Procestaal: Duits.
HvJ EU, 16-04-2015, nr. C-477/13
ECLI:EU:C:2015:239
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-04-2015
- Magistraten
L. Bay Larsen, K. Lenaerts, K. Jürimäe, J. Malenovský, A. Prechal
- Zaaknummer
C-477/13
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
Angerer
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:239, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑04‑2015
ECLI:EU:C:2014:2338, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑11‑2014
Uitspraak 16‑04‑2015
L. Bay Larsen, K. Lenaerts, K. Jürimäe, J. Malenovský, A. Prechal
Partij(en)
In zaak C-477/13,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) bij beslissing van 10 juli 2013, ingekomen bij het Hof op 5 september 2013, in de procedure
Eintragungsausschuss bei der Bayerischen Architektenkammer
tegen
Hans Angerer,
in tegenwoordigheid van:
Vertreter des Bundesinteresses beim Bundesverwaltungsgericht,
Landesanwaltschaft Bayern als Vertreter des öffentlichen Interesses,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, K. Jürimäe (rapporteur), J. Malenovský en A. Prechal, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 juli 2014,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Eintragungsausschuss bei der Bayerischen Architektenkammer, vertegenwoordigd door A. Graf von Keyserlingk en J. Buntrock, Rechtsanwälte,
- —
H. Angerer, vertegenwoordigd door H. Olschewski, Rechtsanwalt,
- —
het Landesanwaltschaft Bayern als Vertreter des öffentlichen Interesses, vertegenwoordigd door C. Zappel en R. Käβ; als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en M. de Ree als gemachtigden,
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Haţieganu en A. Vacaru als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun en H. Støvlbæk als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 november 2014,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22, met rectificaties in PB 2007, L 271, blz. 18, en PB 2008, L 93, blz. 28), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr.o279/2009 van de Commissie van 6 april 2009 (PB L 93, blz. 11; hierna: ‘richtlijn 2005/36’ of ‘richtlijn’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Eintragungsausschuss bei der Bayerischen Architektenkammer (Registratiecommissie van de Beierse orde van architecten; hierna: ‘Bayerische Architektenkammer’) en H. Angerer over de aanvraag van deze laatste tot inschrijving in het architectenregister van de Bayerische Architektenkammer.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Richtlijn 2005/36 heeft richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15) ingetrokken.
4
De overwegingen 17, 19 en 28 van richtlijn 2005/36 luiden als volgt:
- ‘(17)
Teneinde rekening te houden met alle situaties waarvoor nog geen bepalingen betreffende de erkenning van beroepskwalificaties bestaan, dient het algemeen stelsel te worden uitgebreid tot die gevallen die niet onder een specifieke regeling vallen, hetzij omdat het betrokken beroep niet onder een van deze regelingen valt, hetzij omdat het beroep wel onder een dergelijke regeling valt, maar de aanvrager, om een bijzondere en uitzonderlijke reden, niet aan de voorwaarden voldoet om ervan te profiteren.
[…]
- (19)
Het vrije verkeer en de onderlinge erkenning van de opleidingstitels van […] architecten moeten gebaseerd zijn op het grondbeginsel dat opleidingstitels op basis van een coördinatie van de minimumopleidingseisen automatisch worden erkend. […]
[…]
- (28)
De nationale regelgevingen op het gebied van de architectuur en de toegang tot en uitoefening van de beroepswerkzaamheden van architect lopen sterk uiteen. In de meeste lidstaten worden de werkzaamheden op het gebied van de architectuur rechtens of feitelijk uitgeoefend door personen die de beroepstitel van architect, al dan niet in combinatie met een andere beroepstitel, voeren, zonder dat de uitoefening van deze werkzaamheden evenwel uitsluitend aan deze personen is voorbehouden, tenzij bij wet anders is bepaald. Deze werkzaamheden, of sommige daarvan, kunnen ook worden uitgeoefend door andere beroepsbeoefenaren, met name ingenieurs, die een speciale opleiding op het gebied van de bouwkunde of bouwkunst hebben genoten. Teneinde deze richtlijn zo eenvoudig mogelijk te houden, moet het begrip ‘architect’ worden gebruikt om het toepassingsgebied van de bepalingen betreffende de automatische erkenning van opleidingstitels op het gebied van architectuur af te bakenen, onverminderd de bijzondere kenmerken van de nationale regelgeving betreffende deze werkzaamheden.’
5
Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Doel’, bepaalt:
‘Deze richtlijn stelt de regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (hierna de ‘ontvangende lidstaat’ genoemd), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (hierna de ‘lidstaat van oorsprong’ genoemd) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep.’
6
Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigde in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit en stelt hem in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden.’
7
Titel III van richtlijn 2005/36, met het opschrift ‘Vrijheid van vestiging’, omvat vier hoofdstukken. In hoofdstuk I van deze titel, met als opschrift ‘Algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels’, bepaalt artikel 10:
‘Dit hoofdstuk is van toepassing op alle beroepen die niet onder de hoofdstukken II en III van deze titel vallen en in onderstaande gevallen waarin de aanvrager, om een bijzondere en uitzonderlijke reden, niet voldoet aan de in die hoofdstukken opgenomen voorwaarden:
- a)
voor de werkzaamheden van bijlage IV, wanneer de migrant niet voldoet aan de eisen van de artikelen 17, 18 en 19;
- b)
voor artsen met een basisopleiding, medische specialisten, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, gespecialiseerde beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten, wanneer de migrant niet voldoet aan de eisen inzake daadwerkelijke en wettige beroepsuitoefening bedoeld in de artikelen 23, 27, 33, 37, 39, 43 en 49;
- c)
voor architecten, wanneer de migrant houder is van een opleidingstitel die niet is opgenomen in bijlage V, punt 5.7;
- d)
onverminderd artikel 21, lid 1, en de artikelen 23 en 27, voor artsen, ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten die houder zijn van een opleidingstitel van specialist, die moeten hebben deelgenomen aan de opleiding voor een titel genoemd in bijlage V, punten 5.1.1, 5.2.2, 5.3.2, 5.4.2, 5.5.2, 5.6.2 en 5.7.1, en alleen ten behoeve van de erkenning van het specialisme in kwestie;
- e)
voor verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers en gespecialiseerde ziekenverplegers die houder zijn van een opleidingstitel als specialist, die hebben deelgenomen aan de opleiding voor een titel bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2, wanneer de migrant erkenning vraagt in een andere lidstaat waar de relevante beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend door gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding als algemeen verantwoordelijke ziekenverplegers;
- f)
voor gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, wanneer de migrant erkenning vraagt in een andere lidstaat waar de relevante beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend door een verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger of gespecialiseerde ziekenverplegers die houder zijn van een specialistische opleidingstitel, die hebben deelgenomen aan de opleiding voor de titels bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2;
- g)
voor migranten die voldoen aan de eisen van artikel 3, lid 3.’
8
Hoofdstuk III van diezelfde titel III, met het opschrift ‘Erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen’, bevat het artikel 21, getiteld ‘Beginsel van automatische erkenning’. Lid 1 daarvan bepaalt:
‘Elke lidstaat erkent de opleidingstitels van […] architecten, zoals bedoeld [in bijlage V, punt 5.7.1.], die voldoen aan de minimumopleidingseisen van [artikel 46], door daaraan op zijn grondgebied, wat de toegang tot en uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem afgegeven opleidingstitels.
Deze opleidingstitels moeten door bevoegde instellingen van de lidstaten zijn afgegeven en, in voorkomend geval, vergezeld gaan van het certificaat, zoals bedoeld [in bijlage V, punt 5.7.1].
[…]’
9
Artikel 46 van richtlijn 2005/36, getiteld ‘Opleiding tot architect’, bepaalt in lid 1:
‘De opleiding tot architect omvat in totaal ten minste, hetzij vier jaar studie op voltijdbasis, hetzij zes jaar studie waarvan ten minste drie jaar voltijds, aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling. Ter afsluiting van deze opleiding moet met goed gevolg een examen op universitair niveau worden afgelegd.
Deze opleiding op universitair niveau, die hoofdzakelijk betrekking heeft op de architectuur, moet evenveel aandacht besteden aan de theoretische als aan de praktische aspecten van de architectuuropleiding en moet de verwerving van de hieronder genoemde kennis en bekwaamheid waarborgen:
[…]’
10
Artikel 48 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Uitoefening van de werkzaamheden van architect’, bepaalt in lid 1:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn zijn beroepswerkzaamheden van architect die welke gewoonlijk onder de beroepstitel van architect worden uitgeoefend.’
11
Bijlage V, punt 5.7.1, bij dezelfde richtlijn vermeldt voor elke lidstaat de opleidingstitels die toegang verlenen tot het beroep van architect, de instellingen die deze titels mogen uitreiken en de aanvullende certificaten bij deze titels.
Duits recht
12
Volgens de grondwet behoort de regeling van het beroep van architect in Duitsland tot de wetgevingsbevoegdheid van de Länder. Artikel 4 van het Gesetz über die Bayerische Architektenkammer und die Bayerische Ingenieurekammer-Bau (wet van het Land Bayern inzake de Beierse orde van architecten en de Beierse orde van civiel ingenieurs) van 9 mei 2007 (GVBl. blz. 308; hierna: ‘BauKaG’) bepaalt:
‘[…]
- (2)
In het architectenregister wordt op aanvraag ingeschreven degene die:
- 1.
in Beieren woonachtig of gevestigd is of daar hoofdzakelijk zijn beroep uitoefent,
- 2.
met goed gevolg de examens heeft afgelegd van een opleiding
- a)
met een reguliere studieduur van ten minste vier jaar voor de in artikel 3, lid 1, genoemde vakken van de studierichting architectuur (burgerlijke en utiliteitsbouw), of
- b)
met een reguliere studieduur van ten minste drie jaar voor de in artikel 3, leden 2 en 3, genoemde vakken van de studierichtingen binnenhuis- of landschapsarchitectuur,
aan een Duitse universiteit, een Duitse publieke of van overheidswege erkende ingenieursschool (academie) of aan een daarmee gelijkgestelde Duitse onderwijsinstelling, en
- 3.
daarna ten minste twee jaar praktijkervaring heeft opgebouwd in de betrokken studierichting.
