Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.5:6.5 Aanzet voor een afwegingskader
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.5
6.5 Aanzet voor een afwegingskader
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS447227:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot nu toe was er relatief weinig bekend over hoe keuzes op het vlak van de heffingsmethoden moeten worden gemaakt. Dat betreft zowel initiële keuzes als keuzes voor latere omzettingen. Dit onderzoek is een eerste stap naar meer inzicht hierin. Zoals ik hiervoor in paragraaf 6.4 al schreef beveel ik bij toekomstige keuzes het gebruik van een afwegingskader aan. Ik verwacht dat de kwaliteit van keuzes op dit terrein van de belastingwetgeving daardoor zal verbeteren. De aanzet tot dat afwegingskader (inclusief een aantal vragen die behulpzaam zijn bij de te maken afwegingen) dat is gebaseerd op de bevindingen uit de verschillende deelonderzoeken (zie paragraaf 6.4), ziet er als volgt uit:
1. Uitvoeringslasten voor de Belastingdienst
Wat zijn de gevolgen voor de hoogte van de uitvoeringlasten voor de Belastingdienst indien er wordt gekozen voor een bepaalde heffingsmethode?
Welke lasten houden verband met die keuze?
Wat zijn de gevolgen voor de hoeveelheid in te zetten mensen en middelen in het toezicht?
Kan het toezicht meer vooraf plaatsvinden (in de vorm van voorlichting en ondersteuning) in plaats van achteraf?
Wat zijn de gevolgen voor de in te zetten ICT?
Wat betekent de keuze voor de mate van dienstverlening door de Belastingdienst?
Sluit het moment van toezicht logisch aan bij het object en het tijdvak waarover wordt geheven?
2. Correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst
Wat zijn de gevolgen voor de correctiemogelijkheden als wordt gekozen voor een bepaalde heffingsmethode?
Beschikt de Belastingdienst over voldoende mogelijkheden om de betreffende belastingwet te handhaven?
Beschikt de Belastingdienst over voldoende mogelijkheden om correcties aan te brengen indien belastingplichtigen niet compliant zijn?
Wat is het meest doelmatige moment om eventuele correcties aan te brengen?
3. Behoefte aan rechtszekerheid van belastingplichtigen
Hoe zeker zijn belastingplichtigen dat zij in staat zijn om zelfstandig hun fiscale verplichtingen na te komen?
In hoeverre betreft het zekerheid die de Belastingdienst moet bieden?
Hoe kan rechtszekerheid worden geboden?
Hebben belastingplichtigen vooral behoefte aan zekerheid in de vorm van een aanslag en waarom?
Hoeveel belastingplichtigen betreft het?
Wat voor soort belastingplichtigen betreft het (gewone burgers of – op financieel/administratief terrein – professioneel geachte organisaties)?
4. Administratieve lasten voor de belastingplichtigen
Wat zijn de gevolgen voor de administratieve lasten van belastingplichtigen die verband houden met de te maken afweging tussen de twee heffingsmethoden?
Wat moeten belastingplichtigen doen om de fiscale regels zelfstandig na te kunnen leven?
Wat zijn de gevolgen voor de hoeveelheid tijd en geld die (groepen van) belastingplichtigen moeten besteden aan hun administratie en belastingaangelegenheden?
Keuzes ten aanzien van de heffingsmethoden zijn complex en vooralsnog tamelijk onvoorspelbaar. Dit afwegingskader is dan ook een eerste aanzet. Het zal zich door gebruik in de praktijk en vervolgenonderzoek verder moeten ontwikkelen naar uiteindelijk een omstandighedencatalogus waardoor het mogelijk wordt om aan de hand van een norm de verschillende argumenten te waarderen en daarin een hiërarchie aan te brengen (zie hoofdstuk 7).