de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)
Rb. Amsterdam, 06-04-2022, nr. C/13/703483 / HA ZA 21-574
C/13/703483 / HA ZA 21-574
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
06-04-2022
- Magistraten
Mrs. I.A. van der Burg, H.T. van der Meer, R.L. de Graaff
- Zaaknummer
C/13/703483 / HA ZA 21-574
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Uitspraak, Hof Amsterdam, 09‑04‑2024
ECLI:NL:RBAMS:2022:1770, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 06‑04‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
JOR 2022/195 met annotatie van Vlasveld, W.T.N.
NTHR 2022, afl. 4, p. 162
Uitspraak 09‑04‑2024
Mrs. I.A. van der Burg, H.T. van der Meer, R.L. de Graaff
Partij(en)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 april 2024
inzake
SPORTS ENTERTAINMENT GROUP FOOTBALL B.V.
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats], Italië,
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in voorwaardelijk incidenteel appel, advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam.
Partijen worden hierna SEG en [verweerder] genoemd.
1. De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of tussen SEG en [verweerder] een bemiddelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:425 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is ontstaan. Voorts is de vraag aan de orde of op SEG een mededelingsplicht rustte om [verweerder] te informeren over haar eigen financiële belang bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale en of SEG die mededelingsplicht heeft geschonden. Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is van een causaal verband tussen de schending van de mededelingsplicht door SEG en de door [verweerder] gestelde schade. Het hof beantwoordt deze vragen bevestigend en heeft de schade begroot door toepassing van de zogenaamde kansschadeleer.
2. Het geding in hoger beroep
SEG is bij dagvaarding van 5 juli 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2022, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [verweerder] als eiser en SEG als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- —
memorie van grieven in principaal appel, tevens houdende voorwaardelijke incidentele vordering op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), met producties;
- —
memorie van antwoord in principaal appel en in het voorwaardelijk incident op grond van artikel 843a Rv, tevens houdende memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;
- —
memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, tevens houdende akte uitlating producties, tevens houdende akte intrekking voorwaardelijke incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv, met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 1 december 2023 — beiden aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd — laten toelichten, SEG door mrs. S. Klinkhamer en H.J.Th. Kolstee (beiden advocaat te Amsterdam) en [verweerder] door mr. Van Voskuilen voornoemd en mr. W. Janssens, advocaat te Brussel. Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting nog nadere producties in het geding gebracht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
SEG heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en — voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad — alsnog de vorderingen van [verweerder] zal afwijzen, [verweerder] zal veroordelen om aan SEG te betalen primair (a) € 2.500.000,00 en (b) € 2.676.799,97, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente; althans subsidiair al hetgeen SEG ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [verweerder] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente; althans uiterst subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente; een en ander met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. In het incident heeft SEG op grond van artikel 843a Rv gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om [verweerder] op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen vijf werkdagen na de datum van de beslissing aan SEG een afschrift te verstrekken van de door Internazionale aan hem gegeven vrijwaring voor eventuele fiscale naheffingen (onder welke noemer dan ook) door de Italiaanse (of een andere) belastingdienst, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding van het incident, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
[verweerder] heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met — uitvoerbaar bij voorraad — veroordeling van SEG in de kosten van het geding in hoger beroep. In voorwaardelijk incidenteel appel heeft [verweerder] gevorderd om het bestreden vonnis te vernietigen voor zover de vorderingen van [verweerder] gebaseerd op schending van artikel 7:417 BW zijn afgewezen en om alsnog de vorderingen van [verweerder] zoals ingesteld bij dagvaarding in eerste aanleg toe te wijzen, althans het bestreden vonnis mede op de grondslag van artikel 7:417 BW te bekrachtigen, met veroordeling van SEG in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
SEG heeft in voorwaardelijk incidenteel appel geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidentele appel van [verweerder], met veroordeling (voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) van [verweerder] in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel appel, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft SEG haar voorwaardelijke incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv ingetrokken en veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in het incident gevorderd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3. Feiten
De rechtbank heeft in rov. 2.1. tot en met 2.31. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 1 heeft SEG betoogd dat deze feiten onvolledig en onjuist zijn. Voor zover van belang zal het hof bij het vaststellen van de feiten rekening houden met deze grief. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[verweerder] is profvoetballer en is momenteel onder contract bij de Italiaanse voetbalclub F.C. Internazionale Milano (hierna: Internazionale).
3.2.
SEG is de voetbaltak van de overkoepelende Sports Entertainment Group International B.V., een grote internationale organisatie die zich bezighoudt met sport- en entertainmentmanagement. SEG opereert zowel nationaal als internationaal en heeft vele topvoetballers en -clubs als cliënt. (Voormalig) bestuurders van SEG zijn [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Binnen SEG is onder meer als spelersagent werkzaam [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]).
3.3.
