Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.1.2.4
4.2.1.2.4 Benadeling van schuldeisers
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS403477:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 december 1949, NJ 1950, 262 (Boendermaker c.s./Schopman c.s.).
HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 654 en JOR 2001/269 (Diepstraten/Gilhuis q.q.).
Het bepalen van de hypothetische situatie, de situatie zoals die geweest zou zijn indien de rechtshandeling niet had plaatsgevonden, is soms moeilijk en kan wel wat weg hebben van koffiedik kijken. Rechtbank Utrecht (26 april 2006, JOR 2006/197) honoreerde het verweer van de bank dat indien de kredietnemer niet akkoord was gegaan met een nieuw financieringsarrangement, zij op grond van de algemene bankvoorwaarden ook extra zekerheden zou hebben bedongen. Terecht kritisch hierover is Spinath in zijn JOR -noot. Naar zijn mening laat de rechtbank zich wel erg eenvoudig overtuigen. Het enkele feit dat aannemelijk is dat de bank bij handhaving van de oude situatie zekerheden zou hebben verlangd, lijkt hem onvoldoende om te kunnen constateren dat er dus geen benadeling heeft plaatsgevonden. Volgens Spinath zou dan toch in ieder geval duidelijk moeten zijn dat de bank inderdaad van plan was de zekerheid onder het oude arrangement te verlangen en dat zij dat uitsluitend heeft nagelaten met het oog op de onder het nieuwe arrangement te verkrijgen zekerheden. Verder zou hiermee ook nog niet gegeven zijn dat de schuldenaar aan een verzoek gehoor zou geven.
HR 22 september 1995, NJ 1996, 706, m.nt. HJS (Ravast/Ontvanger).
HR 10 december 1976, NJ 1977, 617 (Eneca).
Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een crediteur een zekerheidsrecht krijgt. Zie over de verstoring van de onderlinge rangorde, Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 61 en hierna de bespreking van het arrest HR 5 juli 2005, NJ 2005, 457 (Van Dooren q.q./ABN AMRO II).
Zie over de benadeling door vermeerdering van het passief, A. van Hees, Voorwaarden voor het instellen van de Pauliana, in: L. Timmerman (red.), Vragen rond de faillissementspauliana, Deventer: Kluwer 1998, p. 7 en Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 58-60.
Zie over deze gevallen HR 23 december 1949, NJ 1950, 262, m.nt. PhANH (Boendermaker c.s./Schopman c.$).
HR 3 oktober 1980, NJ 1980, 643, m.nt. GJS (Imperial/Waanders). Zie over deze gevallen ook Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 66. Zie verder ook het geval waarin het bemoeilijken van verhaal voorop stond Rechtbank Rotterdam 19 juli 2006, JOR 2006/255 (SP Aerospace).
Zie voor een geval waarin benadeling op deze manier plaatsvond HR 24 april 2009, RvdW 2009, 579 (Dekker q.q./Lutèce). Zie hierover ook R.J. van der Weijden, `HR 24 april 2009, LJN: BF 3917, C07/108HR (Dekker q.q./Lutèce)', TvI 2009, 23, p. 134. De aandacht in het arrest gaat vooral uit naar de vraag of de vordering die op paulianeuze wijze aan de boedel onttrokken zou zijn overdraagbaar was. De vraag of aan de voorwaarden voor het inroepen van de pauliana was voldaan, was in cassatie niet aan de orde. Zie HR to. 3.3.4: 'Als zodanig heeft het hof met juistheid aangemerkt het tijdstip waarop de curator zijn rechten uit art. 42Fw deed gelden, te weten het tijdstip van de buitengerechtelijke vernietiging nu die vernietiging in rechte vaststaat, zoals het hof in MV. 4.7.2 — in cassatie onbestreden - tot uitgangspunt heeft genomen en waarnaar het in rov. 4.7.4 verwijst met het woord 'onbetwist' (vgl. 1-R2 23 december 1949, NJ 1950, 262).'
Zie HR 18 december 1992, NJ 1993, 169 (Kin/Emmerig q.q.).
HR 5 juli 2005, NJ 2005, 457 (Van Dooren q.q./ABN AMRO II).
