GHvJ, 29-06-2021, nr. BON2018H00011
ECLI:NL:OGHACMB:2024:208
- Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum
29-06-2021
- Zaaknummer
BON2018H00011
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:OGHACMB:2024:208, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 30‑07‑2024; (Hoger beroep)
ECLI:NL:OGHACMB:2021:240, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 29‑06‑2021; (Hoger beroep)
ECLI:NL:OGHACMB:2020:245, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 29‑09‑2020; (Hoger beroep)
Uitspraak 30‑07‑2024
Inhoudsindicatie
schadevergoeding wegens onbevoegd in erfpacht geven-eindvonnis
Partij(en)
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: BON201600068 - BON2018H00011
Uitspraak: 30 juli 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:
1. wijlen [appellant 1], laatstelijk wonende te Bonaire,
2. [ [appellant 2], wonende in Nederland,
2. [ [appellant 3], wonende te Curacao,
2. [ [appellant 4], wonende in Nederland,
2. [ [appellant 5], wonende in Nederland,
2. [ [appellant 6], wonende in Nederland,
2. [ [appellant 7], wonende te Bonaire,
als gezamenlijke erfgenamen van [naam 1]
vertegenwoordigd door de deelgenoot [naam 2],
oorspronkelijk eisers,
thans appellanten,
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,
gevestigd in Bonaire,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. L.M. Virginia en W.J. de Nijs.
Partijen worden hierna de [appellanten] en OLB genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 21 november 2023.
1.2.
Op 19 maart 2024 heeft OLB een akte, met producties, genomen.
1.3.
De [appellanten] hebben afgezien van een antwoordakte.
1.4.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. Beoordeling
2.1.
De deskundige heeft de objectieve waarde van de eigendom in het economische verkeer in onbebouwde en onbezwaarde staat geschat op US$ 61.000. Het Hof sluit zich hierbij aan. Tot betaling hiervan aan de [appellanten] zal OLB voorwaardelijk worden veroordeeld.
2.2.
Voorts zal OLB worden veroordeeld tot betaling aan de [appellanten] van US$ 3.207,26 wegens ontvangen erfpachtcanons (tussenvonnis van 25 januari 2022, rov. 2.4).
2.3.
Huurinkomsten zijn niet komen vast te staan.
2.4.
Betaling van de genoemde twee bedragen is verplicht onder de voorwaarde van gelijktijdige overdracht van de eigendom van het perceel door de [appellanten] aan OLB (tussenvonnis van 29 juni 2021, rov. 2.4 slot). Analogische toepassing van artikel 7:26 lid 3 BW ligt voor de hand.
2.5.
De [appellanten] hebben in een zeer laat stadium van deze reeds op 19 september 2016 begonnen procedure, te weten op 12 januari 2021, hun eis zodanig gewijzigd dat de onderhavige veroordeling mogelijk is. Het Hof ziet daarin aanleiding de kosten van deze procedure te compenseren.
3. Beslissing
Het Hof:
- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt OLB tot betaling aan de [appellanten] van US$ 61.000 en US$ 3.207,26, onder de voorwaarde dat de [appellanten] de eigendom van het perceel [adres], thans [kadastrale gegevens] te Nikiboko gelijktijdig overdragen aan OLB;
- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, O. Nijhuis en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juli 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 29‑06‑2021
Inhoudsindicatie
schadevergoeding bij erfpacht
Partij(en)
Burgerlijke zaken over 2021
Registratienummers: BON201600068 (voorheen: AR 67/2016) - BON2018H00011
Uitspraak: 29 juni 2021
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. [OVERLEDENE], laatstelijk wonende te Bonaire,
2. [ [APPELLANT 2], wonende in Nederland,
2. [ [APPELLANT 3], wonende te Curaçao,
2. [ [APPELLANT 4], wonende in Nederland,
2. [ [APPELLANT 5], wonende in Nederland,
2. [ [APPELLANT 6, wonende in Nederland,
2. [ [APPELLANT 7], wonende te Bonaire,
als gezamenlijke erfgenamen van [naam 1] vertegenwoordigd door de deelgenoot [naam 2],
oorspronkelijk eisers,
thans appellanten,
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,
gevestigd in Bonaire,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. L.M. Virginia en W.J. de Nijs.
Partijen worden hierna [appellanten] en OLB genoemd.