Vanaf zijn tiende speelde [verweerder] bij de jeugd van Feyenoord en in 2009 debuteerde hij in het eerste elftal van Feyenoord. Vanaf de eerste arbeidsovereenkomst als profvoetballer die [verweerder] met Feyenoord heeft gesloten, voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2012, is hij door [betrokkene 2] bijgestaan als spelersmakelaar. [betrokkene 2] ondertekende ook in die hoedanigheid mede de arbeidsovereenkomsten van [verweerder] met Feyenoord. In de arbeidsovereenkomst met Feyenoord is bepaald, voor zover relevant:
‘(…) Artikel 15: Spelersmakelaar
- 1.
Bij de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst heeft de spelersmakelaar [betrokkene 2] (KNVB gelicenseerd) de belangen van Speler behartigd.
- 2.
Bij de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst heeft Feyenoord geen gebruik gemaakt van een gelicenseerde spelersmakelaar.
- 3.
De spelersmakelaar zal gedurende de duur van deze overeenkomst jaarlijks een vergoeding van Feyenoord ontvangen van 5 %, exclusief BTW doch inclusief het voor Feyenoord niet verrekenbare deel van de BTW van het door de speler ingevolge de onderhavige overeenkomst te ontvangen bruto basisjaarsalaris inclusief motiveringsbonus. Feyenoord en de spelersmakelaar leggen de afspraken betreffende de betaling van deze vergoeding vast in een separate overeenkomst (ook wel commissie overeenkomst genoemd). (…)’
3.4.
Volgend op deze arbeidsovereenkomst met Feyenoord heeft [verweerder] nog twee maal een arbeidsovereenkomst gesloten met Feyenoord. Deze twee arbeidsovereenkomsten kennen een soortgelijke bepaling als artikel 15 voornoemd, met het verschil dat voor de daaropvolgende arbeidsovereenkomsten van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2014, en van 1 augustus 2013 tot en met 30 juni 2015, een commissie is overeengekomen van 6% voor [betrokkene 2]. Feyenoord betaalde deze vergoeding altijd rechtstreeks uit aan [betrokkene 2]. In deze twee opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen [verweerder] en Feyenoord is daarnaast overeengekomen dat [verweerder] een percentage van de doorverkoopsom kreeg indien hij werd getransfereerd naar een andere betaalde voetbalclub:
‘(…) Doorverkoop percentage
Indien de speler gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst contractspelers betaald voetbal wordt getransfereerd naar een andere betaald voetbal organisatie in binnen- of buitenland in de zin van artikel 1 lid 2 ontvangt de speler bruto 10% van de netto afkoopsom c.q transfervergoeding die Feyenoord daadwerkelijk ontvangt van de andere betaald voetbal organisatie. (…) Feyenoord verschaft de speler op zijn verzoek volledige inzage in de relevante transferdocumenten. (…)’
3.5.
In juli 2014 heeft [verweerder] de overstap gemaakt van Feyenoord naar de Italiaanse voetbalclub S.S. Lazio Roma (hierna: Lazio). SEG was ook betrokken bij deze transfer. Op 28 juli 2014 heeft [betrokkene 2] een e-mail gestuurd aan [betrokkene 4], directeur van Lazio (hierna: [betrokkene 4]), waarin [betrokkene 2] namens [verweerder] commentaar heeft op het feit dat Lazio de conceptstukken niet aan [verweerder] wilde overleggen. In reactie hierop heeft [betrokkene 4] op 29 juli 2014 gereageerd, in deze e-mail staat, voor zover relevant:
‘(…) I am relly wondering and 1 do not understand what doubts you can have. He agreed upon all the terms of the contract and this is the first time — in my career — that I am working with an agent who wants to sign a contract by e-mail. (…)’
3.6.
Op 30 juli 2014 is door [verweerder] een arbeidsovereenkomst met Lazio gesloten. In de Italiaanse versie van de arbeidsovereenkomst is bepaald, voor zover relevant:

In de Engelse vertaling staat:

3.7.
Op 5 april 2017 heeft SEG op Instagram een bericht geplaatst over [verweerder] en een medespeler bij Lazio, Wesley Hoedt. Hierin staat:
‘(…) Congratulations to SEG clients @[verweerder] and @[betrokkene 5] on qualifying to the Coppa Italia final! (…)’
3.8.
Vanaf de zomer van 2017 heeft SEG gesprekken gevoerd met verschillende voetbalclubs over het eventueel aantrekken van [verweerder] aan het einde van seizoen 2017/2018, omdat in de zomer van 2018 de arbeidsovereenkomst tussen Lazio en [verweerder] afliep.
3.9.
In het najaar van 2017 hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen SEG en [verweerder] om eventuele transferopties te bespreken, waarbij [verweerder] zijn wensen heeft doorgegeven aan SEG. Eén van de opties die werd besproken was een overstap naar Internazionale.
3.10.
Op 15 december 2017 heeft [betrokkene 1] een WhatsApp-bericht gestuurd aan [verweerder] om het indicatieve aanbod van Internazionale, dat zij eerder mondeling bespraken, op hoofdlijnen nog eens te bevestigen:
‘[15 12 2017, 09 33:43] [betrokkene 1] : Hi [verweerder] ik zou je nog het overzicht appen zoals van de week besproken…bij deze:
- 1.
