Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.3.a
4.3.a toegang tot de rechter: kader
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS610727:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 17 februari 1980, nr. 6903/75, NJ 1980/561 (Deweer/België).
Met zoveel woorden in bijv. EHRM 20 september 2004 (ontv.), nr. 38082/04 (Koch/ Duitsland); EHRM 25 juni 2009, nr. 55759/07 (Maresti/Kroatië); EHRM 20 december 2011, nr. 1005/08 (Dokić/Servië); aldus ook Hovens 2005, p. 21.
Zie bijv. EHRM (GK) 29 juli 1998, nr. 24767/94 (Omar/Frankrijk); EHRM (GK) 29 juli 1998, nr. 25201/94 (Guérin/Frankrijk); EHRM 16 oktober 2001, nr. 38055/97, EHRC 2001/ 82, m.nt. Heringa (Eliazer/Nederland); EHRM 20 mei 2010, nr. 24402/02 (Pelevin/Oekraine); EHRM 28 februari 2012, nr. 36084/06 (Pashayev/Azerbeidzjan); vgl. Kloth 2010, p. 13-15.
Vgl. EHRM 30 oktober 1998, nr. 38212/97 (F.E./Frankrijk): “The Court observes that the fact of having access to domestic remedies, only to be told that one’s actions are barred by operation of law does not always satisfy the requirements of Article 6 § 1.”
EHRM 23 oktober 1996, nr. 21920/93, NJ 1998/343 (Levages Prestations Services/Frankrijk) (civiel); EHRM 1 februari 2007, nr. 78041/01 (Paljic/Duitsland); EHRM 19 mei 2009, nr. 2815/05 (Antonicelli/Polen); EHRM 19 mei 2009, nr. 18353/03, EHRC 2009/95, m.nt. De Vocht (Kulikowski/Polen).
Zie bijv. ECRM 16 oktober 1995 (ontv.), nr. 21351/93 (J.J./Nederland); EHRM 7 mei 2002 (ontv.), nr. 77395/01 (Walczak/Polen); EHRM 16 maart 2010, nr. 25083/05 (Mamikonyan/ Armenië).
Aldus ook Kloth 2010, p. 17-19, opgemerkt zij dat deze voorwaarde als proportionaliteitsvereiste begrepen kan worden, zie paragraaf 3.8d; omdat het EHRM in het beslismodel voor access to court het proportionaliteitsvereiste afzonderlijk heeft opgenomen, ligt deze uitleg hier minder voor de hand.
Paragraaf 4.2d.
EHRM 23 oktober 1996, nr. 21920/93, NJ 1998/343 (Levages Prestations Services/Frankrijk) (civiel); EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97 (Khalfaoui/Frankrijk); EHRM 31 januari 2002 (ontv.), nr. 55331/00 (De Ponte Nascimento/Verenigd Koninkrijk); EHRM 16 oktober 2001, nr. 38055/97, EHRC 2001/82, m.nt. Heringa (Eliazer/Nederland); EHRM 11 juli 2002, nr. 36534/97, EHRC 2002/80, m.nt. Jansen (Osu/Italië); EHRM 1 februari 2007, nr. 78041/ 01 (Paljic/Duitsland); EHRM 19 mei 2009, nr. 18353/03, EHRC 2009/95, m.nt. De Vocht (Kulikowski/Polen).
Zie bijv. EHRM 30 juni 2016, nr. 29151/11 (Duceau/Frankrijk); zie over te complexe toegangsregels EHRM 16 december 1992, nr. 12964/87 (De Geouffre de la Pradelle/Frankrijk).
Zie bijv. EHRM 20 december 2011, nr. 1005/08 (Dokić/Servië).
Zie bijv. EHRM 11 juli 2002, nr. 36534/97, EHRC 2002/80, m.nt. Jansen (Osu/Italië); EHRM 28 maart 2006, nr. 23436/03 (Melnyk/Oekraïne) (civiel).
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 november 2006, nr. 5548/03 (Hajiyev/Azerbeidzjan); EHRM 16 maart 2010, nr. 25083/05 (Mamikonyan/Armenië); EHRM 28 februari 2012, nr. 36084/ 06 (Pashayev/Azerbeidzjan); EHRM 20 januari 2015, nr. 16563/11 (Arribas Anton/Spanje).