Als praktijkervaring wordt ook aangemerkt de deelneming aan bijscholings- en voortgezette beroepsopleidingsprogramma's van de Architektenkammer op het gebied van technische en economische planning alsook bouwrecht.
[…]
- (5)
Aan de in lid 2, eerste zin, punten 2, onder a), en 3, genoemde voorwaarden wordt ook voldaan, indien een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, om bijzondere en uitzonderlijke redenen in de zin van artikel 10, onder b), c), d) en g), van richtlijn [2005/36] niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning van zijn opleidingstitels op grond van de coördinatie van de minimumopleidingseisen in de zin van richtlijn [2005/36], en voor het overige is voldaan aan de voorwaarden van artikel 13 van richtlijn [2005/36]; de opleidingen worden dan gelijkgesteld in de zin van artikel 12 van richtlijn [2005/36]. […]
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Sinds maart 2007 is Angerer, Duits staatsburger, in Oostenrijk werkzaam als ‘Planender Baumeister’ (bouwtechnicus/planning en technische berekeningen). Hij is zowel in Beieren als in Oostenrijk woonachtig. Op 25 april 2008 diende hij bij de Bayerische Architektenkammer een aanvraag in tot inschrijving in haar register van buitenlandse dienstverleners.
14
Ten tijde van die aanvraag had hij in Oostenrijk met succes de bekwaamheidsproef voor het beroep van ‘Baumeister’ afgelegd. Daarnaast had hij in Duitsland of in Oostenrijk — naargelang van het geval — met goed gevolg ook de volgende proeven afgelegd en diploma's behaald: eindexamen in het leerlingwezen en vakdiploma voor het beroep schilder en lakwerker, examen bedrijfseconomie in de ambachtelijke sector, vakdiploma voor het beroep stukadoor, examen energieadviseur en eindexamen in het leerlingwezen voor het beroep metselaar.
15
Bij besluit van 18 juni 2009 wees de Bayerische Architektenkammer Angerers aanvraag tot inschrijving af. Bij besluit van 17 maart 2010 van de Bayerische Ingenieurekammer-Bau (Beierse orde van civiel ingenieurs) werd hij daarentegen opgenomen in een register als bedoeld in artikel 61, lid 7, van de Bayerische Bauordnung (Beiers bouwreglement), waardoor hij in Beieren bouwprojecten kon indienen. Angerer kan de werkzaamheden van ‘Planender Baumeister’ waarvoor hij een Oostenrijks diploma heeft behaald, bijgevolg zonder enige beperking verrichten.
16
Angerer stelde tegen het besluit van 18 juni 2009 houdende weigering van inschrijving beroep in bij het Bayerische Verwaltungsgericht (bestuursrechter Land Bayern), dat bij vonnis van 22 september 2009 dat besluit nietig verklaarde en de Bayerische Architektenkammer gelastte Angerer in te schrijven in het register van buitenlandse dienstverleners.
17
De Bayerische Architektenkammer stelde tegen dat vonnis hoger beroep in bij het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (hogere bestuursrechter Land Bayern). Tijdens de appelprocedure wijzigde Angerer op verzoek van de rechter en met instemming van de Bayerische Architektenkammer zijn aanvankelijke aanvraag in die zin dat hij niet langer wenste te worden ingeschreven in het register van buitenlandse dienstverleners, maar in het architectenregister.
18
Bij arrest van 20 september 2011 wees het Bayerische Verwaltungsgerichtshof het gewijzigde verzoek van Angerer toe op grond dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, lid 5, BauKaG voor inschrijving in het architectenregister.
19
Daarop heeft de Bayerische Architektenkammer beroep in ‘Revision’ ingesteld bij de verwijzende rechter, die erop wijst dat artikel 4, lid 5, BauKaG ertoe strekt richtlijn 2005/36 om te zetten in Duits recht. Die bepaling verwijst in het bijzonder naar artikel 10, onder c), van deze richtlijn. Volgens de verwijzende rechter is het voor het aldaar aanhangige geding bijgevolg van doorslaggevend belang dat de in artikel 10, onder c), van de richtlijn gestelde voorwaarden worden verduidelijkt, met name door afbakening van de inhoud van de in dat artikel gebruikte begrippen ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ en ‘architect’.
20
Wat ten eerste het begrip ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat de in artikel 10, onder a) tot en met d) en g), van richtlijn 2005/36 bedoelde gevallen niet reeds op zichzelf een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in de zin van artikel 10 van de richtlijn vormen, maar dat de aanvrager daarnaast verdere — bijvoorbeeld met zijn levensloop verband houdende — redenen moet aanvoeren en aantonen, die ertoe hebben geleid dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor automatische erkenning van de opleidingstitels op grond van de coördinatie van de minimumopleidingseisen in de zin van die richtlijn.
21
Wat ten tweede het begrip ‘architect’ betreft, brengt de verwijzende rechter onder de aandacht dat een ‘Planender Baumeister’ overeenkomstig het Oostenrijkse recht bevoegd is gebouwen, boven- en ondergrondse werken alsook andere werken te plannen, alle desbetreffende berekeningen te maken, de werkzaamheden in dat verband te leiden en uit te voeren, en de sloop van dergelijke werken te leiden. Zowel de ‘Planender Baumeister’ als de architect bezit deze bevoegdheden. Volgens de verwijzende rechter moet daarentegen worden uitgemaakt of het begrip ‘architect’ in de zin van artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 vereist dat de migrant in zijn lidstaat van oorsprong naast technische werkzaamheden op het gebied van de planning van, het toezicht op en de uitvoering van werken ook artistiek-vormgevende werkzaamheden, werkzaamheden op het gebied van de stedenbouwkunde, economische werkzaamheden of werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg heeft verricht of na zijn opleiding had mogen verrichten.
22
Daarop heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
- a)
Zijn onder ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in de zin van artikel 10 van [richtlijn 2005/36] die omstandigheden begrepen die in de daarna genoemde categorieën […] zijn gedefinieerd, of dient naast deze omstandigheden sprake te zijn van een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ op grond waarvan de aanvrager niet voldoet aan de in de hoofdstukken II en III van titel III van de richtlijn genoemde voorwaarden?
- b)
Van welke aard dient de ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in dit laatste geval te zijn? Moet het gaan om persoonlijke redenen — bijvoorbeeld de individuele levensloop — op grond waarvan de migrant bij uitzondering niet voldoet aan de voorwaarden voor automatische erkenning van zijn opleiding overeenkomstig hoofdstuk III van titel III van de richtlijn?
- 2)
- a)
Vereist het begrip ‘architect’ in de zin van artikel 10, onder c, van [richtlijn 2005/36] dat de migrant in de lidstaat van oorsprong naast technische werkzaamheden op het gebied van de planning van, het toezicht op en de uitvoering van werken ook artistiek-vormgevende werkzaamheden, werkzaamheden op het gebied van de stedenbouwkunde, economische werkzaamheden en in voorkomend geval werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg heeft verricht of na zijn opleiding had mogen verrichten, en zo ja in welke omvang?
- b)
Vereist het begrip ‘architect’ in de zin van artikel 10, onder c, van [richtlijn 2005/36] dat de migrant een opleiding op universitair niveau heeft gevolgd die vooral gericht was op architectuur, in die zin dat deze naast technische aspecten van de planning van, het toezicht op en de uitvoering van werken ook artistiek-vormgevende aspecten alsmede onderwerpen op het gebied van stedenbouwkunde, economie en in voorkomend geval monumentenzorg omvatte, en zo ja in welke omvang?
- c)
- i)
Is voor het antwoord op de vragen a) en b) van belang hoe de beroepstitel ‘architect’ in andere lidstaten gewoonlijk wordt gebruikt (artikel 48, lid 1, van [richtlijn 2005/36]);
- ii)
of is het voldoende vast te stellen hoe de beroepstitel ‘architect’ in de lidstaat van oorsprong en in de ontvangende lidstaat gewoonlijk wordt gebruikt;
- iii)
of kan het spectrum van de op het gebied van de Europese Unie gewoonlijk met de titel ‘architect’ verbonden werkzaamheden worden afgeleid uit artikel 46, lid 1, tweede alinea, van [richtlijn 2005/36]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag, onder a)
23
Met zijn eerste vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat de aanvrager die in aanmerking wil komen voor het algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels als vervat in titel III, hoofdstuk I, van deze richtlijn, niet alleen moet aantonen dat hij in het bezit is van een opleidingstitel die niet in bijlage V, punt 5.7.1, daarbij is opgenomen, maar ook dat er sprake is van een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’.
24
Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat artikel 10 van richtlijn 2005/36 de werkingssfeer van het in titel III, hoofdstuk I, daarvan neergelegde algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels vaststelt. Volgens dat stelsel moeten de autoriteiten van de ontvangende lidstaat de beroepskwalificaties die de aanvrager in zijn lidstaat van oorsprong heeft verworven, per geval onderzoeken. Voor de architecten wordt die werkingssfeer bepaald in artikel 10, onder c), van de richtlijn.
25
Zoals blijkt uit overweging 19 ervan, bepaalt richtlijn 2005/36 met name voor het beroep van architect echter dat de onderlinge erkenning van de opleidingstitels moet zijn gebaseerd op het beginsel dat die opleidingstitels op basis van een coördinatie van de minimumopleidingseisen automatisch worden erkend. Dat stelsel van automatische erkenning wordt geregeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn.