Duration: The contract commences on 1 July 2018 and will run until 30 June 2023.
- 2.
Basic annual salary: EUR 4,000.000 net per annum (…)’
3.11.
Op 2 januari 2018 heeft [betrokkene 1] van Internazionale een concept arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale ontvangen. In dit concept is zowel bij Internazionale als bij [verweerder] het vakje aangekruist dat ze zijn bijgestaan door een sportmakelaar, maar zonder dat hierbij een naam is vermeld.
3.12.
Ondertussen waren ook nog onderhandelingen met Lazio over een verlenging van het contract tot medio 2019 gaande, waarbij SEG ook is betrokken. Op 8 januari 2018 heeft [betrokkene 2] een e-mail gestuurd aan [betrokkene 4]. Hierin staat, voor zover relevant:
‘(…) As specifically requested by our client (hereinafter ‘the Player’), we herewith provide you with our counterproposal in response to your offer dated 30 December 2017. (…)
Sell on
The Player is to be paid a fee (based on the total Transfer Fee receivable and without any deductions) by the Club, in case he's transferred to another football club. The Player is entitled to a 10% gross payment of the Net Transfer Amount. (…)
Agency Commission:
EUR 737.500 excluding VAT to be paid in three (3) instalments:
EUR 337.500 excluding VAT;
EUR 200.000 excluding VAT;
EUR 200.000 excluding VAT.
The Club engaged the services of the Intermediary and the Club agrees to remunerate the Intermediary on behalf of the Club for his services in connection with negotiating an employment contract signed between the Player and the Club. All sums stated as payable to the Intermediary shall be rendered to the Intermediary free of any (Italian) withholding tax. income tax. stamp tax. value added tax or equivalent and charge to the bank account nominated by the Intermediary to the Club in writing in cleared funds and without any deduction. (…)’
[betrokkene 4] heeft deze e-mail vervolgens zelf op 10 januari 2018 doorgestuurd naar [verweerder], met als begeleidende tekst: ‘Dit is de e-mail met het voorstel van SEG’.
3.13.
Bij de onderhandelingen met Lazio heeft namens SEG [betrokkene 3] in een e-mail van 14 januari 2018 geschreven aan [verweerder]:
‘(…) In een eerdere mail hebben ze aangegeven dat we wel een oplossing vinden, maar die kennen we van Lazio. Moet keihard op papier komen, anders gaat het maanden duren voordat je je geld hebt. (…)
Dus als één detail door [verweerder] wordt gemist dan verliest hij zijn aanspraak en we weten allemaal waar Lazio op uit is, want de volgende zin luidt: 'In no other case, with exception of written agreements signed by the player and S.S Lazio SpA legal representative, the sports company will be obliged to pay any sum arising from the transfer of the player'. Die zin moet er sowieso uit. Maar is al duidelijk dat ze een voorbehoud maken om niet uit te hoeven betalen, geeft mij al natte voeten. (…)
En dan spelen ze bij Lazio heel slim good cop ([betrokkene 6]) bad cop ([betrokkene 7]), dus als [verweerder] erover gaat beginnen dan zal [betrokkene 6] het wel wegpoetsen bij [verweerder] , maar neemt niet weg wat de intentie van Lazio is (althans, die is mij volkomen duidelijk). (…)’
3.14.
In dezelfde periode (half december 2017/begin januari 2018) heeft SEG aan [verweerder] een aantal carrièreopties gepresenteerd, in een presentatie die zij voor [verweerder] had gemaakt. In de presentatie stond, onder meer met betrekking tot Internazionale:


3.15.
Op 15 januari 2018 heeft [betrokkene 1] aan [verweerder] een e-mail gestuurd met betrekking tot de onderhandelingen van SEG met Lazio. Hierin staat, voor zover relevant:
‘(…) [betrokkene 8]. [betrokkene 2] en ik gaan vandaag en morgen werken aan een antwoord email voor Lazio en een voor jou en ons acceptabele, waterdichte versie van de documenten. Je weet dat de kans erg klein is dat we er met Lazio op alle essentiële punten uit gaan komen, maar 'we will give it try’. Mocht het inderdaad niet lukken dan winnen we er sowieso tijd mee. wat handig is voor het beslissingsproces. (…)’
3.16.
Op 26 januari 2018 heeft [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8]), op dat moment ook werkzaam voor SEG, een e-mail gestuurd aan [verweerder] over de onderhandelingen met Lazio:
‘(…) Wij proberen de juiste deal te krijgen voor jou en het moet niet zo zijn dat er getwijfeld wordt aan onze goede intenties. Onze advocaat in Italië heeft overigens moeite om een waterdichte opinie af te geven. We zijn nog in gesprek met ze maar het wordt lastig. (…)’
3.17.
Op 1 februari 2018 heeft SEG nogmaals een presentatie gegeven aan [verweerder] over zijn carrièreopties. In deze presentatie staat, voor zover relevant:


3.18.