Zie r.o. 3.6, HR 5 juli 2005, NJ 2005, 457 (Van Dooren q.q./ABN AMRO II).
De Hoge Raad (HR 22 december 2009, LJN BI8493, Hoge Raad, 08/02255) oordeelt in r.o. 3.3: 'Overigens zal in een situatie als door de Hoge Raad in rov. 3.6 van zijn hiervoor bedoelde arrest beschreven, nog steeds van benadeling van schuldeisers in de zin van art. 42 E sprake zijn indien de schuldenaar de extra kredietruimte alleen maar gebruikt om preferente schuldeisers te voldoen, reeds omdat een dergelijke gang van zaken onverlet laat dat andere preferente schuldeisers, van hogere of gelijke rang die onbetaald zijn gebleven, nadeel ondervinden door het verlies van hun, door de curator uit te oefenen, verhaalsrecht op de in aanvullende zekerheid verbonden zaken.' De Hoge Raad gaat wel erg snel van de mogelijkheid dat er hogere, preferente schuldeisers benadeeld zouden kunnen zijn, naar het aannemen dat er ook benadeling is, indien enkel preferente schuldeisers zijn voldaan.
Zie A.J. Verdaas, 'Noot bij HR 8 juli 2005, (Van Dooren q.q./ABN AMRO II)', NTBR 2006, 8, p. 30 e.v. met reactie A. van Hees, 'Reactie op de bespreking van Van Dooren q.q./ABN AMRO II door A.J. Verdaas in NTBR 2006', NTBR 2006, 14 en A.J. Verdaas, 'Antwoord aan Van Hees', NTBR 2006, 15, p. 115 en ook A.J. Verdaas, `Reactie op de bespreking van het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO door F.P. van Koppen, TvI 2005, 43', TvI 2006, 6, p. 33 e.v.
Verdaas, Reactie op de bespreking van het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO door ER van Koppen, TvI 2005, 43, p. 35: 'Voor vernietiging van een rechtshandeling met een beroep op de pauliana zou mijns inziens dan ook uitsluitend ruimte moeten zijn als de wederpartij van de schuldenaar door het samenstel van de handelingen is bevoordeeld of bevoordeling van derden aan hem kan worden toegerekend.'
Zie ook kritisch hierover Van Hees, Reactie op de bespreking van Van Dooren q.q./ABN AMRO II door A.J. Verdaas in NTBR 2006, die meent dat Verdaas ten onrechte de suggestie wekt dat het geldend recht zou zijn dat de pauliana alleen ingeroepen kan worden als er van bevoordeling van de wederpartij sprake is.
W.J.B. van Nielen en S.E. Bartels, 'Kroniek van 5 jaar Insolventierecht', NTBR 2006, p. 182.
De vraag in hoeverre de bank in het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO daadwerkelijk nieuw krediet ter beschikking heeft gesteld is in de benadering van de Hoge Raad niet van belang voor de vraag of er sprake is van benadeling. Zie over de kwestie in hoeverre er in het geval van Van Dooren q.q./ABN AMRO daadwerkelijk sprake was van vers krediet hieronder § 4.2.1.4.4.
Zie in deze zin ook Faber, Verrekening, p. 325.
Zie in deze zin ook Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 53, Rechtbank Utrecht 19 september 2000, JOR 2001/236 en Rechtbank Arnhem 25 juni 2003, JOR 2003/218.
Indien de opbrengst van een goed wordt gebruikt om een preferente crediteur te betalen, kan onder omstandigheden een ander oordeel passend zijn, omdat niet voldoende komt vast te staan dat schuldeisers benadeeld zijn. Zie bijvoorbeeld ook J.J. van Hees in zij noot onder Rechtbank 's-Gravenhage 14 april 1999, JOR 1999/208 en instemmend Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 57 en 58.
Het wezenskenmerk van de pauliana ligt in het vereiste dat sprake is van benadeling van schuldeisers. Zonder benadeling is er geen grond om de pauliana in te roepen. Het benadelingsvereiste geeft aanleiding tot veel complexe vragen, waarbij vooral de afbakening tot de andere criteria van de pauliana moeilijk en niet altijd volledig realiseerbaar is. Zo hanteert J.J. van Hees de metafoor van de Siamese tweeling voor de verhouding tussen het vereiste van benadeling en de wetenschap van benadeling, aangezien het zelfstandige vereiste van wetenschap van benadeling betrekking heeft op het zelfstandige vereiste van benadeling.