1. 1. Het verdere verloop van de procedure
1.1
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 29 september 2020, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor aktewisseling door partijen.
1.2
Vervolgens hebben [appellanten] op 12 januari 2021 een akte tevens houdende eiswijziging (met producties) genomen.
1.3
Daarop heeft OLB bij antwoordakte van 4 mei 2021 gereageerd.
1.4
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
2.1
In het laatste tussenvonnis heeft het Hof in rov. 2.6 tot en met 2.10 uiteengezet waarom de in het eerste tussenvonnis in beginsel als passend beschouwde vorm van schadevergoeding – teruggave van het perceel in ontruimde en onbebouwde staat - bij weging van alle relevante omstandigheden van dit geval niet met gebruikmaking van de in artikel 6:103 BW gegeven bevoegdheid zal worden toegewezen.
2.2
Aan die beslissing houdt het Hof vast. Wel dient nog te worden ingegaan op het verweer waarmee [appellanten] in eerste aanleg de geldigheid van de erfpacht hebben betwist. Die betwisting is in zoverre ook juist dat de eerste en latere erfpachters – al dan niet te goeder trouw – geen beroep kunnen doen op de bescherming van artikel 3:88 lid 1 juncto 3:98 BW omdat de beschikkings-onbevoegdheid van het Land bij de vestiging van het erfpachtrecht de oorzaak van alle problemen is. Dat bevoegdheidsgebrek kan niet worden geheeld door de derdenbescherming van artikel 3:88 lid 1 BW. Wel bestaat de mogelijkheid dat de erfpachters het erfpachtrecht door verjaring hebben verkregen, waarbij toepassing van art. 3:99 BW (tienjaarstermijn bij goede trouw) niet is uitgesloten. Voorts moet worden geconstateerd dat na de komst van de eerste erfpachter meer dan twintig jaren zijn verstreken zonder dat de familie [naam] (een van de) de erfpachters in rechte heeft aangesproken op beëindiging van het onrechtmatige gebruik van hun perceel. Hoe dat alles echter verder ook zij, in alle gevallen geldt dat de situatie na vijfentwintig jaar zodanig is dat de (maatschappelijke) kosten om het terrein leeg te kunnen opleveren in geen redelijke verhouding staan tot het belang van [appellanten] om op juist deze manier schadeloos te worden gesteld. Steeds zal immers de huidige bewoner verlangen dat OLB hem compenseert voor het verlies van zijn opstallen en de kosten van de gedwongen verhuizing.
2.3
Partijen hebben geen minnelijke regeling getroffen en [appellanten] hebben gebruik gemaakt van de hun voor dat geval geboden allerlaatste kans om alsnog hun eis te wijzigen. Zij hebben deze eis aangevuld met een subsidiaire vordering tot schadevergoeding die uiteenvalt in enkele hierna te bespreken posten. Omdat het Hof de eiswijziging op voorhand heeft toegestaan en het Land in belangrijke mate zelf verantwoordelijk is voor de duur van het geschil komen de nieuwe vorderingen (ook die onder iii tot en met vi) niet in strijd met een goede procesorde.
2.4
De gevorderde schadevergoeding bestaande in de waarde van de grond in onbebouwde staat is toewijsbaar; OLB verzet zich daartegen ook niet. Het Hof zal partijen daarom opdragen om de grond te laten waarderen door een voor beiden aanvaardbare taxateur, waarbij de taxatiekosten voor rekening van OLB zullen zijn. Deze taxateur dient de objectieve waarde in het economisch verkeer in onbebouwde en onbezwaarde staat vast te stellen, nadat hij partijen de gelegenheid heeft gegeven om commentaar te leveren op zijn concept taxatierapport en hij dat commentaar en zijn reactie daarop kenbaar bij zijn definitieve oordeel heeft betrokken. Tegenover het ontvangen van die vergoeding staat in beginsel wel dat [appellanten] het eigendomsrecht aan OLB zullen moeten overdragen.
2.5
Het Hof is vooralsnog voornemens de gevorderde bedragen aan erfpachtcanon toe te wijzen als winstafdracht in de zin van artikel 6:104 BW. Voldoende aannemelijk is dat [appellanten] enige schade hebben geleden doordat zij het perceel niet hebben kunnen gebruiken (vgl. HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9662, NJ 2015/33). OLB heeft zich bij eerdere gelegenheden ook steeds bereid verklaard tot deze afdracht, in aanvulling op de aangeboden grondruil. OLB zal daarom worden opgedragen om bij akte te verantwoorden welke bedragen hij sinds 1995 aan canon heeft ontvangen.