Op 8 februari 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [verweerder] en SEG. Tijdens deze bespreking zijn de verschillende opties nogmaals besproken.
3.19.
Op 26 februari 2018 heeft [verweerder] bij hem thuis, in aanwezigheid van in ieder geval [betrokkene 1] en enkele anderen, de arbeidsovereenkomst met Internazionale getekend. Op 7 maart 2018 heeft Internazionale deze arbeidsovereenkomst getekend. De arbeidsovereenkomst tussen hen is uiteindelijk gedateerd op 29 maart 2018.
[verweerder] heeft getekend voor een vijfjarig contract met bruto basisloon voor vijf jaar van € 37.540.000,00 exclusief bonussen. De maximaal te behalen (bruto) bonussen bedragen jaarlijks € 2.148.000,00. Het maximaal te behalen bruto salaris inclusief bonussen bedraagt voor vijf jaar dus € 48.280.000,00. Daarnaast heeft Internazionale zich in de arbeidsovereenkomst verplicht om het brutoloon indien nodig aan te vullen zodat [verweerder] een nettoloon ontvangt van in totaal € 20.250.000,00 voor vijf jaar. Er is geen doorverkoop-vergoeding opgenomen.
Daarnaast staat in de arbeidsovereenkomst tussen Internazionale en [verweerder] dat SEG als intermediair voor Internazionale is opgetreden en niet voor [verweerder] (in de Nederlandse vertaling)

[verweerder] heeft deze pagina ook geparafeerd.
3.20.
Op 7 maart 2018 is SEG, vertegenwoordigd door [betrokkene 2], een commissieovereenkomst overeengekomen met Internazionale (hierna: de
Commissieovereenkomst) waarin de bezoldiging van SEG voor haar werkzaamheden ten aanzien van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale is vastgelegd:
- ‘(…) E.
Intermediary hereby declares and guarantees he shall carry out his activity exclusively in the interest of the Club. The Intermediary does not represent the player. (…)
- 3.
As for the activity that the Intermediary shall carry out in the interest of Club, but at the double condition that, within 10 July 2018:
- a)
Club and the Player effectively enter into a sport labour contract, such a contract to be till 30 June 2023 for a whole fixed gross salary (any variable amount excluded) equal or lower than € 50.000.000,00 (fifty million euro): and
- b)
the Player is effectively registered at Club without Club paying any transfer amount and or transfer fee related to the Player to S.S. Lazio:
then Club shall pay the Intermediaiy the whole amount of € 7.500.000.00 (seven million five hundred thousand euro). Club Agent Fee. which shall be paid as follows:
- a)
€ 2.500.000.00 within 15 July 2018
- b)
€ 2.500.000,00 within 15 February 2019
- c)
€ 2.500.000.00 within 15 July 2019
The Club Agent Fee is unconditional, irrevocable and non-refundable (even in such case the Player is temporarily or permanently transferred to another club prior to the above mentioned due dates, the Intermediary will remain to be entitled to the Club Agent Fees as scheduled above) (…)’
Daarnaast is volgens artikel 5 van de Commissieovereenkomst tussen SEG en Internazionale SEG gerechtigd tot een voorwaardelijke vergoeding ter hoogte van in totaal twee miljoen euro (€ 2.000.000,00) indien [verweerder] en Internazionale uiterlijk op 10 juli 2018 een arbeidsovereenkomst voor de seizoenen 2018–2019 tot en met 2022–2023 voor een maximaal basis brutosalaris van vijftig miljoen euro (€ 50.000.000,00) hebben ondertekend en [verweerder] zich bij Internazionale heeft aangesloten zonder dat Internazionale aan Lazio een transfervergoeding dient te betalen. Dit bedrag wordt uitbetaald in tranches van € 200.000,00 per half jaar dat [verweerder] aan Internazionale is verbonden.
3.21.
Ook heeft SEG, vertegenwoordigd door [betrokkene 2], een samenwerkingsovereenkomst met Internazionale gesloten (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst). Hierin is bepaald dat bij een transfer van [verweerder] naar een derde-club waarbij SEG uitsluitend zal optreden voor Internazionale, SEG gerechtigd is tot een gegarandeerde vergoeding van 7,5% van de transfervergoeding die effectief zal worden ontvangen door Internazionale.
3.22.
Bij e-mail van 17 september 2019 heeft de fiscaal adviseur van [verweerder], [de fiscaal adviseur van verweerder], een memorandum gestuurd met betrekking tot zogenaamde ‘fringe benefits’. In deze e-mail staat, voor zover relevant:
‘(…) please find below a high-level assessment for Mr. [verweerder] (hereafter the ‘Client’ or ‘Player’) regarding his risk exposure from an individual income tax standpoint vis-à-vis the possible claim by the Italian tax authorities concerning the existence of a fringe benefit.
(…)
In particular, over the past years. Italian tax authorities have challenged the existence of taxable fringe benefits received by football players in connection with the services of sport agents, in cases where it was argued that the cost for the services of the agent was borne by the club whereas the agent acted in the negotiations with the latter exclusively (or almost exclusively) for the player's benefit.