26
Volgens vaste rechtspraak moet bij het bepalen van de draagwijdte van een bepaling van Unierecht, in casu artikel 10 van richtlijn 2005/36, zowel rekening worden gehouden met de bewoordingen en de context als met de doelstellingen van die bepaling (arrest Spedition Welter, C-306/12, EU:C:2013:650, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Wat de bewoordingen van artikel 10 van richtlijn 2005/36 betreft, moet erop worden gewezen dat de inleidende zin ervan, voor beroepen die in beginsel onder het stelsel van automatische erkenning van opleidingstitels vallen, de toepassing van het algemeen stelsel van erkenning van die titels afhankelijk stelt van twee voorwaarden, namelijk dat de aanvrager niet aan de voorwaarden voor toepassing van het stelsel van automatische erkenning voldoet en dat er een bijzondere en uitzonderlijke reden is waarom hij in die situatie verkeert.
28
Deze uitlegging wordt bevestigd door overweging 17 van richtlijn 2005/36, volgens welke het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is wanneer de aanvrager om een bijzondere en uitzonderlijke reden niet aan de voorwaarden voldoet om te profiteren van het stelsel van automatische erkenning.
29
De inleidende zin van artikel 10 van richtlijn 2005/36 wordt gevolgd door de punten a) tot en met g), die de strekking van de ene of de andere van die twee voorwaarden beogen te verduidelijken. Die punten gelden voor één of meer specifieke beroepen dan wel, overkoepelend, voor een geheel van beroepsbeoefenaren die zich in een bijzondere situatie bevinden.
30
Artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36, dat specifiek het beroep van architect betreft, ziet op een bijzondere feitelijke situatie, namelijk die waarin een aanvrager niet beschikt over een in bijlage V, punt 5.7.1, daarbij opgenomen opleidingstitel. Ingevolge artikel 21, lid 1, van de richtlijn is het bezit van een in die bijlage vermelde opleidingstitel echter de voorwaarde voor toepassing van het in titel III, hoofdstuk III, ervan vervatte stelsel van automatische erkenning van opleidingstitels op de architecten. Bijgevolg heeft artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 uitsluitend betrekking op de eerste van de twee in de inleidende zin van dat artikel bedoelde voorwaarden, te weten dat niet aan de vereisten voor toepassing van het stelsel van automatische erkenning is voldaan.
31
Dat kan er voor architecten met opleidingstitels die niet zijn opgenomen in bijlage V, punt 5.7.1, bij richtlijn 2005/36 echter niet toe leiden dat de tweede voorwaarde van de inleidende zin van dat artikel 10 wegvalt, aangezien het om cumulatieve voorwaarden gaat.
32
Bijgevolg moet een aanvrager die in aanmerking wil komen voor het voor architecten geldende algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels, overeenkomstig artikel 10 van die richtlijn niet alleen aantonen dat hij in de in artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 bedoelde situatie verkeert, namelijk dat hij geen van de in die bijlage V, punt 5.7.1, vermelde opleidingstitels heeft, maar ook een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ aanvoeren waarom hij zich in die situatie bevindt.
33
Die uitlegging strookt met de bedoelingen van de wetgever van de Unie, zoals die blijken uit de voorbereidende werkzaamheden voor richtlijn 2005/36. Zo kwamen in artikel 10 van het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties [COM(2002) 119 definitief] (PB 2002, C 181 E, blz. 183) noch het begrip ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ noch de punten a) tot en met g), van richtlijn 2005/36 voor. Dat begrip en die bepalingen zijn toegevoegd op initiatief van de Raad van de Europese Unie in gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 10/2005 vastgesteld door de Raad op 21 december 2004 met het oog op de aanneming van richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, C 58 E, blz. 1). Blijkens zijn motivering (PB 2005, C 58 E, blz. 119) vond de Raad dat het aanvankelijke voorstel van de Commissie voor artikel 10 van deze richtlijn te ver ging. De Raad zet in zijn motivering voorts uiteen dat ‘het algemeen stelsel uitsluitend van toepassing [kan] zijn op beroepen die niet onder de hoofdstukken II en III van titel III vallen, alsmede op de in artikel 10, onder a) tot en met g), van het gemeenschappelijk standpunt opgesomde bijzondere gevallen waarin een aanvrager die een beroep uitoefent dat onder deze hoofdstukken valt, om een bijzondere en uitzonderlijke reden niet voldoet aan de in voornoemde hoofdstukken opgenomen voorwaarden’.
34
Bovendien verzetten de opzet en het doel van richtlijn 2005/36 zich tegen de ruime uitlegging van het begrip ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ volgens welke die reden geen zelfstandige voorwaarde ten opzichte van de voorwaarde van artikel 10, onder c), van de richtlijn vormt.
35
Wat de opzet van richtlijn 2005/36 betreft, blijkt met betrekking tot het beroep van architect uit overweging 19 van de richtlijn dat de beroepskwalificaties van architecten bij voorrang worden erkend op basis van het stelsel van automatische erkenning van opleidingstitels, dat is vervat in de artikelen 21 en 46 van de richtlijn alsook in bijlage V, punt 5.7.1, daarbij.
36
Wat het doel van richtlijn 2005/36 betreft, blijkt uit de artikelen 1 en 4 ervan dat het hoofddoel van de onderlinge erkenning erin bestaat om de houder van een beroepskwalificatie die hem in de lidstaat van oorsprong toegang geeft tot een gereglementeerd beroep, in de ontvangende lidstaat toegang te bieden tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong gekwalificeerd is en om hem in staat te stellen dit beroep daar onder dezelfde voorwaarden uit te oefenen als de eigen onderdanen van deze lidstaat (arrest Ordre des architectes, C-365/13, EU:C:2014:280, punt 19).
37
Zou artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 aldus worden uitgelegd dat aanvragers die niet aan de voorwaarden van titel III, hoofdstuk III, daarvan voldoen geen bijzondere en uitzonderlijke reden hoeven aan te tonen, dan zou de ontvangende lidstaat zich verplicht kunnen zien de opleidingstitels van een aanvrager ook dan te onderzoeken, wanneer die niet over de kwalificaties beschikt die vereist zijn om het beroep van architect in zijn lidstaat van oorsprong uit te oefenen, wat indruist tegen het doel van de richtlijn.
38
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag, onder a), worden geantwoord dat artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat de aanvrager die in aanmerking wil komen voor het algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels als vervat in titel III, hoofdstuk I, van deze richtlijn, niet alleen moet aantonen dat hij in het bezit is van een opleidingstitel die niet in bijlage V, punt 5.7.1, daarbij is opgenomen, maar ook dat er sprake is van een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’.
Eerste vraag, onder b)
39
Met zijn eerste vraag, onder b), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welk soort omstandigheden een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in de zin van artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 kunnen opleveren.
40
Angerer, de Duitse en de Roemeense regering alsook de Commissie zijn van mening dat het begrip ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ verwijst naar omstandigheden die verband houden met mogelijke institutionele en structurele hinderpalen die het gevolg zijn van de concrete situatie van de betrokken lidstaat. Volgens Angerer, de Landesanwaltschaft Bayern als Vertreter des öffentlichen Interesses en de Commissie vallen onder een dergelijke reden ook omstandigheden die samenhangen met de persoonlijke situatie van de aanvrager, met name zijn levensloop, zijn scholing of gebeurtenissen in zijn privéleven. De Duitse regering stelt dat wanneer dergelijke persoonlijke omstandigheden een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ kunnen vormen, moet worden nagegaan of de aanvrager over alle deskundigheid beschikt die nodig is om het beroep van architect uit te oefenen.
41
Dienaangaande heeft het Hof in het arrest Dreessen (C-31/00, EU:C:2002:35, punten 27 en 28) geoordeeld dat de lidstaten hun verplichtingen inzake onderlinge erkenning van beroepskwalificaties, zoals die voortvloeien uit de door het Hof aan de artikelen 49 VWEU en 53 VWEU gegeven uitlegging, moeten naleven bij elk onderzoek van een verzoek om toelating tot het beroep van architect, wanneer de aanvrager zich niet kan beroepen op het stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de opleidingstitel waarover de aanvrager beschikt ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat niet bij de Commissie is aangemeld.
42
Verder volgt uit het arrest Hocsman (C-238/98, EU:C:2000:440, punt 23) dat de lidstaten hun verplichtingen inzake onderlinge erkenning van beroepskwalificaties moeten naleven overeenkomstig artikel 49 VWEU, wanneer de aanvrager zich wegens de plaats waar hij de betrokken opleidingstitel heeft behaald en zijn academische en professionele loopbaan niet kan beroepen op het stelsel van erkenning van beroepskwalificaties waarin de relevante richtlijn voorziet.
43
Uit de voorbereidende werkzaamheden voor richtlijn 2005/36, in het bijzonder de in punt 33 van dit arrest aangehaalde motivering van de Raad, blijkt dat met name de situaties die in de arresten Hocsman (C-238/98, EU:C:2000:440) en Dreessen (C-31/00, EU:C:2002:35) aan de orde zijn, tot de vaststelling van artikel 10 van de richtlijn hebben geleid. Bijgevolg kan de in dat artikel bedoelde ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ zowel omstandigheden omvatten die verband houden met mogelijke institutionele en structurele hinderpalen die het gevolg zijn van de concrete situatie van de betrokken lidstaat, als omstandigheden die samenhangen met de persoonlijke situatie van de aanvrager.
44
Bij de bepaling van de draagwijdte van het begrip ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ moet voorts rekening worden gehouden met het doel van richtlijn 2005/36 dat, zoals in punt 36 van dit arrest is uiteengezet, erin bestaat de houder van een beroepskwalificatie die hem in de lidstaat van oorsprong toegang geeft tot een gereglementeerd beroep, in de ontvangende lidstaat toegang te bieden tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong gekwalificeerd is.
45
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag, onder b), worden geantwoord dat artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in de zin van die bepaling verwijst naar de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de aanvrager niet in het bezit is van een in bijlage V, punt 5.7.1, bij de richtlijn opgenomen titel, waarbij die aanvrager echter niet met goed gevolg kan aanvoeren dat hij over beroepskwalificaties beschikt die hem in zijn lidstaat van oorsprong toegang geven tot een ander beroep dan het beroep dat hij in de ontvangende lidstaat wil uitoefenen.
