Hof Arnhem-Leeuwarden, 28-04-2020, nr. 200.244.314/01
ECLI:NL:GHARL:2020:3526
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
28-04-2020
- Zaaknummer
200.244.314/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2020:3526, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 28‑04‑2020; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2019:2340, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 12‑03‑2019; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
JPF 2020/95
Uitspraak 28‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Ouders krijgen gezamenlijk gezag en de problematiek van de moeder. Door de ondertoezichtstelling is er geen onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders. De omgang wordt uitgebreid.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.244.314/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 118232 en 118793)
beschikking van 28 april 2020
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.A. Wortmann te Groningen,
en
[verweerder] ,
wonende te [B] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.C. Janssens-Van Drooge te Zwolle.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
locatie Zwolle,
verder te noemen: de GI.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 12 maart 2019 en 12 september 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikkingen van die data.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de GI van 13 maart 2020 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Wortmann van 26 maart 2020 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Janssens-Van Drooge van 26 maart 2020 met productie(s).
2. De motivering van de beslissing
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikkingen van 12 maart 2019 en 12 september 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In de beschikking van 12 september 2019 heeft het hof de volgende voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] , geboren [in] 2016 (verder te noemen: [de minderjarige] ):
1) gedurende de eerste twee maanden vindt de omgang één keer per twee weken gedurende drie uur (exclusief reistijd) plaats bij de vader thuis waarbij de omgang wordt begeleid door een gezinsvoogd;
2) vervolgens begeleidt de gezinsvoogd gedurende twee maanden alleen nog de overdracht van [de minderjarige] ;
3) daarna vindt de omgang onbegeleid plaats,
waarbij het aan de GI is om gedurende de stappen 2 en 3 de omgangsmomenten verder uit te breiden boven een minimale frequentie en duur van één keer per twee weken gedurende drie uur (exclusief reistijd).
Het hof heeft de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft het hof, voor zover hier van belang, bepaald dat de GI het hof schriftelijk dient te informeren over het verloop van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] en de (on)mogelijkheden van gezamenlijk gezag en de moeder, de vader en de raad in de gelegenheid om schriftelijk te reageren op de informatie van de GI. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
Gezag
2.3
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.4
Het hof is ambtshalve uit de informatie van het Gezagsregister en de Basisregistratie Personen gebleken dat de vader [de minderjarige] inmiddels heeft erkend. Hij kan dus worden aangemerkt als de tot het gezag bevoegde ouder als bedoeld in artikel 1:253c BW.
2.5
Het hof stelt voorop dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders met het gezamenlijk gezag zijn/worden belast, tenzij er sprake is van één van de voornoemde afwijzingsgronden van artikel 1:253c BW. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders of dat afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
2.6
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 februari 2019 is gebleken dat de omgang vanuit [de minderjarige] en de vader bezien goed verloopt. De vader wordt omschreven als een voor [de minderjarige] liefdevolle vader, die op een adequate wijze grenzen stelt en die aansluit bij het ontwikkelingsniveau van [de minderjarige] . [de minderjarige] is enthousiast als hij de vader ziet. De hulpverleners hebben geen zorgen over het contact tussen de vader en [de minderjarige] en er zijn geen zorgen geconstateerd over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader thuis. De GI heeft de afgelopen maanden gezien - en dit is ook de indruk van het hof - dat de vader het beste voor heeft met [de minderjarige] , dat hij in het belang van [de minderjarige] kan denken en dat hij zich op een respectvolle manier opstelt.
2.7
De GI en de raad hebben als risico's voor [de minderjarige] bij gezamenlijk gezag naar voren gebracht: 1) de problematiek van de moeder en daarmee samenhangend de omstandigheid dat wanneer de moeder uit balans raakt, zij verminderd tot onvoldoende beschikbaar wordt voor [de minderjarige] en 2) de strijd waarin de ouders met elkaar zijn verwikkeld, waardoor de ouders niet met elkaar kunnen communiceren en niet in gezamenlijkheid besluiten kunnen nemen.