(…)
- —
in some cases (most notably related to the fiscal years 2016 onwards) Italian tax authorities had challenged that half of the fee incurred by clubs constituted a taxable fringe benefit for the player (…) in other cases (most notably related to the fiscal years 2013–2015, where a specific rule dealt with the matter) the amount of fringe benefit was lower and was determined in the amount of 15% of the fee paid to the agent (…)
- —
in some cases Italian tax authorities have raised the claim concerning the fringe benefit against the clubs, which have then recovered from the player the higher taxes paid to the aforementioned authorities; in other cases Italian tax authorities have raised the claim against the players who — in addition to the taxes — were charged with administrative penalties ranging from a minimum of 90% up to a maximum of 180% of the taxes allegedly unpaid, plus interest;
(…)
However, based on the information I received, in the case at stake the Agency acted exclusively on behalf of the Club whereas the Player was not represented by an agent in the occasion of his registration at the Club. We are aware that in a number of cases the Italian tax authorities have challenged similar contractual settings particularly if the entire commission received by the Agent was borne by the Club.
On the basis of our experience, in these cases the risk of challenge regading the existence of a fringe benefit is rather material. In this specific case, the risk is exhacerbated by the fact that from internet searches, it seems that the Player has a long-standing relationship with the Agency as confirmed by the Agent 's website https: seginternational.com football as well as by other public sources https: www.transfermarkt.it seg-sports-entertainment-group beraterfirma berater 586 where the Player is listed as one of the players which are represented by the Agency. Irrespective of whether this information is accurate it may well be used by the Italian tax authorities to argue that, despite the absence of a contractual agreement between the Player and the Agent, nonetheless the Agent acted for the benefit of the Player, rather than the Club
In many cases. Italian tax authorities have indeed used publicly available information (e.g. on the internet or on newspapers) as indicia supporting the existence of a fringe benefit, most notably to provide evidence of the fact that the agent, although formally appointed by the Club (as in the case at stake), was in fact acting for the exclusive benefit of the player due to the fact that based on the information available on the media the agent appeared a de facto representative of the player.
In such situations, unless the player is able to prove the contrary (i.e. that the agent genuinely acted exclusively in the benefit of the club), the risk of a challenge by the Italian tax authorities is rather likely to materialize in case the latter starts a tax audit to examine the position of the player. (…)’
3.23.
Bij brief van 25 september 2019 hebben S. Ledure en W. Janssens, advocaten van het Belgische advocatenkantoor Cresta, namens [verweerder] aan SEG verzocht om overlegging van de contracten tussen Internazionale en SEG over de vergoeding die SEG zou hebben ontvangen voor de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale.
3.24.
Op 2 oktober 2019 hebben [betrokkene 3] en [betrokkene 2] een bespreking gehad met de broer van [verweerder], [de broer van verweerder]. Tijdens deze bespreking heeft [betrokkene 2] kopieën van de Commissieovereenkomst en de Samenwerkingsovereenkomst met [de broer van verweerder] gedeeld.
3.25.
Op 4 oktober 2019 heeft [de broer van verweerder] een e-mail verstuurd aan [verweerder] met betrekking tot het salaris van [verweerder] en de vergoeding die SEG heeft ontvangen voor deze transactie. [de broer van verweerder] heeft hierbij ook enkele berekeningen gemaakt en hij heeft onder meer geschreven:
‘(…) SEG heeft 12% commissie verdient op jouw deal, Volgens het contract is dit 9.500.000. Deze is zoals onderstaand opgebouwd met daarbij de volgende uitleg:
- 1.
over jouw salaris in 5 jaar is 12% verdient.
- 2.
SEG is ook beloond voor het feit dat jouw salaris onder de 50.000.000 is gebleven. (…)
- 3.
ongeacht het feit dat je transfervrij naar Inter bent gegaan vertegenwoordigde je een marktwaarde. SEG heeft deze vastgezet over 25.000.000 en heeft hierover 12%, dus totaal 3.000.000 verdiend:
- 4.
SEG heeft ook verdient over jouw bonussen (…)
- 5.
de onderstaande berekening komt uit op totaal9.550.200 commissie.Dit heeft met naar beneden afgerond in het contract tussen SEG en Inter naar 9.500.000; (…)’
3.26.
[verweerder] heeft via de advocaten van Cresta met brieven van 23 december 2019 en 21 februari 2020 getracht buiten rechte tot afspraken met SEG te komen. Dit is niet gelukt. Bij brief van 25 november 2019 en daarna bij brief van 10 januari 2020 is door SEG elke aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3.27.
In december 2020 heeft [verweerder] van de Italiaanse belastingdienst een aanslag ontvangen. Deze ziet op de door SEG van Lazio ontvangen commissie over de jaren 2014 en 2015, waarbij de Italiaanse belastingdienst de commissie van SEG voor 15% heeft toegerekend aan het salaris van [verweerder] en hem daarvoor fiscaal heeft belast en een administratieve boete heeft opgelegd.
