Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.6.5.1
14.6.5.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493420:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In voorkomend geval kan ook sprake zijn van samenloop van toezichts-, boete- en opsporingsonderzoek. Dan kan worden gedacht aan een uit een toezichtsonderzoek voortvloeiende navorderingsaanslag plus boete wegens te late indiening van de aangifte (= beboetbaar feit), terwijl die aangifte opzettelijk onjuist is gedaan (= strafbaar feit). Hier zij opgemerkt dat de beboetbare feiten ex art. 67a e.v. AWR zich inhoudelijk nauwelijks onderscheiden van de in art. 68 en 69 AWR strafbaar gestelde feiten (zij het dat art. 67a e.v. niet steeds een tegenhanger in art. 68 en 69 AWR hebben). Deze samenval van boete- en strafrechtelijke sancties raakt aan de ne bis in idem-problematiek.
In deze zin: ’t Hart, noot onder HR 23 november 1994, NJ 1995, 239, pt. 3, met verwijzing naar Buruma 1993, p. 238 e.v. en Wortel 1992, p. 351 e.v.
Van Veen, noot onder HR 26 april 1988, NJ 1989, 390, pt. 3.
Zie ’t Hart in pt. 3 van zijn noot onder HR 23 november 1994, NJ 1995, 239.
In belastingzaken kan ook sprake zijn van samenloop van toezichts- en opsporingsonderzoek.1 Ten aanzien van de bevoegdheidsuitoefening in beide sferen, formuleert de strafkamer van de HR als uitgangspunt dat het bestaan van een redelijke verdenking in de zin van art. 27 Sv als voorwaarde voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden, niet in de weg staat aan het uitoefenen van toezichtsbevoegdheden door de inspecteur. Ook anderszins betekent een fiscaal-strafvorderlijk onderzoek niet dat de toezichtssfeer in belastingzaken zou worden verlaten (en andersom).
Wel is het onderscheid tussen toezichts en opsporingsbevoegdheden, die de wetgever voor verschillende doeleinden heeft gegeven, gedurende de laatste decennia van de vorige eeuw, waarin steeds meer wetten informatieplichten schiepen, vervaagd. De HR staat inmiddels in vergaande mate toe dat controlebevoegdheden worden gebruikt in het kader van de opsporing (en andersom).2 Vanuit handhavingsperspectief valt veel te zeggen voor een vervlechting van controle- en opsporingsbevoegdheden; in ieder geval wanneer het toezicht op naleving en de opsporing van overtredingen van een wet in handen van een en dezelfde ambtenaar zijn. Dan zijn de verschillende bevoegdheden wel te onderscheiden, maar niet te scheiden.3
Vervlechting dringt nemo tenetur terug; ontvlechting in belastingzaken
De vervlechting van bevoegdheden heeft in belangrijke mate eraan bijgedragen, dat de werking van het nemo tenetur-beginsel is teruggedrongen. In welke mate daarvan uiteindelijk sprake is, is bij gebrek aan uitdrukkelijke erkenning van dit beginsel door de Nederlandse wetgever en rechter vooral afhankelijk van de doorwerking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in de samenloopproblematiek.4
In belastingzaken speelt deze vervlechting nauwelijks nog een rol. Controleambtenaren van de Belastingdienst beschikken nog nauwelijks over opsporingsbevoegdheden. De scheiding van toezichts- en opsporingsbevoegdheden is juist ingegeven door de wens om oneigenlijk gebruik van bevoegdheden en – voor zover hiervan te onderscheiden – aantasting van (verdedigings)rechten en waarborgen tegen te gaan. Hierbij teken ik aan dat FIOD-ambtenaren nog wel over toezichtsbevoegdheden plegen te beschikken (dit los van de vraag of zij die in de praktijk wel uitoefenen).
Hierna zal ik de meest in het oog springende jurisprudentie van de HR betreffende de vervlechting van de toezichts- en strafvorderlijke sfeer schetsen. Daarbij maak ik een onderscheid tussen de inzet van toezichtsbevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden (zie § 14.6.5.2) en omgekeerd de situatie waarin opsporingsbevoegdheden voor toezichtsdoeleinden worden uitgeoefend (§ 14.6.5.3).