Tweede vraag
46
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het in die bepaling bedoelde begrip ‘architect’ moet worden omschreven rekening houdend met de wettelijke regeling van de lidstaat van oorsprong, die van de ontvangende lidstaat, die van de andere lidstaten of in het licht van de voorwaarden van artikel 46 van dezelfde richtlijn, en voorts verlangt dat de aanvrager beschikt over een opleiding en ervaring die niet alleen betrekking hebben op technische werkzaamheden op het gebied van planning, toezicht en uitvoering, maar ook op artistiek-vormgevende, stedenbouwkundige en economische werkzaamheden en in voorkomend geval werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg.
47
Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat volgens de rechtspraak over richtlijn 85/384 het aan de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat is, te bepalen welke werkzaamheden onder de sector architectuur vallen, aangezien die richtlijn er niet toe strekt de voorwaarden voor toegang tot het beroep van architect te regelen en evenmin beoogt de aard te bepalen van de werkzaamheden die de leden van deze beroepscategorie mogen uitoefenen (zie in die zin arrest Ordine degli Ingegneri di Verona e Provincia e.a., C-111/12, EU:C:2013:100, punt 42).
48
De vaststelling in het vorige punt geldt naar analogie voor het stelsel van automatische erkenning van de opleidingstitels van architect waarin richtlijn 2005/36 voorziet. Dat blijkt in het bijzonder uit overweging 28 ervan, volgens welke het begrip ‘architect’ in de richtlijn wordt gebruikt om het toepassingsgebied van de bepalingen betreffende de automatische erkenning van opleidingstitels op het gebied van architectuur af te bakenen, onverminderd de bijzondere kenmerken van de nationale regelgeving betreffende deze werkzaamheden.
49
Zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft uiteengezet, wilde de wetgever van de Unie, wanneer hij niet de bedoeling had het begrip ‘architect’ te omschrijven in het kader van het in richtlijn 2005/36 vervatte stelsel van automatische erkenning van opleidingstitels, dat al helemaal niet doen in het kader van het algemeen stelsel.
50
Het moet nog worden gepreciseerd dat de vereisten van artikel 46 van richtlijn 2005/36 als zodanig niet gelden in het kader van het algemeen stelsel van erkenning van de opleidingstitels van architecten. Dat artikel, dat specifiek ziet op het stelsel van automatische erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen, beschrijft die minimumopleidingseisen.
51
Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het in die bepaling bedoelde begrip ‘architect’ moet worden omschreven rekening houdend met de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat en dus niet noodzakelijkerwijs verlangt dat de aanvrager beschikt over een opleiding en ervaring die niet alleen betrekking hebben op technische werkzaamheden op het gebied van planning, toezicht en uitvoering, maar ook op artistiek-vormgevende, stedenbouwkundige en economische werkzaamheden en in voorkomend geval werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg.
Kosten
52
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr.o279/2009 van de Commissie van 6 april 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de aanvrager die in aanmerking wil komen voor het algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels als vervat in titel III, hoofdstuk I, van deze richtlijn, niet alleen moet aantonen dat hij in het bezit is van een opleidingstitel die niet in bijlage V, punt 5.7.1, daarbij is opgenomen, maar ook dat er sprake is van een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’.
- 2)
Artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36, zoals gewijzigd bij verordening nr. 279/2009, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in de zin van die bepaling verwijst naar de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de aanvrager niet in het bezit is van een in bijlage V, punt 5.7.1, bij de richtlijn opgenomen titel, waarbij die aanvrager echter niet met goed gevolg kan aanvoeren dat hij over beroepskwalificaties beschikt die hem in zijn lidstaat van oorsprong toegang geven tot een ander beroep dan het beroep dat hij in de ontvangende lidstaat wil uitoefenen.
- 3)
Artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36, zoals gewijzigd bij verordening nr. 279/2009, moet aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling bedoelde begrip ‘architect’ moet worden omschreven rekening houdend met de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat en dus niet noodzakelijkerwijs verlangt dat de aanvrager beschikt over een opleiding en ervaring die niet alleen betrekking hebben op technische werkzaamheden op het gebied van planning, toezicht en uitvoering, maar ook op artistiek-vormgevende, stedenbouwkundige en economische werkzaamheden en in voorkomend geval werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑04‑2015
Conclusie 05‑11‑2014
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-477/131.
Eintragungsausschuss bei der Bayerischen Architektenkammer
tegen
Hans Angerer
[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
Artikel 10 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties2. geeft het kader aan van een algemeen stelsel voor de erkenning van opleidingstitels. In de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt het Hof voor de eerste maal gevraagd naar de juiste uitlegging en het normatieve gehalte van enige termen van dit artikel. Het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursgerecht van Duitsland), waarbij cassatieberoep (‘Revision’) aanhangig is, vraagt zich af of de door twee lagere rechters in deze zaak gegeven uitlegging juist is.
2.
De strijdende partijen in de onderhavige zaak zijn de heer Angerer, die in Oostenrijk de titel ‘planender Baumeister’ (bouwtechnicus/planning en technische berekeningen) heeft behaald, en de Eintragungsausschuss bei der Bayerischen Architektenkammer (registratiecomité van de Beierse orde van architecten; hierna ‘Eintragungsausschuss’). Angerer wenst te worden opgenomen in de Beierse orde van architecten, wat de Eintragungsausschuss weigert.
3.
In de onderhavige zaak is niet aan de orde of Angerer voldoet aan de inhoudelijke criteria van richtlijn 2005/36 om in Duitsland het beroep van architect te kunnen uitoefenen. Het gaat enkel om de vraag of de Duitse autoriteiten en rechters het algemene stelsel van erkenning van opleidingstitels van richtlijn 2005/36 in dit geval mogen toepassen dan wel of artikel 10 van richtlijn 2005/36 daaraan in de weg staat.
4.
Mijn analyse brengt mij tot het antwoord dat de Duitse autoriteiten en rechters dit onderdeel van richtlijn 2005/36 mogen toepassen. Mijn voorstel aan het Hof is om richtlijn 2005/36 uit te leggen op een wijze die in overeenstemming is met de ratio van de interne markt en de fundamentele Verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging.
Juridisch kader
Unierecht
5.
Richtlijn 2005/36 is onderverdeeld in zes titels: ‘Algemene bepalingen’ (I), ‘Vrije dienstverrichting’ (II), ‘Vrijheid van vestiging’ (III), ‘Wijze van uitoefening van het beroep’ (IV), ‘Administratieve samenwerking en uitvoeringsbevoegdheden’ (V) en ‘Overige bepalingen’ (VI).
6.
Titel III inzake de vrijheid van vestiging omvat op zijn beurt vier hoofdstukken: ‘Algemeen stelsel voor de erkenning van opleidingstitels’ (I), ‘Erkenning van beroepservaring’ (II), ‘Erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen’ (III), en ‘Gemeenschappelijke bepalingen inzake vestiging’ (IV).
7.
Artikel 10 van richtlijn 2005/36, dat is opgenomen in titel III, hoofdstuk I, luidt als volgt:
‘Dit hoofdstuk is van toepassing op alle beroepen die niet onder de hoofdstukken II en III van deze titel vallen en in onderstaande gevallen waarin de aanvrager, om een bijzondere en uitzonderlijke reden, niet voldoet aan de in die hoofdstukken opgenomen voorwaarden:
- a)
voor de werkzaamheden van bijlage IV, wanneer de migrant niet voldoet aan de eisen van de artikelen 17, 18 en 19;
- b)
voor artsen met een basisopleiding, medische specialisten, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, gespecialiseerde beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten, wanneer de migrant niet voldoet aan de eisen inzake daadwerkelijke en wettige beroepsuitoefening bedoeld in de artikelen 23, 27, 33, 37, 39, 43 en 49;
- c)
voor architecten, wanneer de migrant houder is van een opleidingstitel die niet is opgenomen in bijlage V, punt 5.7;
- d)
onverminderd artikel 21, lid 1, en de artikelen 23 en 27, voor artsen, ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten die houder zijn van een opleidingstitel van specialist die moet volgen op de opleiding voor een titel genoemd in bijlage V, punten 5.1.1, 5.2.2, 5.3.2, 5.4.2, 5.5.2, 5.6.2 en 5.7.1., en alleen ten behoeve van de erkenning van het specialisme in kwestie;
- e)
voor verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers en gespecialiseerde ziekenverplegers die houder zijn van een opleidingstitel als specialist die volgt op de opleiding voor een titel bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2, wanneer de migrant erkenning vraagt in een andere lidstaat waar de relevante beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend door gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding als algemeen verantwoordelijke ziekenverplegers;
- f)
voor gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, wanneer de migrant erkenning vraagt in een andere lidstaat waar de relevante beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend door een verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger of gespecialiseerde ziekenverplegers die houder zijn van een specialistische opleidingstitel welke volgt op de opleiding voor de titels bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2;
- g)
voor migranten die voldoen aan de eisen van artikel 3, lid 3.’
Het Duitse recht
8.
De regeling van het beroep van architect valt in Duitsland onder de wetgevingsbevoegdheid van de Länder (deelstaten) [artikel 70, lid 1, Grundgesetz (Duitse grondwet)]. De voorwaarden voor inschrijving in het architectenregister van de Beierse Architektenkammer zijn te vinden in artikel 4 van de Beierse wet van 9 mei 2007 inzake de Beierse orde van architecten en de orde van civiel ingenieurs [Gesetz über die Bayerische Architektenkammer und die Bayerische Ingenieurekammer-Bau (GVBl blz. 308), laatstelijk gewijzigd bij wet van 11 december 2012 (GVBl blz. 633) (Baukammerngesetz; hierna: ‘BauKaG’)]. Dit artikel bepaalt het volgende:
- ‘(1)
Het architectenregister wordt beheerd door de Architektenkammer. […]
- (2)
In het architectenregister wordt op aanvraag ingeschreven diegene die:
- 1.
in Beieren woonachtig of gevestigd is of daar hoofdzakelijk zijn beroep uitoefent,
- 2.
met goed gevolg de examens heeft afgelegd van een opleiding
- a)
met een reguliere studieduur van ten minste vier jaar voor de in artikel 3, lid 1, genoemde vakken van de studierichting architectuur (burgerlijke en utiliteitsbouw), of
- b)
met een reguliere studieduur van ten minste drie jaar voor de in artikel 3, leden 2 en 3, genoemde taken van de vakgebieden binnenhuis- of landschapsarchitectuur, aan een Duitse universiteit, een Duitse publieke of van overheidswege erkende ingenieurschool (academie) of aan een daarmee gelijkgestelde Duitse onderwijsinstelling, en
- 3.
daarna ten minste twee jaar praktijkervaring heeft opgebouwd op het betrokken vakgebied. Als praktijkervaring wordt ook aangemerkt de deelneming aan bijscholings- en voortgezette beroepsopleidingsprogramma's van de Architektenkammer in de vakken technische en economische planning alsmede bouwrecht.