4. Eerste aanleg
4.1.
[verweerder] heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- I.
te verklaren voor recht dat SEG tekort is geschoten in de nakoming van de op SEG als opdrachtnemer uit hoofde van artikel 7:401 BW rustende verbintenissen en SEG heeft gehandeld in strijd met het in de artikelen 7:417 en 7:418 en 7:425 BW bepaalde althans te verklaren voor recht dat SEG jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld althans SEG ten koste van [verweerder] ongerechtvaardigd is verrijkt; en b. SEG te veroordelen tot vergoeding en betaling van de door [verweerder] ten gevolge van het tekortschieten danwel onrechtmatig handelen danwel de ongerechtvaardigde verrijking van SEG geleden schade zijnde:
- —
seizoen 2018/2019: € 2.120.000,-- bruto;
- —
seizoen 2019/2020: € 2.585.000,-- bruto;
- —
seizoen 2020/2021: € 2.585.000,-- bruto; en
voorts met betrekking tot de seizoenen 2021 2022 en 2022 2023 te veroordelen tot vergoeding en betaling van de door [verweerder] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente;
- II.
primair te verklaren voor recht dat SEG jegens [verweerder] terzake de bemiddeling van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale voor de seizoenen 2018/2019 tot en met 2022/2023 geen recht heeft op loon, subsidiair te bepalen dat bij de bepaling van de door SEG aan [verweerder] te vergoeden schade rekening dient te worden gehouden met een redelijk loon zijnde 3% van het bruto jaarsalaris per seizoen dat [verweerder] vanaf het seizoen 2018/2019 tot en met het seizoen 2022/2023 in dienst van Internazionale speelt tegen het overeengekomen bruto jaarsalaris van € 7.880.000,00 over het seizoen 2018/2019 en € 7.415.000,00 bruto voor de daarop volgende seizoenen, althans een op de gebruikelijke wijze berekend loon van 7,25% van het bruto jaarsalaris per seizoen dat [verweerder] vanaf het seizoen 2018/2019 tot en met 2022/2023 in dienst van Internazionale speelt tegen het overeengekomen bruto jaarsalaris van € 7.880.000,00 bruto voor het seizoen 2018/2019 en € 7.415.000,00 bruto voor de volgende seizoenen;
- III.
SEG te veroordelen om [verweerder] Euro voor Euro te vrijwaren en schadeloos te stellen terzake alle naheffingen, boetes en/of rente die — onder welke benaming ook — door de Italiaanse belastingadministratie aan [verweerder] mochten worden opgelegd uit hoofde van fringe benefits terzake de bemiddeling van SEG voor de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Inter Milan ondertekend op 29 maart 2018;
- IV.
SEG te veroordelen tot vergoeding en betaling aan [verweerder] van de door [verweerder] geleden vermogensschade bestaande in buitengerechtelijke kosten conform BGK zijnde € 6.775,00;
- V.
met veroordeling van SEG in de kosten van de procedure.
4.2.
SEG heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.3.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, voor zover van belang in hoger beroep, geoordeeld dat de overeenkomst waarin is bepaald dat SEG optrad voor Internazionale en niet voor [verweerder] een onderhandse akte is die ingevolge artikel 157 lid 2 Rv tussen partijen ([verweerder] en Internazionale) dwingend bewijs oplevert van hetgeen daarin is opgenomen. Jegens een derde zoals SEG biedt de akte vrij bewijs. De akte biedt aanleiding tot het voorshands bewijs dat SEG namens Internazionale is opgetreden. Tegen dit voorshands bewijs kan door [verweerder] tegenbewijs worden geleverd in de vorm van het bewijs van een bemiddelingsovereenkomst tussen [verweerder] en SEG. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat uit de overgelegde stukken blijkt dat SEG handelde naar het belang van [verweerder] en dit naar voren bracht in de onderhandelingen met de club. Uit de correspondentie en presentatie valt duidelijk af te leiden dat SEG op de hoogte was van wat [verweerder] wilde en hier ook naar handelde. SEG heeft ter zitting aangegeven de belangen van beide partijen te behartigen en heeft de stelling van [verweerder], dat het op zijn niveau zeer ongebruikelijk is om zonder spelersmakelaar een transfer naar een club als Internazionale overeen te komen, niet betwist. De bemiddelingsovereenkomst tussen [verweerder] en SEG is dus rechtens vast komen te staan. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een situatie waarbij SEG optrad voor zowel [verweerder] als de club, zoals SEG ook zelf erkent. De rechtbank komt niet tot de conclusie dat SEG bij haar optreden in de onderhandelingen te veel het belang van Internazionale heeft behartigd. SEG heeft ter zitting wel gesteld dat met Internazionale is onderhandeld over het arbeidscontract met [verweerder], maar niet toegelicht wat die onderhandelingen inhielden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de schade die [verweerder] meent te hebben geleden, is ontstaan doordat SEG het belang van Internazionale (te veel) heeft behartigd (geen dienen van twee heren). Wat echter wel duidelijk is geworden, is dat SEG een eigen belang had bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen [verweerder] en Internazionale. Bij totstandkoming van de overeenkomst kreeg SEG namelijk een (aanzienlijke) commissie. Volgens