Het hof is van oordeel dat deze risico's geen reden vormen om af te wijken van voornoemd wettelijk uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het hof weegt daarin mee dat sinds het advies van de raad de situatie is veranderd. Immers er is nu sprake van een ondertoezichtstelling. Zowel de problematiek van de moeder (onvoldoende draagkracht en verwerking trauma) als de verstoorde relatie tussen de ouders zijn als doelen omschreven waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt dient te worden. Het hof stelt vast, zoals de moeder ook naar voren heeft gebracht, dat de GI sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling in augustus 2019 vooral heeft gewerkt aan de uitvoering van de omgangsregeling en nog niet aan voornoemde doelen. Nu er sprake is van een ondertoezichtstelling, in welk kader gewerkt zal gaan worden aan de omschreven doelen, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders. Het hof vindt het in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de doelen die daar zijn gesteld en gelet ook op de houding van de vader tot dusver juist in het belang van [de minderjarige] dat zijn beide ouders een gelijke positie innemen. De vader laat immers zien dat hij in het belang van [de minderjarige] kan denken en zich respectvol en coöperatief opstelt. Het hof gaat ervan uit dat - voor zover de stellingen van de moeder juist zijn en dit nog niet is gebeurd - de GI op korte termijn zal gaan werken aan de overige doelen van de ondertoezichtstelling. Het hof merkt daarbij overigens wel op dat het ook een verantwoordelijkheid van de moeder zelf is om te werken aan de problematiek die zij stelt te ondervinden. Immers het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Het verzoek van de vader om tot invulling van zijn ouderschap te komen dateert van inmiddels meer dan drie jaar geleden en aan de moeder is dan ook inmiddels al behoorlijk wat tijd gegund om aan zichzelf te werken.
2.8
Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, dient te worden toegewezen. Dit brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover het de beslissing omtrent het gezag betreft en met ingang van heden de vader - gezamenlijk met de moeder - met het gezag over [de minderjarige] zal belasten.
Zorgregeling
2.9
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
2.10
Bij journaalbericht van 26 maart 2020 heeft de vader zijn verzoek met betrekking tot de zorgregeling gewijzigd in die zin dat hij nu verzoekt om de zorgregeling op korte termijn verder uit te breiden naar één weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen en die regeling ook vast te stellen. Tevens verzoekt de vader te bepalen dat [de minderjarige] in 2021 zijn verjaardag bij de vader mag vieren.
2.11
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader met betrekking tot de weekenden en de helft van de vakanties en feestdagen kan worden toegewezen met ingang van 1 september 2020 en dat de periode tot 1 september 2020 dient te worden benut om toe te werken naar deze zorgregeling. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
2.12
De afgelopen jaren is door de ouders, onder begeleiding van hulpverleners, gewerkt aan een uitbreiding van de omgang. Op dit moment vindt de omgang eens in de twee weken onbegeleid plaats op woensdagmiddag bij de vader thuis, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt uit school en om 16.45 uur bij de GI te Zwolle terugbrengt, waar de moeder [de minderjarige] vervolgens ophaalt. Anders dan het hof bij tussenbeschikking van 12 september 2019 had overwogen, vindt de overdracht nog niet onbegeleid plaats.
2.13
Tussen de ouders is niet in geschil dat de omgang ten opzichte van de beschikking van het hof van 12 september 2019 uitgebreid kan worden. Ook de GI is van mening, evenals de hulpverleners die voor de ondertoezichtstelling betrokken waren, dat de omgang uitgebreid kan worden. Tussen de ouders is wel in geschil in welk tempo en in welke mate dit dient te gebeuren. De moeder is van mening dat de omgang zoals die nu op de woensdagen loopt voorlopig kan worden vastgesteld en dat op basis van een door de GI opgesteld plan van aanpak een regeling moet worden opgenomen voor uitbreiding van de omgangsregeling waarmee beide partijen zich kunnen verenigen. De vader is van mening dat de omgang op korte termijn verder uitgebreid moet worden naar onbegeleide overdracht en de door hem verzochte zorgregeling. De GI is van mening dat de omgang kan worden uitgebreid in tijdsduur en dat het overdrachtsmoment geheel onbegeleid kan plaatsvinden.
