Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 28 mei 2010, overeenkomstig de in art. 187 lid 1 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.
HR, 15-10-2010, nr. 10/02167
ECLI:NL:HR:2010:BO0412
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
15-10-2010
- Zaaknummer
10/02167
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BO0412
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BO0412, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 15‑10‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO0412
ECLI:NL:PHR:2010:BO0412, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑07‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO0412
- Wetingang
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑10‑2010
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Kring der gerechtigden die zich kan verzetten tegen de uitdelingslijst, art. 184 F. (81 RO).
15 oktober 2010
Eerste Kamer
10/02167
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.P. de Klerk.
Verzoekster tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak met het insolventienummer 06/651 R van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 mei 2010.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 oktober 2010.
Conclusie 23‑07‑2010
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie,
Verkorte conclusie
1.1
Bij beschikking van 20 mei 2010 heeft de rechtbank 's‑Gravenhage [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om het uit te keren bedrag te verlagen met € 4.328,-. De rechtbank komt — kort gezegd — tot dit oordeel omdat [verzoekster] niet tot de kring der gerechtigden ingevolg art. 184 Fw behoort die zich kan verzetten tegen de uitdelingslijst.
1.2
Tegen dit arrest heeft [verzoekster] tijdig1. beroep in cassatie ingesteld.
1.3
Het verzoekschrift bevat 1 cassatiemiddelen dat faalt.
Het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [verzoekster] niet tot de kring der gerechtigden behoort. Volgens het middel kunnen ingevolge art. 349 lid 5 Fw in samenhang met art. 186 Fw ook niet-geverifieerde schuldeisers verzet indienen tegen de slotuitdelingslijst.
1.4
Art. 186 Fw bepaalt dat een niet-geverifieerde schuldeiser verzet kan doen met als doel geverifieerd te worden. De schuldeiser moet dan
- (i)
uiterlijk twee dagen voor de dag, waarop het verzet zal worden behandeld, de vordering bij de curator indienen,
- (ii)
een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift voegen en
- (iii)
bij dit bezwaarschrift tevens het verzoek doen geverifieerd te worden.
Uit de stukken blijkt niet dat [verzoekster] aan deze voorwaarden heeft voldaan. [Verzoekster] heeft enkel een bezwaarschrift ingediend in de zin van art. 184 Fw. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [verzoekster] geen schuldeiser is in de zin van dat artikel.
1.5
M.i. stond er voor [verzoekster] een andere rechtsweg open. Art. 317 Fw verleent aan de schuldenaar onder andere de mogelijkheid om bij de rechter-commissaris een bevel uit te lokken dat de bewindvoerder een bepaalde handeling zal verrichten. Langs deze weg had [verzoekster] mogelijk kunnen bewerkstelligen dat het bedrag van de boedelrekening waarop zij meende recht te hebben aan haar zouden worden uitgekeerd.
2. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieverzoek.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑07‑2010