artikel 7:418 BW hangt het er bij belangenverstrengeling van af of de bemiddelaar voldaan heeft aan haar mededelingsplicht. SEG had [verweerder] moeten mededelen dat en wat voor een commissie zij zou ontvangen als [verweerder] en Internazionale een arbeidsovereenkomst zouden sluiten. SEG heeft echter niet volledige openheid van zaken gegeven door de aanvullende vergoeding van € 2.000.000,00 in tranches van € 200.000,00 niet te noemen. Daarnaast stelt SEG ook niet dat zij aan [verweerder] heeft medegedeeld dat zij een percentage van 7,5% van de doorverkoopsom zou ontvangen als [verweerder] tussentijds naar een andere club zou gaan en SEG daarbij zou bemiddelen, zoals overeengekomen in de Samenwerkingsovereenkomst. Uit de wet vloeit voort dat SEG haar mededelingsplicht niet zou hebben geschonden als de inhoud van de rechtshandeling, te weten de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale, zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van [verweerder], Internazionale en SEG is uitgesloten. Uit het bovenstaande blijkt al dat de inhoud van de rechtshandeling niet zo nauwkeurig vaststond dat er geen strijd van belangen zou kunnen zijn. De rechtbank concludeert dat sprake is van een schending door SEG van het bepaalde in artikel 7:418 BW. Door deze normschending is SEG schadeplichtig jegens [verweerder]. Het is echter niet mogelijk om te achterhalen wat Internazionale bereid was om aan [verweerder] te betalen als [verweerder] wist van de hoge commissievergoeding aan SEG. De rechtbank heeft daarom de kansschadeleer toegepast bij de begroting van de schade. Daartoe wordt tevens berekend wat een gebruikelijk honorarium voor SEG zou kunnen zijn geweest. De rechtbank heeft de kansschade van [verweerder] geschat op 50% van hetgeen SEG heeft ontvangen voor de deal tussen [verweerder] en Internazionale, hetgeen overeenkomt met een bedrag van € 4.750.000,00. Verder heeft de rechtbank de door [verweerder] gevorderde schadeloosstelling vrijwaring voor eventuele fiscale claims van de Italiaanse belastingdienst toegewezen, minus hetgeen [verweerder] had moeten betalen aan de Italiaanse belastingdienst, indien van meet af aan vast had gestaan dat SEG deels voor [verweerder] was opgetreden. Tot slot is SEG veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,- en de proceskosten met nakosten.
5. Beoordeling
5.1.
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt SEG in hoger beroep met zeven grieven op.
Bevoegdheid Nederlandse rechter
5.2.
Allereerst is aan de orde de vraag of het hof bevoegd is om te oordelen in deze zaak, welke vraag, gelet op het internationale karakter van de zaak, het hof ambtshalve dient te beantwoorden. Het hof dient zijn bevoegdheid te toetsen aan de Brussel I-bis Verordening. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis Verordening bevoegd van de vordering kennis te nemen omdat SEG (als gedaagde ten tijde van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg) in Nederland is gevestigd.
Rechtsverhouding SEG-[verweerder]
5.3.
Met grief 2 betoogt SEG dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen SEG en [verweerder] een rechtsrelatie bestond in (de aanloop naar) de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] met Internazionale. Die rechtsrelatie bestond niet, en SEG trad in (de aanloop naar) de transactie exclusief op voor Internazionale. Het is ook een misvatting dat SEG heeft erkend dat zij zowel voor Internazionale als voor [verweerder] optrad, aldus SEG. Primair stelt SEG dat er geen sprake is van een (doorlopende) vertegenwoordigings- of bemiddelingsovereenkomst tussen SEG en [verweerder]. In de arbeidsovereenkomst met Internazionale heeft [verweerder] verklaard dat SEG voor Internazionale optrad en dat er geen intermediair voor hem is opgetreden. Op basis van de overige feiten en omstandigheden mocht [verweerder] er niet op vertrouwen dat sprake was van een rechtsverhouding met SEG. Ook op basis van de toepasselijke reglementen mocht [verweerder] er niet op vertrouwen dat sprake was van een bemiddelingsovereenkomst met SEG. Dat SEG sinds de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Lazio in 2014 uitsluitend als intermediair voor de clubs heeft gehandeld, had bovendien financiële voordelen voor [verweerder]. [verweerder] heeft niets betaald voor de diensten van SEG aan Lazio en Internazionale maar heeft er wel van geprofiteerd. De rechtbank gaat ten onrechte voorbij aan het bijzondere (doorslaggevende) belang van de in de voetbalintermediairsmarkt geldende reglementen. Voorts is het volgens SEG (anders dan de rechtbank heeft overwogen) niet hoogst ongebruikelijk om op [verweerder]'s niveau een transfer naar een club als Internazionale zonder intermediair overeen te komen. Het feit dat SEG bemiddelde voor de club(s) betekent bovendien niet automatisch dat zij optrad tégen [verweerder]. Voor zover wordt geoordeeld dat er tussen SEG en [verweerder] een rechtsrelatie bestond in (de aanloop naar) de transactie, stelt SEG subsidiair dat die rechtsrelatie niet kan worden gekwalificeerd als een bemiddelingsrelatie maar hooguit als een adviesrelatie.