2.14
Zoals hiervoor reeds overwogen, verloopt de omgang tussen [de minderjarige] en de vader al langere tijd goed. [de minderjarige] gaat blij naar de vader toe en komt ook weer vrolijk bij de moeder terug. Ook zijn er geen zorgen over de houding en het gedrag van de vader tijdens de omgang. De moeder heeft ook erkend dat de huidige voorlopige zorgregeling tot nu toe goed verloopt.
Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige] dat de omgang verder wordt uitgebreid. Uit de stukken blijkt dat de overdrachten tot nu toe nog steeds begeleid plaatsvinden in lijn met de wens van de moeder. Voor wat betreft die begeleiding is de GI gebonden aan de kantoortijden van de GI. Uit het journaalbericht van de vader 26 maart 2020 blijkt dat hij - mede vanwege het huidige probleem van de overdracht - zijn verzoek heeft aangepast in die zin dat hij heeft verzocht om de overdrachtsmomenten op school te laten plaatsvinden en het omgangsmoment op woensdag te laten vervallen. Op die manier hoeft de moeder geen contact te hebben met de vader bij de overdracht. Het hof acht dit een begrijpelijk voorstel van de vader, mede gelet op het feit dat de overdrachtsmomenten niet altijd op het kantoor (en binnen de kantoortijden) van de GI kunnen blijven plaatsvinden. Het hof kan zich voorstellen dat een omgangsmoment van vrijdag uit school tot maandag naar school voor de moeder op dit moment nog een te grote stap is, maar los van het feit dat het hof hiermee deels rekening houdt door te bepalen dat de komende maanden toegewerkt moet worden naar deze uitbreiding, is het hof van oordeel dat een uitbreiding van de omgang in kleinere stapjes zoals de moeder wenst uitsluitend mogelijk is wanneer de moeder meewerkt aan overdrachten anders dan begeleid en op het kantoor van de GI.
Indien de moeder daartoe bereid is, kan het hof zich voorstellen dat toegewerkt wordt naar een regeling waarbij [de minderjarige] om de week tijdens het weekend (zaterdag en zondag) bij de vader verblijft, als ook in de tussenliggende week op de woensdagmiddag. Om (nieuwe) onduidelijkheden tussen de ouders te voorkomen, zal het hof bepalen dat de zorgregeling in dat geval in het weekend start op zaterdag om 10.00 uur en eindigt op zondag om 18.00 uur en in de tussenliggende week op de woensdagmiddag start om 12.00 uur en eindigt om 16.45 uur.
Echter als de moeder niet wil meewerken aan dit alternatief, dient de omgang plaats te vinden om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school, waarbij het in dat geval aan de vader is om ervoor zorg te dragen dat [de minderjarige] vrijdag uit school tijdig wordt gehaald en maandagochtend tijdig op school is.
2.15
Met betrekking tot de stelling van de moeder dat zij als gevolg van tekortschieten door de GI in de uitvoering van de ondertoezichtstelling en als gevolg van de naar haar mening gebrekkige gang van zaken, tijdens haar psychotherapie niet of nauwelijks heeft kunnen werken aan het verwerken van haar trauma's en het vergroten van haar draagkracht, overweegt het hof als volgt. De moeder is vanaf september 2017 in psychotherapie, inmiddels dus ongeveer 2,5 jaar. Dat de moeder in die periode telkens onrust heeft ervaren over de omgang tussen [de minderjarige] en de vader en haar therapie nog niet heeft kunnen afronden, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de omgang niet uitgebreid kan worden. Zoals ook reeds bij tussenbeschikking van 12 maart 2019 overwogen, zijn de door de moeder benoemde belemmeringen voor uitbreiding van de omgang met name gelegen in de problematiek tussen haar en de vader als ex-partners en in haar eigen problematiek. Deze door de moeder ervaren belemmeringen wegen naar het oordeel van het hof minder zwaar dan het belang van [de minderjarige] bij omgang met zijn vader. Het is in het belang van [de minderjarige] dat zijn tempo en ontwikkelingsbehoeften worden gevolgd. Daarbij hoort dat hij een gehechtheidsrelatie en een bestendige band met zijn vader kan op- en uitbouwen. Ook heeft de moeder reeds eerder aangevoerd dat zij onrust en ruis ervaart door de destijds bij de omgang betrokken instanties. De raad heeft destijds (toen er nog geen sprake was van een ondertoezichtstelling) aangeboden de regie op zich te nemen, maar de moeder heeft dit aanbod afgeslagen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de omstandigheid dat de moeder nu kennelijk opnieuw onrust en ruis ervaart door de thans betrokken hulpverlener (de GI).