De toets die wordt aangelegd om te bepalen of sprake is van benadeling volgt uit de arresten HR Boendermaker c.s./Schopman1 en HR Diepstraten/Gilhuis q.q.2 In deze arresten heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de vraag of van benadeling sprake is, moet worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling te vergelijken met de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft.3 Niet vereist is dat de schuldeisers onmiddellijk door de rechtshandeling benadeeld zijn. Voldoende is dat sprake is van zogenoemde 'middellijke benadeling'. Vereist maar ook voldoende is dat de schuldeisers door de rechtshandeling benadeeld zijn op het moment dat over het beroep op de pauliana geoordeeld moet worden. Aan het vereiste van benadeling is ook voldaan indien de benadeling pas optreedt op het moment dat de rechter in hoger beroep beslist.4 Indien de rechtshandeling een positief gevolg heeft gehad, dan dient dit positieve effect in de vergelijking betrokken te worden.5
De benadeling kan plaatsvinden door een vermindering van het beschikbare actief; een wijziging in de rangorde van crediteuren6 en door een vermeerdering van het passief.7 Bij het verminderen van het beschikbare actief kan een onderscheid gemaakt worden tussen gevallen die voor de schuldenaar zelf vermogensnegatief uitwerken en gevallen die voor de schuldenaar vermogensneutraal zijn, maar voor zijn schuldeisers benadelend zijn. Door het verkopen van een goed tegen een te lage prijs vermindert het actief van de schuldenaar en is het vermogen van de schuldenaar minder waard. In het geval van een dergelijke rechtshandeling zullen de schuldeisers altijd benadeeld zijn in een opvolgend faillissement.8 Deze handelingen zijn hier steeds aangeduid als handelingen die de integriteit van het verhaalsvermogen aantasten. Van benadeling in deze zin kan ook sprake zijn indien degene aan wie het goed verkocht is, geen verhaal biedt of het verhaal op het vermogen van de schuldenaar bemoeilijkt is.9 Van benadeling kan ook sprake zijn bij een contractsovername waarbij een solvabele wederpartij wordt vervangen door een insolvente schuldenaar.10
Ook rechtshandelingen die voor de schuldenaar vermogensneutraal zijn, kunnen benadeling van de schuldeisers tot gevolg hebben. Een voorbeeld hiervan vormt de verkoop gevolgd door verrekening met een openstaande vordering.11 De samengenomen rechtshandelingen zijn voor de schuldenaar vermogensneutraal, maar leiden tot een vermindering van het beschikbare actief voor de schuldeisers. In een later faillissement is het actief immers niet meer beschikbaar voor de gezamenlijke crediteuren. De benadeling hier vindt plaats door een doorbreking van de paritas creditorum.