[…]
- (4)
Aan de in lid 2, eerste zin, punt 2, sub a, bedoelde voorwaarde voldoet ook diegene die kan aantonen dat hij een gelijkwaardige studie heeft voltooid aan een buitenlandse universiteit of aan een andere buitenlandse instelling. Voor onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, worden als gelijkwaardig aangemerkt de opleidingstitels die zijn meegedeeld of als voldoende zijn erkend overeenkomstig de artikelen 21, 46 en 47 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22, met rectificaties in PB 2007, L 271, blz. 18, PB 2008, L 93, blz. 28, en PB 2009, L 33, blz. 49), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EU) nr. 623/2012 van 11 juli 2012 (PB L 180, blz. 9), juncto bijlage V, punt 5.7.1., daarbij, alsmede de in de artikelen 23 en 49 van richtlijn 2005/36/EG juncto bijlage VI, punt 6, bedoelde bewijzen. […]
- (5)
Aan de in lid 2, eerste zin, punten 2, sub a, en 3, genoemde voorwaarden wordt ook voldaan, indien een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, om bijzondere en uitzonderlijke redenen in de zin van artikel 10, sub b, c, d en g, van richtlijn 2005/36/EG niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning van zijn opleidingstitels op grond van de coördinatie van de minimumopleidingseisen in de zin van richtlijn 2005/36/EG, en voor het overige is voldaan aan de voorwaarden van artikel 13 van richtlijn 2005/36/EG; de opleidingen worden dan gelijkgesteld in de zin van artikel 12 van richtlijn 2005/36/EG. […] De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op personen die gerechtigd zijn de beroepstitel architect te voeren uit hoofde van een wet die de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de bevoegdheid toekent deze titel te verlenen aan onderdanen van de lidstaten of van staten van de Europese Economische Ruimte die zich in het bijzonder hebben onderscheiden door de kwaliteit van hun prestaties in de architectuur.
[…]’
Feiten, procedure en de prejudiciële vragen
9.
Angerer, een Duitse onderdaan die zowel woonachtig is in Duitsland als in Oostenrijk, is sinds 1 maart 2007 in Oostenrijk werkzaam als ‘planender Baumeister’, na het voor die kwalificatie naar Oostenrijks recht vereiste examen te hebben gehaald.
10.
De titel ‘planender Baumeister’ stelt hem niet in staat om in Oostenrijk het beroep van architect uit te oefenen.
11.
De titel ‘planender Baumeister’ bestaat bovendien in Duitsland niet.
12.
Op 25 april 2008 verzocht Angerer in Beieren om inschrijving in het architectenregister overeenkomstig artikel 4 van het BauKaG. Op 11 juni 20083. wijzigde hij deze aanvraag in een verzoek om inschrijving in het register van buitenlandse dienstverleners op grond van artikel 2 BauKaG.4. De Eintragungsausschuss wees deze aanvraag bij besluit van 18 juni 2009 af.
13.
Angerer stelde tegen dit afwijzende besluit beroep in bij het Bayerische Verwaltungsgericht München (bestuursgerecht van Beieren te München). Bij vonnis van 22 september 2009 verklaarde dit het besluit van 18 juni 2009 nietig en beval de Eintragungsausschuss om Angerer overeenkomstig artikel 2 BauKaG in te schrijven in het register van buitenlandse dienstverleners.
14.
De Eintragungsausschuss heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof Bayern (hoogste betsuursgerecht van Beieren). Op voorstel van dit gerecht en met instemming van de Eintragungsausschuss wijzigde Angerer tijdens deze procedure zijn verzoek in de zin dat hij verzocht om inschrijving in het architectenregister.
15.
Dit gerecht wees het gewijzigde verzoek bij uitspraak van 20 september 2011 toe, en verwierp het hoger beroep van de Eintragungsausschuss. Het gelastte de laatste een positief besluit te nemen over de inschrijving van verzoeker als zelfstandig architect (burgerlijke en utiliteitsbouw) in het architectenregister. Het Verwaltungsgerichtshof overwoog in de motivering van zijn uitspraak dat was voldaan aan de voorwaarden voor de gevraagde inschrijving in het architectenregister volgens artikel 4, lid 5, BauKaG, gelezen in samenhang met de daar aangehaalde regels van de artikelen 10, sub c, 11 en 13 van richtlijn 2005/36.
16.
De Eintragungsausschuss heeft tegen deze uitspraak beroep in ‘Revision’ ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht. Hij verzoekt om wijziging van de uitspraak van 20 september 2011 van het Verwaltungsgerichtshof Bayern en van de uitspraak van 22 september 2009 van het Bayerische Verwaltungsgericht te München, in de zin dat het beroep wordt verworpen.
17.
Volgens het Bundesverwaltungsgericht is voor beslissing van het onderhavige geschil uitlegging van richtlijn 2005/36 vereist. Bij beschikking van 10 juli 2013, ingekomen ter griffie van het Hof op 5 september 2013, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1.
- a)
Zijn onder ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in de zin van artikel 10 van de richtlijn die omstandigheden begrepen die in de daarna genoemde categorieën (sub a tot en met g) zijn gedefinieerd, of dient naast deze omstandigheden sprake te zijn van een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ op grond waarvan de aanvrager niet voldoet aan de in de hoofdstukken II en III van titel III van de richtlijn genoemde voorwaarden?
- b)
Van welke aard dient de ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ in dit laatste geval te zijn? Moet het gaan om persoonlijke redenen — bijvoorbeeld de individuele levensloop — op grond waarvan de migrant bij uitzondering niet voldoet aan de voorwaarden voor automatische erkenning van zijn opleiding overeenkomstig hoofdstuk III van titel III van de richtlijn?
- 2.
- a)
Vereist het begrip architect in de zin van artikel 10, sub c, van de richtlijn dat de migrant in de lidstaat van oorsprong naast technische werkzaamheden op het gebied van de planning van, het toezicht op en de uitvoering van werken ook artistiek-vormgevende werkzaamheden, werkzaamheden op het gebied van de stedenbouwkunde, economische werkzaamheden en in voorkomend geval werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg heeft verricht of na zijn opleiding had mogen verrichten, en zo ja in welke omvang?
- b)
Vereist het begrip architect in de zin van artikel 10, sub c, van de richtlijn dat de migrant een opleiding op universitair niveau heeft gevolgd die vooral gericht was op architectuur, in die zin dat deze naast technische aspecten van de planning van, het toezicht op en de uitvoering van werken ook artistiek-vormgevende aspecten alsmede onderwerpen op het gebied van stedenbouwkunde, economie en in voorkomend geval monumentenzorg omvatte, en zo ja in welke omvang?
- c)
- (i)
Is voor het antwoord op de vragen a) en b) van belang hoe de beroepstitel ‘architect’ in andere lidstaten gewoonlijk wordt gebruikt (artikel 48, lid 1, van de richtlijn);
- (ii)
of is het voldoende vast te stellen hoe de beroepstitel ‘architect’ in de lidstaat van oorsprong en in de ontvangende lidstaat gewoonlijk wordt gebruikt;
- (iii)
of kan het spectrum van de op het gebied van de Europese Unie gewoonlijk met de titel ‘architect’ verbonden werkzaamheden worden afgeleid uit artikel 46, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn?’
18.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de partijen in het hoofdgeding, de Landesanwaltschaft Bayern, de Duitse, de Nederlandse en de Roemeense regering, en de Commissie. De partijen in het hoofdgeding, de Landesanwaltschaft Bayern, de Duitse regering en de Commissie hebben eveneens het woord gevoerd ter terechtzitting van 9 juli 2014.
Beoordeling
Opmerkingen vooraf
Richtlijn 2005/36
19.
De relevante bepalingen van richtlijn 2005/36 zijn reeds aangehaald. Voor een goed begrip wat in de onderhavige zaak wel en niet op het spel staat, lijkt het me nodig een schets te geven van de verschillende stelsels van erkenning van beroepskwalificaties die de richtlijn omvat.
20.
Richtlijn 2005/36 werd door de Raad van de Europese Unie op 6 juni 2005 bij gekwalificeerde meerderheid vastgesteld5. op basis van specifieke, de interne markt betreffende rechtsgrondslagen in het Verdrag.6. De richtlijn herriep vijftien eerdere richtlijnen op het gebied van de erkenning van beroepskwalificaties.7. De bepalingen daarvan werden gereorganiseerd en gestroomlijnd door gelijktrekking van de toepasselijke beginselen.8. In titel III wordt voorzien in drie stelsels van erkenning: automatische erkenning voor beroepen waarvoor de minimumopleidingseisen zijn geharmoniseerd (hoofdstuk III) (hierna: ‘automatische stelsel’), erkenning op basis van beroepservaring in bepaalde beroepsactiviteiten (hoofdstuk II), en een algemeen stelsel voor andere gereglementeerde beroepen en beroepen die niet onder de hoofdstukken II en III vallen of waarvoor de aanvrager volgens artikel 10 van richtlijn 2005/36 niet voldoet aan de in hoofdstukken II en III opgenomen voorwaarden (hoofdstuk I) (hierna: ‘algemene stelsel’).
21.
In het kader van de onderhavige zaak dienen het automatische en het algemene stelsel nader te worden beschreven.
