Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.5:I.5 Deelvragen en plan van behandeling
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.5
I.5 Deelvragen en plan van behandeling
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599781:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De centrale vraag van dit onderzoek valt uiteen in een viertal deelvragen. Deze deelvragen hangen nauw samen met de opzet van dit boek. Aan de onderhavige bespreking van de deelvragen is dan ook direct een plan van behandeling gekoppeld.
Wat zijn de oorspronkelijke betekenissen en functies van de onschuldpresumptie en hoe ziet de historische ontwikkeling daarvan eruit?
Anders dan veel concrete positiefrechtelijke rechtsregels, zijn rechtsbeginselen historisch gegroeide waarden waarover gedurende een langere periode het breed gedragen idee bestaat dat zij relevant, waardevol en wenselijk zijn voor de juridische inrichting van de samenleving. Om met Dworkin te spreken:
“The origin of [...] legal principles lies not in a particular decision of some legislature or court but in a sense of appropriateness developed in the [legal] profession and the public over time.”1
Zij onttrekken zich niet noodzakelijk aan de het recht kenmerkende tijd- en plaatsgebondenheid, maar zij zijn aan minder vluchtige verandering onderhevig dan concrete rechtsregels.2 Voor een dieper begrip van de onschuldpresumptie en haar actuele waarde is het daarom belangrijk de historische ontwikkeling daarvan te overzien.
Aan de hand van deze eerste deelvraag schets ik in hoofdstuk II de ontstaansgeschiedenis van de presumptie van onschuld tot kort na de Tweede Wereldoorlog. Die ontstaansgeschiedenis maakt de contouren van de onschuldpresumptie zichtbaar. Een tweetal dimensies (een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie) komt aan de oppervlakte. Het onderscheid tussen die twee dimensies is leidend voor de verdere hoofdstukindeling.3
Wat zijn de hedendaagse grondslagen van de onschuldpresumptie en voor welke dilemma’s plaatst dit de rechtspleging?
De hedendaagse kracht van beginselen hangt echter niet alleen af van de oorspronkelijke geldigheid van de daarvoor pleitende argumenten. Beginselen kunnen hun kracht enkel behouden zolang zowel onder juristen als het publiek de achterliggende ideeën voortbestaan en gedragen blijven.4 In de hoofdstukken III (bewijsdimensie) en IV (behandelingsdimensie) zal ik de grondslagen van en belangrijkste argumenten vóór en tegen het bestaan van de onschuldpresumptie dan ook kritisch bespreken.
Rechtsprincipes zijn daarnaast als gezegd breder en minder specifiek dan rechtsregels. Dat betekent dat zij meer ontrafeling vergen. Hart stelt dat “[...] what would be regarded as a number of distinct rules can be exhibited as the exemplifications or instantiations of a single principle”.5 Beginselen zijn zonder nadere verbijzondering niet toepasbaar op een concrete situatie. Zij vereisen ‘operationalisering’. De huidige betekenis van de onschuldpresumptie wordt in dit deel van het boek nader op theoretisch-conceptueel niveau verkend aan de hand van de meest algemene overwegingen van de met uitleg van mensenrechtenverdragen belaste organen en de over de onschuldpresumptie in de doctrine levende opvattingen. Dat leidt – naast bezinning op de grondslagen – tot identificatie van diverse concretere normen die achter het vermoeden van onschuld schuilgaan. Een en ander biedt de achtergrond waartegen de positiefrechtelijke neerslag van het principe kan worden geduid én bekritiseerd, maar waartegen ook begrip kan bestaan voor de eigenaardigheden en lastige dilemma’s waarvoor de onschuldpresumptie het positieve recht stelt.
Welke betekenis geeft het voor Nederland relevante internationale (mensenrechten)recht aan de onschuldpresumptie?
De precieze reikwijdte en inhoud van de onschuldpresumptie zijn niet vast te stellen op basis van de in de hoofdstukken II tot en met IV gedane bevindingen. Per definitie zijn rechtsbeginselen algemeen en open. Zo’n beginsel krijgt pas daadwerkelijk betekenis wanneer het in afweging met allerlei andere belangen in concreto toepassing vindt.6
Daartoe richt de derde deelvraag (hoofdstukkenV en VI) de aandacht op het internationale recht voor zover dat Nederland rechtstreeks bindt. Vooral het EVRM, het IVBPR en het recht van de Europese Unie zijn van belang. Bezien wordt of de uitleg die de onschuldpresumptie in het internationale recht – in de oordelen van het EHRM en het VN Mensenrechtencomité en in de richtlijn – krijgt consequent, afgewogen en de gehele strafrechtspleging omvattend is. Zeker nu de onschuldpresumptie in het internationale recht aanzienlijk nadrukkelijker en explicieter is uitgekristalliseerd dan in het (zuiver) Nederlandse strafrecht, is analyse en vergelijking van die internationale rechtsbronnen onmisbaar. Verdragsconformiteit is tevens een relatief ‘harde’ minimumvoorwaarde waaraan de Nederlandse strafrechtspleging heeft te voldoen.
Hoe functioneert de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafproces?
Deze vierde deelvraag ziet op het Nederlandse strafproces. Dit deel van het onderzoek bouwt voort op de bevindingen ten aanzien van de eerste drie deelvragen. De antwoorden op de eerste drie deelvragen bieden in onderlinge samenhang een kader aan de hand waarvan het Nederlandse strafprocesrecht kan worden geanalyseerd en beoordeeld. Ik ga in de hoofdstukken VII (bewijsdimensie) en VIII (behandelingsdimensie) na of de presumptie van onschuld op consistente en consequente wijze in het Nederlands strafprocesrechtelijk systeem naar voren komt en in hoeverre dit systeem aansluit bij de historische, theoretische en verdragsrechtelijke ratio, inhoud en reikwijdte van die onschuldpresumptie. Voldoet de neerslag van het beginsel op nationaal niveau aan het internationale recht? Behoeft de uitwerking ervan ergens versterking of juist beperking, gelet op de ratio ervan? Zijn er in het Nederlandse strafprocesrecht in het licht van het vermoeden van onschuld opvallende hiaten of inconsequenties? En laten zij zich verklaren en/of onderbouwen en zo ja, hoe?
Hoofdstuk IX brengt de bevindingen over de verschillende deelvragen samen om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden. Het synthetiseert de resultaten uit de rest van het boek en gaat aan de hand van de hiervoor in paragraaf 2 geschetste problemen op diverse kernvragen nog nader in.