2.16
Gezien het feit dat er op dit moment nog alleen om de week op woensdagmiddag omgang plaatsvindt, is het hof van oordeel dat vanaf heden tot begin september 2020 toegewerkt dient te worden naar de door de vader verzochte zorgregeling. Het hof gaat er daarbij vanuit dat medio juni 2020 de eerste overnachting van [de minderjarige] bij de vader heeft plaatsgevonden en dat vanaf dat moment de omgang verder wordt uitgebreid naar een reguliere weekendregeling. Het hof laat het aan de GI over om de verdere opbouw en invulling van de zorgregeling te bepalen en ook om - indien nodig - het onder rechtsoverweging 2.14 omschreven alternatief vorm te geven.
2.17
Met betrekking tot de vakanties (het hof begrijpt: schoolvakanties) en feestdagen ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat deze bij helfte worden verdeeld. Het hof zal dan ook bepalen dat [de minderjarige] met ingang van 1 september 2020 de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft, in onderling overleg door de ouders, eventueel in eerste instantie met behulp van de GI, te verdelen.
2.18
Met betrekking tot de verjaardag van [de minderjarige] zal het hof bepalen dat [de minderjarige] die dag bij de ouder is bij wie hij conform de reguliere zorgregeling dient te zijn (zoals het hof bij deze beschikking zal vaststellen en nader uitgewerkt zal dienen te worden door de ouders met behulp van de GI).
Informatieregeling
2.19
De vader heeft aangevoerd dat de moeder hem op dit moment onvoldoende informeert over [de minderjarige] en heeft het hof daarom verzocht een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder hem minimaal een keer per twee weken per mail informeert over [de minderjarige] .
Nu het hof bij deze beschikking met ingang van heden de vader gezamenlijk met de moeder belast met het gezag over [de minderjarige] , ziet het hof geen reden om een informatieregeling vast te stellen. Het hof gaat er van uit dat binnen de ondertoezichtstelling aandacht wordt besteed aan de wijze waarop de ouders elkaar informeren. Desgewenst of zo nodig kan de vader als gezaghebbende ouder nu ook zelf informatie opvragen over [de minderjarige] bij de verschillende instanties. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
3. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van
8 augustus 2018, voor zover het de beslissingen omtrent het gezag en de omgang betreft, met ingang van heden en in zoverre opnieuw beschikkende:
belast de vader - gezamenlijk met de moeder - met het ouderlijk gezag over
[de minderjarige] , geboren [in] 2016;
stelt de volgende zorgregeling vast:
met ingang van heden verblijft [de minderjarige] ten minste eens in de twee weken op de woensdagmiddag bij de man thuis, van 12.00 uur tot 16.45 uur, waarbij de GI met ingang van heden toewerkt naar een uitbreiding van de zorgregeling zodanig dat [de minderjarige] met ingang van 1 september 2020 bij de vader verblijft gedurende:
(indien onbegeleide overdrachtsmomenten niet tot de mogelijkheden behoren) een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij de vader [de minderjarige] haalt en brengt van en naar school;
(indien onbegeleide overdrachtsmomenten mogelijk blijken) om de week van zaterdag 10.00 uur tot en met zondag 18.00 uur en in de tussenliggende week op de woensdagmiddag van 12.00 uur tot 16.45 uur;
alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, in onderling overleg door de ouders te verdelen;
waarbij [de minderjarige] op zijn verjaardag bij de ouder verblijft bij wie hij conform de reguliere zorgregeling verblijft.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.M. Dölle en R. Feunekes, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 28 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 12‑03‑2019
Inhoudsindicatie
Omgang. Ondanks persoonlijke problematiek moeder wordt gestart met uitbreiding van de omgang. In verband met tijdsverloop wordt niet gewacht tot moeder voldoende hersteld en weerbaar is. Gehechtheidsrelatie met vader moet verder worden op- en uitgebouwd.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.244.314/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/118232 / FA RK 17-496 en C/19/118793 / FA RK 17-850)
beschikking van 12 maart 2019
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S.A. Wortmann te Groningen,
en
[verweerder] ,