22.
Titel III, hoofdstuk III, van richtlijn 2005/36 volgt in wezen een verticale benadering bij de harmonisatie (‘beroep-voor-beroep’) voor een aantal met name genoemde beroepen, waaronder dat van architect.9. Het aan dit hoofdstuk ten grondslag liggende beginsel is eenvoudig: wanneer iemand beschikt over een opleidingstitel die is opgenomen in bijlage V bij de richtlijn, en is voldaan aan bepaalde minimumvereisten, moet een lidstaat de opleidingstitel erkennen en daaraan, wat de toegang tot beroepswerkzaamheden en de uitoefening daarvan betreft, op zijn grondgebied dezelfde werking toekennen als aan de door de lidstaat zelf afgegeven titel. Degene die het beroep van architect wenst uit te oefenen moet derhalve volgens artikel 21 van richtlijn 2005/36 beschikken over een in bijlage V, punt 5.7.1., bij de richtlijn vermelde opleidingstitel en voldoen aan de in artikel 46 van de richtlijn uiteengezette minimumopleidingseisen. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat het stelsel van automatische erkenning dat, wat het beroep van architect betreft, is neergelegd in de artikelen 21, 46 en 49 van richtlijn 2005/36, aan de lidstaten geen enkele beoordelingsruimte laat.10. De erkenning op basis van titel III, hoofdstuk III, is derhalve automatisch. Wanneer iemand eenmaal aan de criteria voldoet, hebben de lidstaten geen andere optie dan hem of haar tot het desbetreffende beroep toe te laten.
23.
Titel III, hoofdstuk I, van richtlijn 2005/36 voorziet in een algemeen stelsel volgens het stramien van de voorgaande algemene richtlijnen11., dat als vangnet fungeert.12. In beginsel is het enkel van toepassing op de beroepen waarvoor het automatische stelsel niet geldt, zoals uit artikel 10 van richtlijn 2005/36 kan worden afgeleid. Bij wege van uitzondering op deze regel bepaalt artikel 10 ook dat het algemene stelsel van toepassing is op een aantal gevallen waarin de aanvrager ‘om een bijzondere en uitzonderlijke reden’ niet voldoet aan de in titel III, hoofdstukken II en III, neergelegde voorwaarden. De materiële vereisten van het algemene stelsel zijn neergelegd in de artikelen 11 e.v. van de richtlijn.
Feitelijke en juridische context van de prejudiciële vragen
24.
De verwijzingsbeschikking beperkt zich tot vragen over de uitlegging van bepaalde termen van artikel 10 van richtlijn 2005/36. Twee punten verdienen nadere aandacht.
25.
In de eerste plaats is voor de Duitse rechters niet in geschil dat Angerer niet voldoet aan de voorwaarden voor automatische erkenning. Hij bezit geen opleidingstitel die is opgenomen in bijlage V, punt 5.7, bij richtlijn 2005/36, hetgeen betekent dat hij niet op grond van het beginsel van automatische erkenning kan verwachten dat de Beierse autoriteiten hem in Beieren inschrijven als architect.13. Van het Hof wordt derhalve niet om uitlegging van bepalingen van het automatische stelsel gevraagd.14.
26.
Ten tweede hebben de Duitse administratieve rechters in eerste en tweede aanleg geoordeeld dat Angerer voldoet aan de materiële vereisten van het algemene stelsel.15. Dit oordeel lijkt niet in twijfel te worden getrokken door het Bundesverwaltungsgericht, waar beroep in ‘Revision’ is ingesteld. Het Hof wordt derhalve niet verzocht om uitlegging van bepalingen die de materiële voorwaarden van het algemene stelsel betreffen. Met name is het niet aan het Hof om in het kader van dit prejudiciële verzoek uit te maken of de Duitse autoriteiten op grond van de voorwaarden van de artikelen 11 e.v. van richtlijn 2005/36 Angerers kwalificatie als ‘planender Baumeister’ naar Oostenrijks recht en diens beroepservaring moeten aanvaarden voor diens toegang tot het beroep van architect in Duitsland.
27.
Het Bundesverwaltungsgericht wenst slechts te vernemen of artikel 10 van richtlijn 2005/36 aldus dient te worden uitgelegd dat de nationale autoriteiten het algemene stelsel in de onderhavige zaak niet kunnen toepassen.
De eerste vraag: Uitlegging van de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ in artikel 10 van richtlijn 2005/36
28.
De verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ van artikel 10 van richtlijn 2005/36. Hij wenst te vernemen of de punten sub a tot en met g van dit artikel enkel een enumeratieve opsomming geven van gevallen waarin sprake is van ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’, dan wel of aan deze woorden een verdere normatieve betekenis toekomt. Anders gesteld, vraagt hij om uitsluitsel of de nationale autoriteiten kunnen onderzoeken of Angerers formele kwalificatie als ‘planender Baumeister’ en zijn beroepservaring op grond van de artikelen 11 e.v. van richtlijn 2005/36 kunnen leiden tot toegang tot het beroep van architect in Duitsland, dan wel of de nationale autoriteiten alvorens diens formele kwalificaties te bezien, eerst moeten onderzoeken of er ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ is waarom Angerer niet beschikt over een Oostenrijkse formele kwalificatie als architect.
Tekstuele en systematische uitlegging van artikel 10 van richtlijn 2005/36
29.
Zoals wij hierboven reeds hebben gezien, is volgens artikel 10 het algemene stelsel van erkenning van opleidingstitels van toepassing op alle beroepen die niet vallen onder de hoofdstukken II en III van titel III (vrijheid van vestiging) alsook in de onderstaande gevallen waarin de aanvrager om een bijzondere en uitzonderlijke reden niet voldoet aan de in die hoofdstukken opgenomen voorwaarden. De ‘onderstaande gevallen’ worden omschreven in de punten sub a tot en met g.
30.
De aard van deze punten loopt uiteen. Zo houden de punten sub a en b verband met beroeps- of werkervaring, terwijl de punten sub c, d, e en f betrekking hebben op specifieke formele kwalificaties. Sub g is van volstrekt andere aard: het betreft migranten die beschikken over kwalificaties verleend door een derde land.
31.
Gezien de plaatsing van de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ in de aanhef van artikel 10, dus vóór de opsomming in de punten sub a tot en met g16., zouden die woorden naar mijn mening dezelfde betekenis moeten hebben voor elk van de erop volgende punten sub a tot en met g. Anders zou de wetgever immers elk van de punten sub a tot en met g afzonderlijk van een eigen nadere formulering hebben voorzien, al naargelang de specifieke vereisten van elk punt.
32.
Deze constatering leidt tot de vraag of de punten sub a tot en met g van artikel 10 van richtlijn 2005/36 als zodanig de reden vormen voor de toepasselijkheid van het algemene stelsel, of dat er sprake moet zijn van een verdere reden.
33.
Laten wij de term ‘reden’ nader beschouwen. De Oxford Advanced Learner's Dictionary geeft de volgende definitie van deze term: ‘a cause or an explanation for something that has happened or that somebody has done’ (een oorzaak of verklaring van iets dat is gebeurd of dat iemand heeft gedaan).17. De Cambridge Advanced Learner's Dictionary geeft een vergelijkbare definitie: ‘the cause of an event or situation or something that provides an excuse or explanation’ (de oorzaak van een gebeurtenis of situatie of iets dat een rechtvaardiging of verklaring biedt).18. Het cruciale element in deze definities lijkt me de verklaring te zijn. Intrinsiek aan een ‘reden’ is, dat deze een verklaring biedt.
34.
Bij eerste lezing van artikel 10 zou men geneigd kunnen zijn te denken dat de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ aanvullende elementen vereisen, zoals een verklaring waarom in de gevallen van artikel 10, sub a tot en met g, niet wordt voldaan aan de in hoofdstukken II en III neergelegde voorwaarden. Volgens een louter tekstuele uitlegging leveren de punten sub a tot en met g inderdaad nauwelijks een ‘reden’ op.19. In het geval van een architect, sub c, zou een verklaring zijn vereist waarom de betrokkene houder is van een opleidingstitel die niet is opgenomen in bijlage V, punt 5.7.20.
35.
De verwijzende rechter neigt tot deze uitlegging. Hij is van mening dat met betrekking tot architecten aan twee cumulatieve voorwaarden moet worden voldaan: ten eerste, dat een aanvrager houder is van een opleidingstitel die niet is opgenomen in bijlage V, punt 5.7, en ten tweede, dat hiervoor ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ bestaat.
36.
Een dergelijke redenering overtuigt mij echter niet.
37.
Wanneer we aannemen dat de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ voor alle punten sub a tot en met g dezelfde betekenis hebben, blijkt al snel dat het nauwelijks mogelijk is om een gemeenschappelijke definitie te geven. Bijvoorbeeld sub g, volgens hetwelk het algemene stelsel van toepassing is wanneer de aanvrager die om een bijzondere en uitzonderlijke reden niet voldoet aan de in de hoofdstukken II en III neergelegde voorwaarden, een migrant is die niet voldoet aan de eisen van artikel 3, lid 3, van de richtlijn. Volgens deze laatste bepaling wordt elke in een derde land afgegeven opleidingstitel met een opleidingstitel gelijkgesteld, wanneer de houder ervan in het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft op het grondgebied van de lidstaat die de betrokken opleidingstitel overeenkomstig artikel 2, lid 2, heeft erkend en indien die lidstaat deze beroepservaring bevestigt. Kan worden verwacht van iemand die in een derde land een titel heeft verworven, dat hij een bijzondere en uitzonderlijke reden aanvoert waarom hij deze kwalificatie in dat derde land heeft verworven? Het antwoord is natuurlijk ontkennend. Het ‘bijzondere en uitzonderlijke’ is hier het feit dat de opleidingstitel is verworven in een derde land, niet de reden waarom hij daar is verworven.
38.
Wanneer de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ geen bijkomende betekenis hebben voor sub g, kan ik mij slechts met de grootste moeite voorstellen dat zij wel een bijkomende betekenis zouden hebben voor de overige punten.21.
