De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.6:6.6 Conclusie
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.6
6.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232243:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Midden-Nederland 11 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7719, TE 2017/04.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag of een bij dode opgerichte stichting de haar door de erflater/oprichter gemaakte begunstiging mag verwerpen, is van belang omdat een onderdeel van de onderzoeksvraag uit hoofdstuk 1 is: gelden voor de bij dode opgerichte stichting andere erfrechtelijke regels dan voor de bij leven opgerichte stichting. Een ander onderdeel van de onderzoeksvraag is of de verschillen tussen een natuurlijk persoon en de rechtspersoon (stichting) leiden tot een afwijkende behandeling in het erfrecht van natuurlijke personen en stichtingen. Voordat inhoudelijk werd ingegaan op deze vraag is onderzocht of de wet een bij dode opgerichte stichting ten aanzien van erfrechtelijke begunstigingen op dezelfde wijze behandelt als erfrechtelijk begunstigde als een natuurlijk persoon.
Uit dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat de Nederlandse wet ten aanzien van het vermogensrecht geen principieel onderscheid maakt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen zoals de stichting en ook niet tussen de bij dode opgerichte stichting en bij leven opgerichte stichting (6.2.3).
Vergeleken met Nederland is de situatie in Duitsland geheel anders, zo bleek in 6.2.1. De centrale positie van het vermogen van een stichting heeft direct gevolgen voor de positie als erfgenaam. Men moet hierbij bedenken dat deze positie niet het gevolg is van het erfrecht maar juist uit het rechtspersonenrecht voortvloeit. Omdat Anerkennung nodig is om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen, en deze slechts wordt verleend als de stichting een vermogen heeft waarmee zij duurzaam haar doel kan nastreven. Anerkennung wordt de bij dode opgerichte stichting onthouden als de erfrechtelijke begunstiging naar het oordeel van het overheidsorgaan dat tot Anerkennung moet overgaan, te klein is.
De situatie in België kwam aan de orde in 6.2.2. In België heeft men door de afschaffing van de machtiging voor alle verkrijgingen krachtens erfrecht door de minister van Justitie verder afstand genomen van de angst voor de dode hand. Daarmee is in 2017 ook de laatste beperking die de wet aan de begunstiging van een bij dode opgerichte stichting oplegde, verdwenen.
Vervolgens kwam in 6.3 de centrale vraag aan de orde: is de bij dode opgerichte stichting bevoegd een begunstiging of benoeming in een functie te verwerpen. In het antwoord op deze vraag ligt de kern van het onderscheid tussen een bij dode opgerichte stichting die bevoordeeld wordt door de oprichter/erflater en een andere stichting of een natuurlijk persoon.
Het is naar mijn mening niet mogelijk dat de bij dode opgerichte stichting een begunstiging of benoeming in een functie verwerpt. Hiervoor heb ik samengevat de volgende argumenten aangevoerd:
De wil van degene die de stichting beheerst, heeft te gelden als de wil van de stichting. Als het bestuur zonder zwaarwegende gronden makingen zou verwerpen, handelt het bestuur tegen de wil van de stichting. In dat geval kan worden gezegd dat wil (van de stichting) en verklaring (door het bestuur) niet met elkaar in overeenstemming zijn.
De erflater/oprichter heeft recht op uitvoering van zijn uiterste wilsbeschikkingen. Vanwege de testeervrijheid die onderdeel is van het eigendomsrecht kan de door de erflater zelf gecreëerde erfgenaam of legataris een making niet verwerpen.
De mogelijkheid tot verwerping van een nalatenschap of een legaat is in strijd met het doel als last. De wil van de oprichter is leidend voor de stichting. Verwerping van een making door de stichting afkomstig van de erflater zelf is daarmee in strijd.
Dat een bij dode opgerichte stichting een begunstiging niet mag verwerpen, kan tot gevolg hebben dat de stichting meer schulden dan baten verkrijgt. Het is van belang dat de bestuurders van de stichting zich hiervan bewust zijn en dat zij de nalatenschap van de erflater namens de stichting aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving, zo bleek in 6.4. Doen zij dat niet, dan lopen zij het risico dat zij persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de stichting.
In 6.4 is ook aandacht besteed aan de vraag wat de verhouding is tussen de mogelijkheid van de rechter tot wijziging van de statuten via de route van het rechtspersonenrecht uit artikel 2:294 lid 1 BW aan de ene kant en de erfrechtelijke route uit artikel 4:123 BW en artikel 4:134 BW – die de mogelijkheid bieden legaten en lasten te wijzigen – aan de andere kant. Gesteld zou kunnen worden dat de erfrechtelijke route niet bestaat. Wie echter met mij van mening is dat het doel van een stichting vaak een last is, zal dan ook moeten accepteren dat onder omstandigheden wijziging van het doel mogelijk is op grond van artikel 4:134 BW. Hierbij is van belang dat de rechter slechts gebruik kan maken van de bevoegdheid tot statutenwijziging indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet zijn gewild. De wil van de erflater/oprichter is dus van doorslaggevende betekenis. Van de bevoegdheid uit artikel 4:134 BW kan de rechter gebruikmaken indien ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn. De erfrechtelijke route biedt de rechter dus grotere vrijheid tot wijziging van het doel. Hoewel uit de praktijk blijkt dat de mogelijkheden uit artikel 4:123 BW en 4:134 BW al worden toegepast, is mij slechts één geval bekend waarbij de bepalingen werden gebruikt ten aanzien van een bij dode opgerichte stichting. In die zaak werd een bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting ontheven van de verplichting een hondenbegraafplaats in stand te houden.1
In 6.5 bleek dat, in het verlengde van het verbod begunstigingen te verwerpen, voor de bij dode opgerichte stichting geldt, dat zij benoemingen door de erflater/oprichter gedaan, moet aanvaarden.