EHRM was dus ervan verzekerd dat (i) zijn oordeel zou overeenstemmen met dat van het CRM, en (ii) dat de vaststelling van een schending in Noorwegen niet of nauwelijks organisatorische of financiële gevolgen zou hebben. In zekere zin geeft het EHRM in de zaak Hansen/Noorwegen ‘een klap’ op rechtsontwikkeling die toch al heeft plaatsgevonden. In het geval van klachten tegen andere staten zal het EHRM gelet hierop en op de margin of appreciation van staten wellicht terughoudender oordelen.
Meer brisant is de uitspraak van het EHRM in de zaak Bar-Bau/Polen.31 Het draait in deze zaak om een man die schadevergoeding claimt voor het bankroet van zijn onderneming, volgens de man het gevolg van reputatieschade door vervolging voor feiten waarvoor hij uiteindelijk is vrijgesproken. In eerste aanleg en hoger beroep wordt zijn vordering afgewezen. Dit niet alleen omdat de voor schadevergoeding vereiste onrechtmatigheid onvoldoende was gebleken, maar ook omdat zijn vordering te laat was ingediend. De man stelt cassatie in. De toegang tot cassatie wordt hem echter ontzegd op grond van artikel 398 van het Poolse wetboek van rechtsvordering, dat bepaalt dat een cassatieberoep alleen behandeld wordt indien “1) there is a significant legal issue in the case, 2) there is a need for the interpretation of provisions raising serious doubts or causing discrepancies in the courts’ case-law, 3) the proceedings are invalid at law, [or] 4) the complaint is manifestly well-founded”.32 Volgende de enkelvoudige kamer die hierover in camera oordeelt, is aan geen van deze toegangsvoorwaarden voldaan, waarbij deze alleen uitlegt waarom de eerste grond niet aan de orde is en toepasselijkheid van de tweede grond zonder nadere motivering expliciet afwijst.33
Het EHRM overweegt dat de gemotiveerde afwijzing van het beroep op de eerste toegangsgrond, gecombineerd met de kale afwijzing van het beroep op de tweede toegangsgrond, de klager in een situatie van rechtsonzekerheid heeft achtergelaten (“situation d’incertitude juridique”). Het Hof wijst in het bijzonder erop dat de wetgeving over overheidsaansprakelijkheid was gewijzigd in de periode waarin de gewezen verdachte om schadevergoeding had verzocht, dit nadelig was geweest voor de gewezen verdachte, en het daarom redelijk leek dat hij een duidelijk antwoord zou krijgen op zijn rechtsvraag. (“Le changement législatif avait placé la société requérante dans une situation désavantageuse et dès lors il semblait légitime qu’elle obtienne une réponse claire à une question de droit nouvelle, souffrant d’un manque d’interprétation uniforme par les tribunaux”). Of het EHRM meent dat toegang tot beroep had moeten worden verleend, is niet helemaal duidelijk,34 in elk geval is de ongemotiveerde weigering van toegang op de tweede grond in strijd met artikel 6 EVRM.
Waar de beslissing in de zaak Hansen/Noorwegen nog te verklaren is met het oog op de mogelijkheid voor nader beroep, is de uitspraak in deze Poolse zaak minder gemakkelijk in de jurisprudentie van het EHRM in te passen. Er is geen gewoon rechtsmiddel tegen de toegangsweigering mogelijk,35 de toetsing in cassatie is beperkt van aard,36 en het systeem van toegangsbeoordeling is in eerdere uitspraken door het EHRM als leave to appeal bestempeld.37 Bovendien had het EHRM al eerder klachten over een vergelijkbaar systeem van toegangsbeoordeling en summiere motivering in Polen afgewezen.38 Moet de uitspraak in de zaak Bar-Bau/Polen daarom als unicum worden beschouwd, als een strenge uitschieter op een bestendige lijn van coulante jurisprudentie? Een slip of the pen misschien?
Uitzonderlijk is de zaak zeker, maar om één reden moet misschien toch voorzichtig worden omgesprongen met summiere motivering van verlofbeslissingen in laatste instantie. In enkele zaken overwoog het EHRM namelijk over open of vage normen dat bij de toepassing daarvan preciezere redengeving is vereist. In twee Griekse zaken werden verzoeken om schadevergoeding voor voorlopige hechtenis afgewezen omdat deze hechtenis te wijten was aan “gross negligence” van de verdachten. Nadere motivering werd niet gegeven. Het EHRM acht de motiveringsverplichting geschonden en overweegt dat “the lack of precision of this concept [gross negligence, GP], which involves an assessment of questions of fact, required that the courts give more detailed reasons, particularly since their finding was decisive for the applicant’s right to compensation”.39 Als de toepassing van open normen inderdaad beter dan gewoonlijk moet worden gemotiveerd, dan is de summiere motivering van vrije toegangsbeoordeling – zoals in de Poolse zaak – kwetsbaar.
Daar staat echter weer tegenover dat de inschatting van of een gat in de rechtseenheid moet worden gedicht, om de tweede Poolse toegangsgrond te parafraseren, bij uitstek binnen de beoordelingsruimte van het hoogste nationale gerecht lijkt te liggen, terwijl anderzijds beoordeling van deze maatstaf door het EHRM gemakkelijk op fourth instance-toetsing kan neerkomen. Het kan wel zijn dat de toepassing van open normen om meer motivering vraagt, maar of het EHRM snel zal ingrijpen als het gaat om vrije toegangsbeoordeling is dus de vraag. Daarvoor telt in de Poolse zaak bovendien dat verandering van wetgeving een tamelijk objectief aanknopingspunt is voor het oordeel dat met het oog op rechtseenheid nadere motivering van verlofweigering geboden is. Dat het EHRM in de Poolse zaak ingrijpt vanwege rechtsonzekerheid die is ontstaan na verandering van wetgeving, laat wellicht onverlet dat het EHRM zich in het algemeen vermoedelijk niet snel een oordeel zal aanmeten over factoren die bij vrije toegangsbeoordeling een rol kunnen spelen (rechtseenheid, rechtsontwikkeling, belang van een zaak). Dat betekent in elk geval dat de plicht tot motivering van vrije toegangsbeoordeling mogelijk van geval tot geval verschilt.
Samengevat hangt de betekenis van de plicht om uitspraken te motiveren in het algemeen en nadrukkelijk ook in beroep sterk af van de omstandigheden van het geval. Duidelijk is enerzijds dat het EHRM veel ruimte laat om met name in laatste instantie te volstaan met zeer korte motivering of motivering zelfs achterwege te laten. De motivering van beslissingen over leave to appeal in het bijzonder mag zeer terughoudend zijn. Anderzijds geven de zaken Hansen/Noorwegen en Bar-Bau/Polen aanleiding om die mogelijkheid tot summiere motivering niet tot vaste, harde regel te verheffen. De algemene betekenis is hierboven om verschillende redenen weliswaar genuanceerd, maar een vrijbrief tot het verkort motiveren van verlofbeslissingen hebben gerechten kennelijk niet, noch in hoger beroep, noch in cassatie.