2.6
Naast winstafdracht is er (in verband met dezelfde onrechtmatige gedraging) geen plaats voor vergoeding van gederfde winst en [appellanten] vorderen die ook niet of het moest zijn als onderdeel van de gestelde waardevermindering van het voormalige ouderlijk huis op belendende perceel waarin de familie Kenepa een restaurant zou hebben willen vestigen. Die waardevermindering zou dan het gevolg zijn van de beslissing van de erfpachters om op het terrein een muur te plaatsen. Dat zij daarmee het voormalig ouderlijk huis van iedere toegang tot de openbare weg hebben verstoken is echter uit de stukken niet af te leiden en mede gelet op de mogelijkheden die artikel 5:57 BW biedt voor aanwijzing van een noodweg ook niet aannemelijk.
2.7
Vergoeding van huurinkomsten naast de canon is in beginsel niet aan de orde voor zover deze zijn betaald aan de erfpachter(s) voor het door de eerste erfpachter op diens kosten gebouwde huis. In de verwijzing van [appellanten] naar de bij hun laatste akte als productie 6 overlegde schriftelijke verklaring van H.M. Hoen zou echter de suggestie kunnen worden gelezen dat OLB het huis enige tijd zelf heeft verhuurd, via Fundashon Kas Bonairiano. OLB dient hierop nog bij akte te reageren en de hoogte het bedrag aan eventueel ontvangen huur te verantwoorden. Naar aanleiding van deze reactie zal dan worden bezien of toch een bedrag moet worden toegewezen.
2.8
De vergoeding van immateriële schade is naar huidig recht aan strenge voorwaarden gebonden. Hoe frustrerend en pijnlijk de gang van zaken voor (de erven) [naam] ook geweest is, aan die voorwaarden is dit geval niet voldaan. Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen. Het staat OLB uiteraard vrij om, als pleister op de wonde naast de compensatie voor de materiële schade, zelf een gebaar te maken.
2.9
De zaak zal wederom worden verwezen naar de rol voor gelijktijdige akte uitlating waarbij partijen het bedoelde taxatierapport in het geding kunnen brengen. OLB dient voorts een met stukken gestaafd overzocht te produceren van de door hem ontvangen bedragen aan erfpachtcanon (rov. 2.5) en (eventueel) huur (rov. 2.7). Na ontvangst van die stukken zal, behoudens de mogelijkheid dat nog antwoordaktes nodig worden geacht, indien mogelijk eindvonnis worden gewezen.
2.10
Verder wordt iedere beslissing eerst aangehouden.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
draagt partijen op om een door hen gezamenlijk te benaderen taxateur opdracht te
geven voor de vaststelling, op kosten van OLB, van de actuele waarde in het economisch verkeer van het perceel in onbebouwde staat;
verwijst de zaak de zaak naar de rol van 24 augustus 2021 voor gelijktijdige akte uitlating zoals onder 2.9 bedoeld, zonder de mogelijkheid van het nemen van antwoordaktes;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, F.W.J. Meijer en
O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Bonaire uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 29 juni 2021.
Uitspraak 29‑09‑2020
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding anders dan in geld.
Partij(en)
Burgerlijke zaken over 2020
Registratienummers: BON201600068 (voorheen: AR 67/2016) - BON2018H00011
Uitspraak: 29 september 2020
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. wijlen [Appellant 1], laatstelijk wonende te Bonaire,
2. [ [Appellant 2], wonende in Nederland,
2. [ [Appellant 3], wonende te Curaçao,
2. [ [Appellant 4], wonende in Nederland,
2. [ [Appellant 5], wonende in Nederland,
2. [ [Appellant 6], wonende in Nederland,
2. [ [Appellant 7], wonende te Bonaire,
als gezamenlijke erfgenamen van [Erflater] vertegenwoordigd door de deelgenoot [Appellant 7],
oorspronkelijk eisers,
thans appellanten,
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,
gevestigd in Bonaire,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. L.M. Virginia en W.J. de Nijs.
Partijen worden hierna de erven [Naam] en OLB genoemd.
1. 1. Het verdere verloop van de procedure
1.1
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 30 juli 2019, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor aktewisseling door partijen.