wonende te [B] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S.C. Janssens-Van Drooge te Zwolle.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
mr. [C] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [de minderjarige],
kantoorhoudende te Assen,
verder te noemen: de bijzondere curator.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de rechtbank), van 11 oktober 2017 en 8 augustus 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 augustus 2018;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Wortmann van 29 augustus 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Wortmann van 15 oktober 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Janssens-Van Drooge van 22 oktober 2018;
- een brief van de bijzondere curator van 26 november 2018;
- een journaalbericht van mr. Janssens-Van Drooge van 10 januari 2019 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Wortmann van 21 januari 2019 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Janssens-Van Drooge van 21 januari 2019 met productie(s);
- een faxbericht van de bijzondere curator van 29 januari 2019.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 1 februari 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de bijzondere curator is mr. W.J.P. Suringar verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is, in het kader van zijn adviserende taak, de heer [D] verschenen. Ter zitting hebben mr. Wortmann en mr. Janssens-Van Drooge mede het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.
2.3
Na de mondelinge behandeling zijn, naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, ingekomen twee brieven van de raad van 4 en 27 februari 2019. Hierin wordt door de raad medegedeeld dat de moeder geen toestemming geeft om informatie te verstrekken over de zitting bij het hof en het onderzoek van de raad aan de medewerker van Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) Tynaarlo.
3. De feiten
3.1
Uit de - verbroken - relatie van de vrouw en de man is [in] 2016 geboren [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). De vrouw is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.
3.2
Bij beschikking van 31 mei 2017 heeft de rechtbank - naar aanleiding van het door de man ingediende inleidend verzoek tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning - mr. [C] , advocaat te Assen, benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige] .
3.3
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank:
- de man vervangende toestemming verleend voor erkenning van [de minderjarige] ;
- het verzoek van de man dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over [de minderjarige] afgewezen;
- de volgende omgangsregeling toegewezen: de man heeft eenmaal per twee weken anderhalf tot twee uur omgang met [de minderjarige] . De omgang zal begeleid worden door [E] ;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
3.4
Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft dit hof de werking van de bestreden beschikking geschorst voor zover deze de vervangende toestemming tot erkenning betreft, totdat in de hoofdzaak is beslist.
3.5
Tot eind 2016 zag de man [de minderjarige] ongeveer één keer per week gedurende enkele uren bij de vrouw thuis. Van eind 2016 (sinds de verhuizing van de vrouw naar [A] ) tot september 2017 vond er - behalve van eind juni 2017 tot medio augustus 2017 toen de man in detentie zat vanwege een niet uitgevoerde voorwaardelijke taakstraf - eenmaal per twee weken gedurende ongeveer drie uur omgang plaats tussen de man en [de minderjarige] bij de vrouw thuis. In de periode van september 2017 tot januari 2018 heeft er wekelijks en sinds januari 2018 (in verband met een operatie van de vrouw) tweewekelijks begeleide omgang plaatsgevonden op het kantoor van de raad. Sinds augustus 2018 is de omgang op grond van de bestreden beschikking eenmaal per twee weken gedurende anderhalf tot twee uur, begeleid door [E] .
4. De omvang van het geschil
4.1
De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 augustus 2018. Deze grief ziet op de vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] door de man. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] af te wijzen.
4.2
De man voert verweer en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde principaal hoger beroep, althans dit ongegrond te verklaren.