39.
Met andere woorden, al kan ik begrijpen dat het in het geval van architecten als bedoeld sub c in theorie mogelijk is bijzondere en uitzonderlijke redenen te bedenken waarom een migrant houder is van een niet in bijlage V, punt 5.7, bij richtlijn 2005/36 opgenomen opleidingstitel ,22. heb ik nog altijd mijn bedenkingen om een nadere betekenis toe te kennen aan de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ voor elk van de punten sub a tot en met g.
Wetsgeschiedenis van artikel 10 van richtlijn 2005/36
40.
Een blik op de wetsgeschiedenis van de richtlijn leert dat artikel 10 in het oorspronkelijke Commissievoorstel23. kort en ter zake was. Het luidde: ‘Dit hoofdstuk is van toepassing op alle beroepen die niet onder de hoofdstukken II en III van deze titel vallen alsmede op alle gevallen waarin de aanvrager niet aan de in die hoofdstukken opgenomen voorwaarden voldoet.’24. Volgens het voorstel was dus steeds wanneer niet aan de voorwaarden voor automatische erkenning werd voldaan, het algemene stelsel in beginsel nog van toepassing.
41.
Het Parlement maakte geen bezwaar tegen deze formulering en stelde in eerste lezing dan ook geen voorstellen tot wijziging van artikel 10 voor.25.
42.
Het voorstel van de Commissie ging de Raad echter te ver. In zijn gemeenschappelijk standpunt overwoog de Raad dat deze uitbreiding van het algemene stelsel uitsluitend van toepassing kon zijn op beroepen die niet onder de hoofdstukken II en III van titel III vallen, alsmede op ‘de in artikel 10, sub a tot en met g, van het gemeenschappelijk standpunt opgesomde bijzondere gevallen waarin een aanvrager die een beroep uitoefent dat onder deze hoofdstukken valt, om een bijzondere en uitzonderlijke reden niet voldoet aan de in voornoemde hoofdstukken opgenomen voorwaarden’.26. Het gemeenschappelijk standpunt vervolgt: ‘De opgesomde gevallen hebben betrekking op situaties die thans volgens de uitlegging van het Europese Hof van Justitie door het Verdrag worden bestreken, en situaties waarvoor krachtens bestaande richtlijnen specifieke oplossingen bestaan.’27.
43.
De Commissie aanvaardde hierop dit tegenvoorstel, met de verklaring dat het gemeenschappelijke standpunt het voorstel van de Commissie verduidelijkte voor gevallen van subsidiaire toepassing van het algemene stelsel van erkenning, door de specifieke gevallen op te noemen waarop op dat moment ofwel ad-hocregels, ofwel bepalingen van het Verdrag of de algemene erkenning van toepassing waren. De Commissie vervolgde: ‘Deze verduidelijking is geen inhoudelijke wijziging.’28.
44.
Ik heb zo mijn twijfels over de juistheid van deze laatste uitspraak, aangezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad tot gevolg had dat het algemene stelsel niet in alle situaties van toepassing is. Niettemin acht ik het duidelijk dat het de gemeenschapswetgever in de eerste plaats erom ging de specifieke gevallen te beperken tot de uitzonderlijke gevallen van de punten sub a tot en met g, met andere woorden, situaties die volgens de uitlegging van het Hof reeds door het Verdrag worden bestreken, en door bestaande richtlijnen. De gedachte was niet om voor de toepassing van het algemene stelsel aanvullende criteria bovenop die van de punten sub a tot en met g in te voeren, die bestonden in een ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’.
Artikel 10 van richtlijn 2005/36 gelezen in het licht van artikel 49 VWEU
45.
Deze uitlegging van artikel 10 van richtlijn 2005/36 wordt voorts bevestigd door een uitlegging in het licht van artikel 49 VWEU.29.
46.
In het arrest Commissie/Spanje30., dat betrekking heeft op apothekers, oordeelde het Hof dat het recht op erkenning van diploma's wordt gewaarborgd als uitdrukking van het fundamentele recht van vrije vestiging.31. Ik zie geen reden waarom hetzelfde niet ook zou gelden voor architecten. Daarom dient richtlijn 2005/36 te worden uitgelegd in het licht van de Verdragsbepaling inzake vrijheid van vestiging.
47.
In dit verband stel ik het Hof voor, terug te grijpen op de gedachtegang in zijn arrest in de zaak Dreessen.32.
48.
Deze zaak betrof een Belgische onderdaan die in Duitsland een ingenieursdiploma had verworven, bij diverse architectenbureaus in Luik (België) in loondienst werkzaam was geweest, en verzocht te worden ingeschreven in de orde van architecten van de provincie Luik teneinde het beroep van architect als zelfstandige uit te oefenen. Zijn aanvraag was afgewezen op de grond dat zijn diploma niet overeenkwam met een door een afdeling architectuur afgegeven diploma in de zin van richtlijn 85/384 en derhalve niet onder de richtlijn viel. Het Hof achtte in een situatie als deze het Verdragsartikel inzake de vrijheid van vestiging van toepassing. Het oordeelde dat de richtlijnen inzake erkenning niet tot doel hebben de erkenning van diploma's, certificaten en andere titels te bemoeilijken in situaties die niet onder de richtlijnen vallen.33. De nationale autoriteiten moesten de aanvraag van Dreessen derhalve in behandeling nemen.
49.
De door het Hof aan artikel 49 VWEU gegeven uitlegging voor situaties die buiten de werkingssfeer van de relevante richtlijn vallen, is mijns inziens a fortiori van toepassing op de uitlegging van een bepaling van richtlijn 2005/36. Uit het arrest Dreessen distilleer ik voor de onderhavige zaak het volgende: artikel 10, sub c, van de richtlijn moet worden uitgelegd in overeenstemming met de Verdragen, met name betreffende het recht van vestiging, hetgeen betekent dat het de nationale autoriteiten niet mag beletten om een aanvraag in behandeling te nemen en na te gaan of in het geval van een architect is voldaan aan de materiële vereisten van het algemene stelsel van erkenning. Artikel 10, sub c, zou een dergelijke beoordeling niet moeten bemoeilijken. Dit betekent niet dat de nationale autoriteiten het diploma van Angerer moeten erkennen, want deze vraag wordt niet gesteld. Het betekent slechts dat zij in staat moeten worden gesteld om te onderzoeken of diens kwalificaties en ervaring beantwoorden aan de vereisten van de artikelen 11 e.v. van richtlijn 2005/36.
Antwoord op de eerste vraag
50.
Samengevat ben ik van oordeel dat de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ in artikel 10 van richtlijn 2005/36 enkel dienen als inleiding tot de punten sub a tot en met g van dat artikel. Zij hebben buiten de in de punten sub a tot en met g opgesomde situaties geen normatieve betekenis. Ik stel derhalve voor als antwoord op de eerste vraag, dat de woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ in artikel 10 van richtlijn 2005/36 slechts verwijzen naar de punten sub a tot en met g van dat artikel. Een aanvrager hoeft niet aan te tonen dat er een verdere ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ bestaat naast die genoemd in artikel 10, sub a tot en met g.
De tweede vraag: Uitlegging van de term ‘architecten’ in artikel 10, sub c, van richtlijn 2005/36
51.
Met de tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter in wezen om verduidelijking van de betekenis van de term ‘architecten’ in artikel 10, sub c, van richtlijn 2005/36. Hij wenst te vernemen of de betrokken persoon ook artistiek-vormgevende werkzaamheden, werkzaamheden op het gebied van de stedenbouwkunde, economische werkzaamheden en in voorkomend geval werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg moet hebben verricht, en, meer in het algemeen, aan de hand van welke criteria moet worden uitgemaakt wat onder een architect moet worden verstaan.
52.
Volgens de Eintragungsausschuss impliceert het begrip architect dat een persoon die onder het algemene stelsel als architect wenst te worden erkend, aan bepaalde minimumvereisten voldoet. Voor de criteria kan worden teruggegrepen op de vereisten van artikel 46 van richtlijn 2005/36.
53.
Naar mijn mening geeft de term ‘architecten’ in artikel 10, sub c, slechts het beroep aan waartoe de aanvrager wenst te worden toegelaten. Richtlijn 2005/36 geeft geen juridische definitie van het begrip architect — in het automatische stelsel noch in het algemene.
54.
Het is waar dat, evenals artikel 3 van richtlijn 85/38434., artikel 46 van richtlijn 2005/36 (‘Opleiding tot architect’) in detail de kennis, vaardigheden en bekwaamheden beschrijft die in architectuurstudies moeten worden verworven waarvoor het automatische stelsel geldt. Dit wel echter niet zeggen dat de richtlijn tracht te definiëren wat een architect is.
55.
Met betrekking tot richtlijn 85/384 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 1, lid 2, van die richtlijn, dat de werkingssfeer ervan bepaalt35., er niet toe strekt een juridische definitie te geven van de werkzaamheden in de sector architectuur, en dat het aan de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat staat te bepalen welke werkzaamheden onder die sector vallen.36. Dit oordeel van het Hof heeft betrekking op wat thans het automatische stelsel is.37.
56.
Ik ben van mening dat wanneer de richtlijn zelfs in het kader van het automatische stelsel niet tracht te definiëren wat een architect is, zij dit a fortiori niet kan doen voor het algemene stelsel.
57.
Mijns inziens dient het Hof bovendien de term ‘architecten’ in artikel 10, sub c, van richtlijn 2005/36 niet aldus uit te leggen dat deze de vereisten van artikel 46, lid 1, van richtlijn 2005/36 inhoudt. Dit zou erop neerkomen dat de toepasselijkheid van het algemene stelsel afhankelijk wordt gesteld van criteria die gelden voor het automatische stelsel. Begrippen van het automatische stelsel zouden via de achterdeur het algemene stelsel worden binnengeloodst, met als uiteindelijk gevolg uitholling van het algemene stelsel.
58.