1.2
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de e-mailberichten van mr. van Lieshout van 16 maart 2020 en 9 juni 2020, laatstgenoemd bericht als antwoord op een e-mailbericht van
8 juni 2020 van de griffier van het Hof;
- -
de akte van OLB van 23 juni 2020;
- -
de antwoordakte van de erven [Naam] van 18 augustus 2020.
1.3
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
2.1
De onder 1.2 genoemde e-mailcorrespondentie heeft betrekking op het overlijden van appellant sub 1, [appellant 1]. Omdat deze procedure, naar het Hof uit de stukken afleidt, van meet af aan is gevoerd ten behoeve van de (gemeenschap) van de gezamenlijke erfgenamen van [erflater], is het voor het doorprocederen ten behoeve van de gemeenschap niet nodig dat zijn erfgenamen het geding willen voortzetten. Ingevolge artikel 3:171 BW kunnen een of meer deelgenoten ten behoeve van de boedel procederen en dat doen thans de overgebleven deelgenoten, en in elk geval appellante sub 7, [Appellant 7].
2.2
Aan [Appellant 7] kan in dit stadium van het geding geen toelating meer worden verleend om kosteloos te procederen. Haar onvermogen zegt overigens ook nog niets over de vraag of de gemeenschap, de materiële procespartij ten laste van wie ook een eventuele kostenveroordeling zal komen, de kosten van het procederen kan dragen.
2.3
In het eerste tussenvonnis (van 5 februari 2019) heeft het Hof overwogen dat het de vordering van de erven [Naam] tot het ontruimen en ter vrij beschikking stellen van het perceel aan de gezamenlijke erfgenamen in beginsel een passende vorm van schadevergoeding acht, die toewijsbaar zou kunnen zijn op de voet van artikel 6:103 BW. Het heeft evenwel OLB in de gelegenheid gesteld bij akte nader toe te lichten op grond waarvan hij meent dat er thans (redelijkerwijs) geen mogelijkheden zijn om het recht van erfpacht op het perceel op te heffen dan wel te beëindigen met verwijdering van de daarop gerealiseerde bebouwing.
2.4
In het daaropvolgende tussenvonnis van 30 juli 2019 heeft Hof geconstateerd dat OLB de door het Hof gevraagde toelichting te beperkt heeft opgevat en nog geen afdoende antwoord heeft gegeven op de, in het kader van de beoordeling van de vordering wezenlijke, vraag onder welke concrete voorwaarden en tegen welke vergoeding de erfpachter op dit moment bereid is de overeenkomst van erfpacht te beëindigen. OLB is vervolgens in de gelegenheid gesteld bij akte alsnog een schriftelijke verklaring van de erfpachter over te leggen waarin deze vraag wordt beantwoord.
2.5
OLB heeft bij akte een brief, gedateerd 12 november 2019, van de gemachtigde van de erfpachter ([Naam 2]) overgelegd. Daarmee beschikt het Hof over voldoende informatie. Beslist en overwogen wordt thans als volgt.
2.6
De erven [Naam] hebben niet bestreden dat het erfpachtrecht van [Naam 2] geldig is en dat het Land de erfpacht niet eenzijdig kan opzeggen. De erfpachter, zo blijkt uit genoemde brief, staat niet te trappelen om te verhuizen, vindt dat zelfs (zeer) bezwaarlijk. Dat hij het toch niet op voorhand afwijst, heeft - zo niet geheel dan toch voor een groot deel - te maken met de omstandigheid dat zijn buren - leden van de familie Kenepa – “in kleine en grotere incidenten hinder en schade veroorzaken.” Als dat laatste juist is - de erven [Naam] hebben het niet weersproken - dan horen de erven [Naam] - en ruimer: hun familie, om wier belang het in deze zaak voor de erven (mede) gaat - daar geen voordeel van te hebben. Ook blijkt uit de brief dat de erfpachter, als hij al vertrekt, zijn huid zo duur mogelijk zal verkopen en stevige voorwaarden wil stellen. Dat zal naar verwachting niet minder worden wanneer hij weet dat OLB in beginsel verplicht is om hem uit te kopen en dus weinig tot geen manoeuvreer- en onderhandelingsruimte heeft. Mogelijkheden om de erfpachter te dwingen zijn eisen te matigen heeft OLB naar het zich laat aanzien niet. Mede gelet op het eerder in het geding gebrachte taxatierapport zullen de kosten om de erfpachter uit te kopen, dan wel hem in de gelegenheid te stellen om elders een gelijkwaardig te kopen of bouwen al ruim boven de US$ 200.000,- liggen en daar komen de eventuele andere eisen van de erfpachter dan nog bij.