De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grieven zien op het gezag en de omgangsregeling.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling en opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de man naast de vrouw belast wordt met het gezag over [de minderjarige] , voor zover de man [de minderjarige] rechtsgeldig heeft erkend;
- te bepalen dat de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] gedurende zes maanden gefaseerd wordt opgebouwd tot een regeling waarbij de man recht heeft op omgang met [de minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, wekelijks op woensdag van 10.00 uur tot 17.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, althans een dusdanige regeling te bepalen als het hof in goede justitie juist acht. En tevens te bepalen dat de man rondom de verjaardag van [de minderjarige] hem mag zien in bijzijn van zijn familie in [B] .
4.3
De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep, althans dit ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag en de vaststelling van de omgangsregeling te bekrachtigen, zo nodig met aanvulling of verbetering van de gronden, kosten rechtens.
5. De motivering van de beslissing
Erkenning
5.1
Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker is van het kind.
5.2
Voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de wettelijke vereisten als genoemd onder rechtsoverweging 5.1, komt het aan op een afweging van het belang van de vader om te erkennen tegenover de belangen van de moeder en de minderjarige bij het niet-erkennen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. De moeder heeft er belang bij dat zij een ongestoorde relatie met haar kind kan hebben. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien een reëel risico bestaat dat het kind door de erkenning wordt belemmerd in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer erkenning ertoe zou leiden dat de moeder daardoor in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Bij de afweging van de belangen dient daarbij mede in aanmerking te worden genomen dat het noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is.
5.3
Niet in geschil is dat de man de verwekker van [de minderjarige] is.
5.4
Het is aan de vrouw om haar stelling dat het verzoek niet moet worden toegewezen te onderbouwen, door feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat voormelde belangenafweging dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de man.
5.5
Volgens vaste jurisprudentie is daarvoor niet voldoende dat er sprake is van emotionele weerstand bij de vrouw dan wel dat er sprake is van een moeizame of ernstig verstoorde verhouding tussen de vrouw en de man, of slechte of geen communicatie en loyaliteitsconflicten. Ook beschuldigingen aan het adres van de man staan niet zonder meer in de weg aan toewijzing van het verzoek van de man.
5.6
Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stellingen dat sprake is van de in 5.1 weergegeven "tenzij-situatie" onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is niet aannemelijk geworden dat, in geval van erkenning door de man, de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang komt.
Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het goed gaat met [de minderjarige] , dat hij de man kent en dat de huidige begeleide omgangsregeling goed verloopt. Weliswaar is uit de stukken naar voren gekomen dat bij de vrouw sprake is van angsten, maar dit acht het hof onvoldoende om te concluderen dat de onder 5.2 omschreven risico's reëel zijn en zich in dit geval zullen voordoen. Voor zover deze angsten zijn gelegen in de persoon van de man - die volgens de vrouw zeer onbetrouwbaar is en onwaarheden vertelt - en de mogelijk schadelijke invloed die hij daardoor op [de minderjarige] zou hebben, wijst het hof er op dat het al dan niet verlenen van vervangende toestemming voor erkenning los staat van de vraag of en zo ja op welke wijze de man omgang heeft met [de minderjarige] . De vrouw heeft in eerste aanleg en ook in haar beroepschrift nog betoogd dat zij vreest dat de man [de minderjarige] mee zal nemen naar Guinee en dat [de minderjarige] door de erkenning - op enig moment - de nationaliteit van Guinee zou kunnen krijgen met alle mogelijke gevolgen, bijvoorbeeld voor wat betreft dienstplicht, van dien. Het hof is echter van oordeel dat de vrouw, in het licht van de uitvoerige en gemotiveerde betwisting van de man, haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan. Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] mede in het gedrang komt doordat de man weigert [de minderjarige] bij zijn naam te noemen en hem [F] noemt. De man heeft ter zitting toegezegd dat ook hij [de minderjarige] voortaan [de minderjarige] zal noemen. Het hof gaat ervan uit dat de man zijn toezegging zal nakomen.
5.7
Naar het oordeel van het hof is verder onvoldoende aannemelijk geworden dat de vrouw specifiek ten gevolge van de erkenning psychisch uit haar doen zal geraken dan wel dat haar problemen zodanig zijn dat haar relatie met [de minderjarige] onder druk zou komen te staan door de erkenning en aldus haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] zou schaden. Gebleken is immers dat de vrouw, ondanks de huidige juridische procedures en de mate van stress die zij daardoor stelt te ervaren, in staat is een goede opvoeder voor [de minderjarige] te zijn en hem een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. De vrouw heeft bovendien professionele hulp ingeschakeld om aan haar spannings- en stressklachten te werken.