De Hoge Raad past de test of sprake is van benadeling strikt toe. Dit blijkt uit het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO II.12 In de casus die aanleiding tot het arrest gaf had de bank zekerheden bedongen tegen het verstrekken van krediet. De Hoge Raad oordeelde dat sprake was van benadeling omdat de bank een bevoorrechte positie innam. De betalingen die met het krediet waren verricht resulteerden erin dat concurrente schuldeisers vervangen waren door gesecureerde schuldeisers. De overgebleven schuldeisers moesten dan dus toezien hoe de gesecureerde crediteur voor hen werd betaald. Hoge Raad overwoog:
`Een schuldenaar die ten laste van een hem verleend bankkrediet een van zijn schuldeisers voldoet, bewerkstelligt een verhoging van zijn schuld aan de bank ten bedrage van de aan die schuldeiser betaalde geldsom. Indien de bank het kredietplafond verhoogt tegen aanvullende zekerheidstelling en de schuldenaar vervolgens de vrijgekomen kredietruimte gebruikt voor de voldoening van een deel van zijn schuldeisers, brengt dat dan ook in diens totale schuldenlast geen wijziging. De bank heeft evenwel op de opbrengst van de in aanvullende zekerheid verbonden zaken voorrang verkregen boven de resterende schuldeisers, terwijl de voldane schuldeisers slechts concurrent waren. De resterende schuldeisers krijgen door een en ander derhalve in plaats van met concurrente medeschuldeisers te maken met de bank als preferent medeschuldeiser. Een dergelijke verschuiving in verhaalspositie zal, behoudens het geval dat de bank de aanvullende zekerheid niet behoeft aan te spreken tot verhaal van haar vordering, nadeel voor de resterende schuldeisers meebrengen, ongeacht voor welk bedrag er schuldeisers dankzij de verhoging van het kredietplafond zijn voldaan.'13
In HR Van Dooren q.q./ABN AMRO III voegt de Hoge Raad hier nog aan toe dat, ook wanneer enkel preferente crediteuren voldaan zijn, dit niet in de weg staat aan het aannemen van benadeling.14
De benadering van de Hoge Raad in het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO II is niet zonder kritiek gebleven. Verdaas stelt dat de benadeling niet door de kredieten zekerheidverstrekking is veroorzaakt, maar door de daaropvolgende betalingen verricht door de schuldenaar. Verdaas meent vervolgens dat de Hoge Raad ten onrechte en zonder motivering de zekerheidsverstrekking tegen het nieuwe krediet en de daaropvolgende bestedingen als één benadelende rechtshandeling kwalificeert.15 Volgens Verdaas bestaat er onvoldoende connexiteit tussen deze handelingen, en dient in het algemeen alleen ruimte te zijn voor vernietiging op grond van de pauliana indien de wederpartij door de gewraakte handeling bevoordeeld is of bevoordeling van derden hem kan worden toegerekend.16
Ten aanzien van het betoog van Verdaas dient in het algemeen opgemerkt te worden dat de pauliana niet als voorwaarde stelt dat de wederpartij voordeel heeft gehad bij de rechtshandeling.17 Van Nielen en Bartels18 stellen voorop dat de vereiste benadeling uitgaat van 'middellijke benadeling' en zij betrekken vervolgens, terecht, de discussiepunten opgeworpen door Verdaas bij de vraag of voldaan is aan het vereiste van de wetenschap van benadeling. Het commentaar van Verdaas roept echter wel de vraag op of de paulianaregeling wel voldoende recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van de bank in het schemergebied voor faillissement waarbij de bank nog extra geld19 ter beschikking stelt. In § 4.2.1.3 en § 4.2.1.4 zal verder bezien worden welke wetenschap bij de bank gevergd wordt om tot wetenschap van benadeling te kunnen komen bij het verkrijgen van zekerheden voor het verstrekken van vers krediet, waar ook meer aandacht aan de kritiek van Verdaas zal worden besteed.
Een gevolg van de leer van middellijke benadeling is dat niet vereist is dat de benadeelde crediteuren reeds crediteur waren op het moment van het verrichten van de gewraakte rechtshandeling. Dit maakt het lastig om het paulianarisico te bepalen ten tijde van het verrichten van een mogelijk benadelende rechtshandeling. Ook al is er op het moment van en op het moment na het verrichten van de rechtshandeling voldoende om alle schuldeisers te voldoen, dan is nog niet gegeven dat geen benadeling van de schuldeisers kan plaatsvinden. De opbrengst van de rechtshandeling kan immers weer verbruikt worden en ook is het mogelijk dat zich nieuwe schuldeisers zullen melden, bijvoorbeeld uit hoofde van onrechtmatige daad.
De handeling moet geleid hebben tot benadeling van schuldeisers. Benadeling van aandeelhouders geeft dus geen grond voor vernietiging van een rechtshandeling op grond van de pauliana. Benadeling van een schuldeiser met een achtergestelde lening kan wel tot toepassing van de pauliana leiden.20 Het is niet vereist dat meer dan één schuldeiser benadeeld is.21 Indien geen uitkering aan concurrente schuldeisers plaatsvindt, maar slechts aan een preferente crediteur, vormt dit geen beletsel om de pauliana in te roepen.22