2.7
Daartegenover is niet gebleken dat aan de zijde van de erven [Naam] met het door hen gewenste herkrijgen van de vrije beschikking over hun terrein (ten opzichte van de eigendom van een vergelijkbaar terrein of een vergoeding van de grondwaarde) een financieel belang is gemoeid, laat staan een belang dat in de buurt komt de door het OLB te maken kosten. De erven hebben ook niet gesteld dat een van hen (of destijds hun moeder) op het perceel wilde gaan wonen of dat zij er andere plannen mee hebben. Op [Appellant 7] na wonen de overgebleven erfgenamen ook allen buiten Bonaire.
2.8
Waar het de erven om gaat, is het volledig rechtzetten van een inmiddels historische misstand en het herstel van het familiebezit. Dat zijn op zichzelf zeer beslist gerechtvaardigde belangen. Belangen die - zeker gelet op de historie van dit dossier - het nodige gewicht in de schaal leggen. De uitgifte van de grond in erfpacht in 1995 kan immers een grove onzorgvuldigheid worden genoemd en het lijkt er ook sterk op dat OLB vervolgens heeft nagelaten adequaat in te grijpen op een moment dat de misstap misschien nog tegen relatief beperkte kosten kon worden hersteld.
2.9
Maar hoe betreurenswaardig en verwijtbaar deze gang van zaken ook is geweest, en hoe storend de (voortdurende) inbreuk op het eigendomsrecht van de erven ook moge zijn, op het perceel woont anno 2020, in beginsel naar tevredenheid, al geruime tijd een erfpachter, de derde inmiddels. Hem te laten verkassen tegen zeer aanzienlijke, uit de openbare middelen te betalen, kosten staat in geen redelijke verhouding tot het belang van de erven Kenepa om juist op deze manier schadeloos te worden gesteld. Het schadevergoedingsrecht is weliswaar erop gericht dat de benadeelde zoveel mogelijk wordt gebracht in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de schadeveroorzakende gebeurtenis was uitgebleven, maar het gaat om een streven, een uitganspunt; het geldt niet onverkort. In sommige gevallen dient de benadeelde met (iets) minder genoegen te nemen - meestal (zie artikel 6:103 BW, eerste volzin) met een vergoeding in geld, soms met een andere prestatie die het nadeel niet geheel maar toch nog zoveel mogelijk wegneemt. Dat is ook in deze zaak het geval, hoe teleurstellend dat voor de erven Kenepa ook zal zijn.
2.10
De conclusie moet daarom zijn dat de in het eerste tussenvonnis als in beginsel als passend beschouwde vorm van schadevergoeding bij weging van alle relevante omstandigheden van dit geval niet toewijsbaar is. Voor toepassing van de in artikel 6:103 BW gegeven bevoegdheid is geen plaats. De vordering zoals die thans luidt zal daarom worden afgewezen.
2.11
Van belang is echter wel dat is verzekerd dat de erven [Naam] thans, na al die jaren, op een passende wijze worden gecompenseerd. Daartoe zal in elk geval de waarde van de onbebouwde grond dienen te worden vergoed ofwel dient hun een passende, want vergelijkbare, vervangende kavel te worden aangeboden. Hopelijk lukt het partijen om, nu duidelijk is dat de door de erven gewenste vorm van genoegdoening er ook na een beoordeling in de tweede en laatste feitelijke instantie niet in zit, samen een bevredigende regeling te treffen. Indien zij daarin niet slagen, krijgen de erven [Naam] zo nodig nog een allerlaatste kans om hun eis aan te passen, dit naar aanleiding van bovenstaande oordelen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol voor akte uitlating. Wanneer partijen voor die tijd tot een regeling zijn gekomen, kunnen zij dit ook per e-mail aan het Hof berichten zodat de zaak kan worden doorgehaald.
2.12
Verder wordt iedere beslissing eerst aangehouden.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van 17 november 2020 voor het nemen van een akte door de erven [Naam] zoals bedoeld onder 2.11, met de mogelijkheid voor OLB om bij antwoordakte te reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, F.W.J. Meijer en
O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Bonaire uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 29 september 2020.