5.8
Op grond van het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot de erkenning van [de minderjarige] als zijn kind dient te worden toegewezen. Voor de volledigheid merkt het hof hierbij op dat met deze eindbeslissing over de erkenning de taak van de bijzondere curator eindigt.
Omgang
5.9
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.10
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09). Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder - of zelfs geen - goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91).
5.11
De vrouw stelt dat zij (nog) niet toe is aan een uitbreiding van de huidige begeleide omgangsregeling. Zij ervaart veel stress van de man en zijn handelwijze. Ook kampt zij met trauma's uit haar verleden. De vrouw volgt een hulpverleningstraject voor haar persoonlijke problematiek en is van mening dat [de minderjarige] erbij gebaat is dat zij eerst de tijd, rust en ruimte krijgt om aan herstel dan wel verbetering van haar mentale gezondheid te werken. Uitbreiding van de omgangsregeling zal juist ten koste gaan van de fysieke en mentale gezondheid van de vrouw.
5.12
Het hof stelt vast dat de door de vrouw benoemde belemmeringen voor uitbreiding van de omgang met name zijn gelegen in de problematiek tussen haar en de man als ex-partners en in haar eigen persoonlijke problematiek. Het hof is van oordeel dat deze door de vrouw ervaren belemmeringen minder zwaar wegen dan het belang van [de minderjarige] bij omgang met zijn vader, welke omgang goed verloopt, en op welk belang het hof hierna zal ingaan.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de vrouw de man geen rol als vader gunt, althans een zeer beperkte rol. Ter zitting is zelfs gebleken dat zij de man naar [de minderjarige] toe zelfs niet als vader benoemt, maar uitsluitend bij zijn voornaam aanduidt. Het hof acht dit zeer zorgelijk. Het hof wijst de vrouw erop dat op haar als moeder de verplichting rust om [de minderjarige] te stimuleren in en te ondersteunen bij het contact met zijn vader en dat zij daarbij niet haar eigen tempo maar het tempo van [de minderjarige] dient te volgen. Zo nodig dient zij hulp te zoeken, bijvoorbeeld door het inschakelen van haar netwerk, indien zij zelf niet in staat is om de omgangsregeling uit te voeren dan wel onrust en ruis ervaart door de bij de omgang betrokken instanties. De raad heeft in dat kader ter zitting een handreiking aan de vrouw (en de man) gedaan in die zin dat de raad - indien partijen zorgen hebben over de omgang - bereid was (tijdelijk) de regie op zich te nemen. De vrouw heeft dit aanbod echter - zo leidt het hof af uit de brieven van de raad van 4 en 27 februari 2019 - afgeslagen.
5.13
Het hof heeft ter zitting met partijen ook de mogelijkheid besproken om een persoonlijkheidsonderzoek bij beide ouders door het NIFP te gelasten. Het hof zal hier echter niet toe overgaan. Het hof overweegt in dat verband dat ter zitting naar voren is gekomen dat de vrouw - ondanks de door haar aangevoerde problematiek - andere belangrijke levensgebeurtenissen (een nieuwe baan en nieuwe relatie) wel op orde lijkt te hebben. Het hof ziet dan ook onvoldoende aanleiding om eerst tot een dergelijk onderzoek over te gaan alvorens tot een beslissing over de (uitbreiding van de) omgang tussen [de minderjarige] en de man te kunnen komen. De stelling van de vrouw dat niet eerder tot een dergelijke beslissing kan worden overgegaan dan dat zij voldoende hersteld en weerbaar is zal het hof eveneens passeren. Het hof overweegt daarbij dat er geen concreet zicht is op wanneer de vrouw in haar visie voldoende hersteld zal zijn dan wel wanneer het hulpverleningstraject met positief resultaat afgerond zal zijn. De psychotherapeut van de vrouw heeft aangegeven dat de vrouw nog ten minste twee jaar hulpverlening nodig heeft. Het hof acht het niet in het belang van [de minderjarige] dat gedurende die periode de huidige beperkte begeleide omgangregeling onveranderd blijft.