Sinds de zaak Golder/Verenigd Koninkrijk leest het Hof een recht op access to court in artikel 6 EVRM. Dit recht op toegang tot de rechter is in het strafrecht voornamelijk relevant voor de buitengerechtelijke afdoening zoals de strafbeschikking.1 Evenals de andere onderdelen van artikel 6 EVRM is het recht op toegang tot een gerecht ook van toepassing op gewone rechtsmiddelen.2 Een variant van de vaste overweging van het EHRM in dit verband luidt als volgt: “the right to a court, of which the right of access is one aspect, is not absolute; it may be subject to limitations permitted by implication, particularly regarding the conditions of admissibility of an appeal. However, these limitations must not restrict exercise of the right in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired. They must pursue a legitimate aim and there must be a reasonable proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved.”3
De toepasselijkheid van het recht op access to court in hoger beroep en cassatie lijkt op het eerste gezicht overbodig. Artikel 6 EVRM garandeert zoals opgemerkt geen hoger beroep of beroep in cassatie, maar als het nationale strafprocesrecht een beroepsmogelijkheid biedt, dan moet dit rechtsmiddel aan de eisen van artikel 6 EVRM voldoen, onder meer aan het recht op access to court. Iets specifieker geformuleerd: als nationaal recht toegang tot beroep verleent, dan is het verdragsrecht op toegang tot een gerecht van toepassing. Kortom: indien volgens nationaal recht toegang, dan ook toegang volgens verdragsrecht. Dit lijkt een nutteloze regel, maar is dat bij nader inzien niet. Het EHRM oordeelt namelijk dat beperkingen op rechtsmiddelen die volgens nationaal recht bestaan, moeten voldoen aan de vereisten van het recht op access to court. Het verdragsrecht is dus niet van toepassing voor zover toegang volgens nationaal recht bestaat. Als volgens nationaal recht een rechtsmiddel openstaat, dan moet dat rechtsmiddel in beginsel onbeperkt openstaan, zij het dat beperkingen niet ontoelaatbaar zijn.4
Dat beperking van het recht op toegang tot beroep mogelijk is, acht het EHRM met zoveel woorden tamelijk vanzelfsprekend, juist omdat de toegang tot beroep naar zijn aard regulering door de staat vereist.5 Restrictie van de toegang tot beroep moet gelet op bovenstaand citaat wel aan enkele beperkingsvoorwaarden voldoen. Ten eerste moet beperking een legitiem doel dienen, al heeft deze eis in de praktijk weinig betekenis. In de hier onderzochte rechtspraak werd nimmer op dit punt een schending vastgesteld. Als legitieme doelen zijn aanvaard: de goede rechtsbedeling, ontmoediging van kansloze beroepen, de versnelling van procedures en rechtszekerheid.6 Ook de tweede beperkingsvoorwaarde, kernrechtbescherming, komt in de Straatsburgse rechtspraak niet als betekenisvolle voorwaarde uit de verf.7 De aanvaardbaarheid van beperkingen op de toegang tot beroep draait daarom in veel gevallen om het proportionaliteitsvereiste. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de toegangsbeperking neemt het Hof onder meer in aanmerking wat de plaats en functie is van het betreffende gerecht in de strafprocedure als geheel.8 Daarom mogen de toegangseisen in cassatie strenger zijn dan in hoger beroep, aldus het EHRM in algemene termen.9
Naast deze vuistregel spelen algemene gezichtspunten zoals gelijke toepassing en voorzienbaarheid in de beoordeling dikwijls een rol.10
Een vierde en laatste beperkingsvoorwaarde is in het bovenstaande citaat niet opgenomen: de legaliteitseis. In enkele zaken overweegt het EHRM expliciet dat beperkingen op de toegang tot beroep in overeenstemming moeten zijn met nationaal recht.11 In andere zaken vindt legaliteitsbeoordeling in feite plaats over de band van de voorzienbaarheid. Een niet op nationaal recht gebaseerde beperking is immers niet voorzienbaar en derhalve in strijd met artikel 6 EVRM.12 In verscheidene gevallen is dit legaliteitsvereiste beslissend voor het oordeel van het EHRM, ondanks dat het Hof naar eigen zeggen zeer terughoudend is in de interpretatie van nationaal recht, in het bijzonder waar het gaat om het instellen van beroep of indienen van beroep-schrifturen.13