Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.3.2
11.3.3.2 Consolidatiecriteria
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368823:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 25 met verwijzing naar Kamerstukken II, 1987/88, 19 813, nr. 5. Zie ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/816 en Bartman/Dorresteijn 2013, nr. II.1.
Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 25. In het verleden werd hier ook wel anders over gedacht, zie de discussie bij Timmermans 1984, p. 350 en het historisch overzicht bij Van Achterberg 1989, p. 187 e.v.
Zie Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/261; Bartman/Dorresteijn 2013, nr. II en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/816 (slotalinea), alle met literatuurverwijzingen.
De acting in concert-definitie van art. 1:1, tweede zin sub 1 Wft verwijst naar het groepsbegrip van art. 2:24b BW:
“Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch met elkaar zijn verbonden.”
In het element van de organisatorische verbondenheid ligt besloten dat er sprake moet zijn van centrale leiding.1 De economische eenheid moet op haar beurt voortvloeien uit de organisatorische verbondenheid; er moet met andere woorden daadwerkelijk sprake zijn van het uitoefenen van centrale leiding.2 Van belang is verder dat voornoemde centrale leiding niet slechts kan worden afgeleid uit juridisch-organisatorische banden, waarbij valt te denken aan geconcentreerd aandelenbezit, statutaire beïnvloedingsrechten of beheersovereenkomsten, maar ook uit meer feitelijke omstandigheden, zoals het voeren van een centrale administratie of een gecentraliseerd planning- en controlesysteem.3