Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba
Einde inhoudsopgave
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.6.3:4.6.3 Voorstellen tot een gewijzigde opzet
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.6.3
4.6.3 Voorstellen tot een gewijzigde opzet
Documentgegevens:
Mr. G.C.C. Lewin, datum 08-01-2010
- Datum
08-01-2010
- Auteur
Mr. G.C.C. Lewin
- JCDI
JCDI:ADS448792:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 december 1989 (KempkesfSamson), NJ 1990, 434, m.nt. WHH (NL), rov. 3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hieronder volgen vier min of meer ingrijpende voorstellen. De eerste twee vloeien voort uit de omstandigheid dat de afstanden tussen de eilanden geen knelpunt meer vormen (paragraaf 4.5.2). De laatste twee stellen andere problemen aan de orde en worden hieronder toegelicht.
Het is niet meer nodig dat de memoriewisseling plaatsvindt ter griffie van het gerecht op het eiland waar het hoger beroep is ingesteld. Mijn voorstel voor een gewijzigde opzet ziet er als volgt uit:
Hoger beroep wordt ingesteld door een schriftelijke verklaring (akte van appel) ter griffie op het eiland waar de procedure in eerste aanleg is gevoerd. Indien een justitiabele moeite heeft met het opstellen van een akte van appel, geeft de griffier hem een daarvoor bestemd formulier en helpt hij hem zo nodig met het invullen. Ook mogelijk is dat de griffier gegevens van de justitiabele intoetst in de computer, waarna een akte van appel wordt afgedrukt. De griffier faxt of mailt de verklaring onverwijld (dezelfde dag of hooguit de volgende dag) naar de Hofgriffie op Curaao.
In opdracht van het Hof wordt de akte van appel betekend aan geïntimeerde, samen met een oproeping voor de rolzitting van het Hof op Curaao, Aruba of Sint Maarten. De Hofgriffie zorgt ook voor oproeping van de appellant voor die rolzitting.
Vervolgens vindt de memoriewisseling plaats op de rol. Uitstel is niet wettelijk uitgesloten en wordt geregeld bij procesreglement. De memories worden niet betekend.
De mogelijkheid van schriftelijk pleidooi wordt afgeschaft. Mondeling pleidooi kan na de memoriewisseling op de rolzitting gevraagd worden en is toegestaan (mede in verband met de vereisten van art. 6 EVRM), ook indien geen memorie van grieven of memorie van antwoord is ingediend. Ik denk niet dat dit zal leiden tot een substantiële toename van het aantal verzoeken om mondeling pleidooi. Zo nodig wordt dit ontmoedigd door het liquidatietarief voor mondeling pleidooi te verlagen (1 punt of 1/2 punt in plaats van 2 punten).
Over de toelating van incidenten en de wijze waarop deze incidenten worden gevoerd, wordt op de rol beslist. Een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging wordt als incident behandeld. Verzoeken om spoedappel worden aan het Hof gedaan en beslist door de voorzitter van de samenstelling die zitting heeft op de eerstkomende rolzitting.
De uitspraak geschiedt op de rolzitting. De Hofgriffie verzorgt de verzending naar partijen.
Ik denk dat deze opzet tot een evenwichtiger verloop van de procedure leidt, die per saldo niet langer duurt.
De regels in verband met beslissingen in de eerste fase van het hoger beroep kunnen worden geharmoniseerd.
Ik stel voor dat verzoeken om schorsing van de tenuitvoerlegging, verzoeken om vergunning voor tussentijds appel, incidentele vorderingen en verzoeken om spoedappel allemaal worden behandeld door het Hof en in beginsel worden afgedaan na één schriftelijke ronde zonder mondelinge behandeling. Het Hof kan een mondelinge behandeling gelasten en/of een nader schriftelijk debat toestaan. In spoedgevallen kan het Hof termijnen buiten de rolzittingen om bepalen; bij verzoeken om spoedappel zal dat regel zijn.
Ik heb de indruk dat appellen in kort geding vaak weinig zinvol zijn. Vaak duurt in kort geding de procedure in hoger beroep zo lang dat tegen de tijd dat het Hof uitspraak doet, er geen spoedeisend belang meer is (zie paragraaf 2.17). Daar komt bij dat in kort geding ook de appelrechter slechts voorlopige oordelen geeft, weinig ruimte biedt voor feitenonderzoek en volstaat met een verkorte motivering. In veel gevallen zou een partij na een verloren kort geding er beter aan doen een bodemprocedure in te stellen.
Ik stel daarom voor dat niet alleen voor het spoedappel, maar voor alle appellen in kort geding vergunning van het Hof is vereist. Het Hof zou dan het beleid kunnen voeren dat bij zeer grote spoedeisendheid spoedappel wordt toegestaan en dat in andere gevallen in beginsel in het geheel geen appel tegen het vonnis in kort geding wordt toegestaan.
Een uitzondering zou - hetzij door de wet, hetzij door het Hof - kunnen worden gemaakt voor vonnissen in kort geding waarbij dwangsommen zijn opgelegd, omdat de verschuldigdheid van die dwangsommen niet kan worden opgeheven door een oordeel in de bodemprocedure.1
In zaken die eindigen met een vonnis geldt een dubbele termijn voor de indiening van grieven (paragraaf 2.15). In zaken die eindigen met een beschikking geldt geen dubbele termijn (paragraaf 232). Voor deze onevenwichtigheid bestaat geen goede grond. Zij moet worden afgeschaft, hoeveel waarde de advocatuur ook mag hechten aan de verworvenheid van de dubbele termijn. Dit kan ook door in zaken waarin een beschikking wordt gegeven, wettelijk toe te staan dat de grieven later worden ingediend.
Op termijn kan het onderscheid tussen procedures die met een vonnis eindigen en procedures die met een beschikking eindigen worden afgeschaft. Op dit punt kunnen de Nederlandse Antillen en Aruba de ontwikkelingen in Nederland afwachten. Ook in Nederland wordt al reeds lang overwogen het onderscheid tussen de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure af te schaffen, maar men heeft dit nog niet aangedurfd.