Mijns inziens is daarom terughoudendheid geboden bij het geven van een restrictieve uitlegging aan de term ‘architecten’ in artikel 10 van richtlijn 2005/36. Of iemand krachtens het algemene stelsel wordt toegelaten tot de uitoefening van het beroep van architect, wordt uitgemaakt door de autoriteiten van de lidstaat nadat zij de vereisten van de artikelen 11 e.v. hebben toegepast en hun beoordeling volgens deze artikelen hebben verricht. Wanneer aan de term ‘architecten’ te veel vereisten worden toegedacht, bestaat het gevaar dat wordt vooruitgelopen op de door de nationale autoriteiten te verrichten beoordeling.
59.
De in artikel 10, sub c, van richtlijn 2005/36 gebruikte term ‘architecten’ impliceert niet dat nationale autoriteiten op zoek moeten gaan naar extra criteria waaraan een persoon dient te voldoen die om erkenning volgens het algemene stelsel verzoekt. In dit onderdeel van de richtlijn belemmert artikel 10, sub c, de nationale autoriteiten niet om vast te stellen dat de betrokkene voldoet aan de criteria voor erkenning volgens het algemene stelsel. Ik zie geen reden waarom zij het algemene stelsel van erkenning niet zouden mogen toepassen.
60.
Het antwoord op de tweede vraag dient derhalve te luiden dat de term ‘architecten’ in artikel 10, sub c, van richtlijn 2005/36 verwijst naar het beroep waartoe een aanvrager wenst te worden toegelaten. De uitlegging ervan mag geen afbreuk doen aan de werkingssfeer van het stelsel van erkenning van opleidingstitels van titel III, hoofdstuk I, van richtlijn 2005/36.
Conclusie
61.
Ik geef het Hof derhalve in overweging, de vragen van het Bundesverwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:
- 1)
De woorden ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ in artikel 10 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, verwijzen slechts naar de punten sub a tot en met g van dat artikel. Een aanvrager hoeft niet aan te tonen dat er sprake is van een verdere ‘bijzondere en uitzonderlijke reden’ naast die genoemd in artikel 10, sub a tot en met g.
- 2)
De term ‘architecten’ in artikel 10, sub c, van richtlijn 2005/36 verwijst naar het beroep waartoe een aanvrager wenst te worden toegelaten. De uitlegging ervan mag geen afbreuk doen aan de werkingssfeer van het stelsel van erkenning van opleidingstitels van titel III, hoofdstuk I, van richtlijn 2005/36.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑11‑2014
Oorspronkelijke taal: Engels.
PB L 255, blz. 22.
Zie Bayerisches Verwaltungsgericht München, uitspraak van 22 september.2009 — M 16 K 09.3302, blz. 2.
Deze wijziging vond plaats na contacten tussen Angerer en de Eintragungsausschuss, waarbij de laatste aangaf dat Angerer niet in aanmerking kwam voor inschrijving als architect; zie Verwaltungsgerichtshof Bayern, uitspraak van 20 september.2011 — 22 B 10.2360, punt 15, te vinden op http://openjur.de/u/493661.html.
Zie persbericht 9775/05 van 6 juni 2005 (Presse 137), te vinden op http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_Data/docs/pressdata/en/ec/85121.pdf. De richtlijn werd aangenomen met de tegenstemmen van de Duitse en de Griekse delegatie. Luxemburg onthield zich van stemming.
Artikelen 40 EG (thans 46 VWEU) — vrij verkeer van werknemers, 47 EG (thans 53 VWEU) — recht van vestiging en 55 EG (thans 62 VWEU) — vrijheid van dienstverrichting.
Zie artikel 62 van richtlijn 2005/36.
Zie punt 9 van de considerans van richtlijn 2005/36.
De richtlijn houdt min of meer de eerder bestaande juridische situatie in stand, ondanks de intrekking van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15),.
Zie arrest Ordre des architectes (C-365/13, EU:C:2014:280, punt 24).
Na de politieke beslissing in het midden van de jaren ’80 om de gemeenschappelijke/interne markt nieuwe dynamiek te verlenen, zijn voor gebieden die niet onder deze verticale benadering vielen, volgens een algemene en horizontale benadering algemene richtsnoeren voor erkenning vastgesteld; zie de richtlijnen 89/48/EEG, 92/51/EEG en 1999/42/EG. Deze richtlijnen hebben hun oorsprong in het Witboek van de Commissie aan de Europese Raad van 14 juni 1985, ‘De voltooiïng van de interne markt’, COM(85) 310 def., punt 93.
Zie C. Barnard, ‘The substantive law of the EU. The four freedoms’, Oxford University Press, 4e druk, 2013, blz. 320.
Volgens de verwijzende rechter heeft Angerer op 18 december 2012 (met andere woorden, toen de procedure voor die rechter reeds aanhangig was) aan de Hochschule für Technik, Wirtschaft und Kultur (HTWK) Leipzig (technische hogeschool van Leipzig) ook de academische graad van Diplom-Ingenieur — civiel ingenieur (studierichting burgerlijke en utiliteitsbouw) (FH) behaald. De vraag of Angerer op grond van zijn ingenieursgraad in aanmerking komt voor automatische kwalificatie is hier niet aan de orde. Dit bevestigden ook de partijen ter terechtzitting. In dit verband hoeft slechts te worden aangetekend dat deze opleidingstitel niet is opgenomen in bijlage V, punt 5.7.1, bij richtlijn 2005/36. De vraag of het beroep van ‘Bauingenieur’ niettemin onder het automatische stelsel valt (dit lijkt de opvatting te zijn van W. Kluth/ F. Rieger, ‘Die neue EU-Berufsanerkennungsrichtlinie — Regelungsgehalt und Auswirkungen für Berufsangehörige und Berufsorganisationen’, in Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2005, blz. 486–492, met name op blz. 488) is derhalve voor de onderhavige zaak niet van belang.
Artikelen 21 e.v. en artikel 46 e.v. van richtlijn 2005/36.
Artikelen 11 e.v. van richtlijn 2005/36. Dienaangaande heeft het Verwaltungsgerichtshof Bayern reeds geoordeeld, met instandhouding van een eerdere uitspraak van het Verwaltungsgericht München, dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 13, lid 3, juncto artikel 11, sub c, van richtlijn 2005/36; zie uitspraak van 20.09.2011 — 22 B 10.2360, punt 33, te vinden op http://openjur.de/u/493661.html.
‘Vóór het haakje’, om in wiskundige termen te spreken.
Definitie te vinden op: http://www.oxfordlearnersdictionaries.com/definition/english/reason_1.
Definitie te vinden op: http://dictionary.cambridge.org/dictionary/british/reason.
Hier zij vermeld dat de andere taalversies van artikel 10, sub c, dezelfde term gebruiken, in het enkelvoud of in het meervoud. Voorbeelden van meervoud: ‘aus […] Gründe[n]’ (DE), ‘põhjustel’ (ET), ‘dėl […]priežasčių’ (LT), ‘z przyczyn’ (PL); in enkelvoud: ‘por una razón’ (ES), ‘pour un motif’ (FR), ‘per una ragione’ (IT).
Voor het onderhavige geval zou dit betekenen dat Angerer moet verklaren waarom hij beschikt over de titel van ‘planender Baumeister’ naar Oostenrijks recht. De volgende vraag zou dan zijn of ‘een bijzondere en uitzonderlijke reden’ in objectieve of subjectieve zin moet worden opgevat.
Daarom zou de term ‘situatie’ of ‘geval’ geschikter zijn dan de term ‘reden’.
Men zou bij voorbeeld objectieve redenen kunnen bedenken, zoals dat de Uniewetgever abusievelijk verzuimt een kwalificatie op te nemen in bijlage V, punt 5.7, of subjectieve redenen zoals specifieke en uitzonderlijke gezinsomstandigheden waardoor de aanvrager enkel een niet in de bijlage opgenomen kwalificatie kon verwerven in plaats van een die wel is opgenomen in de bijlage.
Zie Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, COM(2002) 119 def. (PB C 181 E, blz. 183), op blz. 188.
Mijn cursivering.
Zie wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 februari 2004 inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, COM(2002) 119 — C5–0113/2002 – 2002/0061(COD) (PB C 97 E, blz. 230).
Zie Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 10/2005 van 21 december 2004, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, C 58 E, blz. 1, op blz. 122).
Ibidem, blz. 123.
Zie de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, COM(2004) 853 def., blz. 7.
Aangezien artikel 49 VWEU de Grundnorm van het recht van vestiging vormt, volgens de correcte kwalificatie door P.-C. Müller-Graff, in R. Streinz, EUV/AEUV (Beck, 2e druk, München 2012), Artikel 49 AEUV, punt 1.
Arrest Commissie/Spanje (C-39/07, EU:C:2008:265)
Zie arrest Commissie/Spanje (EU:C:2008:265, punt 37).
Arrest Dreessen (C-31/00, EU:C:2002:35).
Zie arrest Dreessen (EU:C:2002:35, punt 26).
De bewoordingen van artikel 46, lid 1, van richtlijn 2005/36 zijn nagenoeg gelijkluidend met die van artikel 3 van richtlijn 85/384.
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/384 luidt: ‘In de zin van deze richtlijn worden onder werkzaamheden op het gebied van de architectuur de werkzaamheden verstaan die gewoonlijk onder de beroepstitel van architect worden verricht.’
Zie arrest Ordine degli Ingegneri di Verona e Provincia e.a. (C-111/12, EU:C:2013:100, punt 42). Zie ook beschikking Mosconi en Ordine degli Ingegneri di Verona e Provincia (C-3/02, EU:C:2004:224, punt 45). Zo vond ook advocaat-generaal Léger in zijn conclusie in de zaak Dreessen (C-31/00, EU:C:2001:285, punt 4): ‘De richtlijn beoogt niet de harmonisatie van de nationale regels op het gebied van de architectuur. Zij geeft geen definitie van het begrip architect. Evenmin bevat zij materiële criteria om het beroep af te bakenen.’
Aangezien richtlijn 85/384, zoals we hierboven hebben vastgesteld, immers enkel een automatisch stelsel omvatte.