5.14
Voorop staat het belang van [de minderjarige] . Gelet op zijn zeer jonge leeftijd en het feit dat hij volop in ontwikkeling is, is het van groot belang dat hij een gehechtheidsrelatie en een bestendige band met zijn vader kan op- en uitbouwen. Dit belang van [de minderjarige] en zijn recht op omgang wegen zwaarder dan het belang van de moeder. Zoals hiervoor reeds overwogen, verloopt de omgang tussen de man en [de minderjarige] goed. [de minderjarige] , die zijn vader inmiddels ook kent, heeft het naar zijn zin met zijn vader tijdens de omgangsmomenten. De vrouw heeft dit ook erkend. Het hof gaat voorbij aan de door de vrouw geuite - en door de man betwiste - bezwaren tegen de man, onder andere dat hij leugenachtig zou zijn en niet op tijd zou verschijnen bij een omgangsmoment, nu het in de kern gaat om (het opbouwen van) de band tussen [de minderjarige] en zijn vader. Niet is gebleken dat de man voor [de minderjarige] onbetrouwbaar is.
5.15
Naar het oordeel van het hof kan voornoemde band en gehechtheidsrelatie tussen de man en [de minderjarige] met de huidige beperkte begeleide omgangsregeling onvoldoende worden opgebouwd en bestendigd. De omgang wordt inmiddels reeds ongeveer anderhalf jaar begeleid. De omgang kan niet voor onbepaalde tijd begeleid blijven plaatsvinden.
Het hof is niet gebleken van contra-indicaties voor uitbreiding van de omgangsregeling in die zin dat wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang bij de man thuis.
Gezien het hiervoor overwogene zal het hof daarom de volgende opbouwregeling vaststellen. Met ingang van de datum van deze beschikking zal er gedurende twee maanden eens in de twee weken gedurende drie uur door [E] begeleide omgang plaatsvinden (derhalve in totaal vier omgangsmomenten). Vanaf juni 2019 vindt er eenmaal per twee weken gedurende vier uur omgang plaats tussen de man en [de minderjarige] bij de man thuis, waarbij [E] de eerste twee maanden de overdrachtsmomenten begeleidt.
5.16
Het hof zal verder nu reeds de raad opdracht geven om uiterlijk 15 juli 2019 een verkort briefrapport uit te brengen over het verloop van voornoemde omgangsregeling en de stand van zaken op dat moment. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de raad zo nodig zijn onderzoek uitbreidt met een onderzoek naar de eventuele noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.
Gezag
5.17
Gelet op de bovenstaande beslissing over de omgang ziet het hof aanleiding om eerst het verloop van de omgangsregeling af te wachten en de beslissing over het gezag aan te houden.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 augustus 2018 voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming is verleend voor erkenning van [de minderjarige] ;
houdt de beslissing met betrekking tot het gezag en de (definitieve) omgang aan;
stelt de volgende voorlopige omgangsregeling vast:
- met ingang van heden vindt er gedurende twee maanden eens in de twee weken gedurende drie uur door [E] begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de man plaats;
- vanaf juni 2019 totdat het hof nader heeft beslist hebben [de minderjarige] en de man eens in de twee weken gedurende vier uur onbegeleide omgang bij de man thuis, waarbij [E] de eerste twee maanden de overdrachtsmomenten begeleidt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de raad een nader onderzoek in te (doen) stellen naar de omgang als hiervoor onder 5.16 omschreven en daaromtrent uiterlijk op 15 juli 2019 in een verkort briefrapport te rapporteren en te adviseren;
stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk twee weken na ontvangst van het rapport van de raad hun schriftelijke reactie aan het hof te doen toekomen, waarna het hof schriftelijk zal beslissen dan wel zal bepalen (al dan niet na een gemotiveerd verzoek daartoe) dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum in of omstreeks augustus 2019, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.M. Dölle en R. Feunekes, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 12 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.