5.4.
Tussen partijen staat vast dat de tussen [verweerder] en Internazionale getekende overeenkomst, waarin is opgenomen dat SEG optrad voor Internazionale en niet voor [verweerder], voorshands bewijs oplevert van het feit dat SEG namens Internazionale heeft opgetreden, waartegen [verweerder] tegenbewijs mag leveren. Dit tegenbewijs kan bestaan uit het bewijs van een bemiddelingsovereenkomst tussen [verweerder] en SEG. Ingevolge artikel 7:425 BW is de bemiddelingsovereenkomst de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt tegen loon als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het element ‘tegen loon’ om wetstechnische redenen is opgenomen in dit artikel. Er kan daarom ook sprake zijn van een bemiddelingsovereenkomst als geen loon is afgesproken.
5.5.
Het hof stelt voorop dat er geen schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tussen [verweerder] en SEG bestaat voor (bemiddelings)werkzaamheden van SEG bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] met Internazionale. Vast staat ook dat [verweerder] SEG niet heeft betaald voor door haar verrichte (bemiddelings)werkzaamheden. In de arbeidsovereenkomst van 29 maart 2018 is vermeld dat [betrokkene 2] namens SEG als sportmakelaar voor Internazionale optreedt en dat [verweerder] geen gebruik heeft gemaakt van diensten van een sportmakelaar. SEG heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat zij, na overleg hierover met [verweerder], er om fiscale redenen voor heeft gekozen [verweerder] niet bij te staan bij zijn overstap naar Internazionale. De omstandigheid dat dit op deze manier in de arbeidsovereenkomst staat, betekent evenwel nog niet dat geen sprake is van een bemiddelingsovereenkomst tussen partijen.
5.6.
Voor de beantwoording van de vraag of tussen partijen sprake was van een bemiddelingsovereenkomst, zijn de gedragingen van partijen voorafgaande aan en ten tijde van de overstap van [verweerder] naar Internazionale en de overige feiten en omstandigheden van het geval ook van belang. Daarbij acht het hof allereerst van belang dat uit de overgelegde arbeidsovereenkomsten met Feyenoord blijkt dat [verweerder] in ieder geval bij het aangaan van zijn drie opvolgende arbeidsovereenkomsten bij Feyenoord vanaf 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2015 is bijgestaan door [betrokkene 2] (namens SEG) als spelersmakelaar. Verder kan uit de e-mails van SEG van 8, 14 en 15 januari 2018 worden afgeleid dat SEG ook betrokken was bij de onderhandelingen over een eventuele verlenging van zijn arbeidsovereenkomst bij Lazio tot medio 2019 (zie hierna in rov. 5.7.). Door SEG is niet gesteld dat [verweerder] zich in deze jaren door een andere spelersmakelaar heeft laten bijstaan. Uit al deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat al een lange en kennelijk ononderbroken samenwerkingsrelatie bestond tussen SEG (als spelersmakelaar) en [verweerder] (als speler) met een duur van ruim tien jaar voorafgaande aan zijn overstap naar Internazionale. Ook als geen sprake is van een formeel doorlopende vertegenwoordigings- of bemiddelingsrelatie, is het tegen deze achtergrond begrijpelijk dat [verweerder] ervan uit ging dat SEG hem ook vertegenwoordigde bij de onderhandelingen met Internazionale. Het had, mede gelet op de genoemde feiten en omstandigheden, op de weg van SEG gelegen om [verweerder] uitdrukkelijk te informeren over een wijziging of beëindiging van die jarenlange samenwerking. Dat is niet, althans niet voldoende duidelijk, gebeurd. De enkele passage hierover in de schriftelijke vastlegging van de voordien al tot stand gekomen arbeidsovereenkomst is daartoe naar het oordeel van het hof onvoldoende in het licht van de overige feiten en omstandigheden, zoals deze hiervoor zijn vastgesteld.
5.7.
Het hof betrekt in zijn hiervoor gegeven oordeel ook de manier van communiceren van SEG richting [verweerder] en naar derden in de periode voorafgaande aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst met Internazionale eind maart 2018. Uit verschillende e-mails, WhatsApp-berichten en presentaties van SEG kan worden afgeleid dat SEG in die periode [verweerder] vertegenwoordigde in de onderhandelingen met Lazio over een eventuele verlenging alsmede in de onderhandelingen met Internazionale over een eventuele overstap van [verweerder] naar Internazionale. In een e-mail van 8 januari 2018 heeft [betrokkene 2] aan [betrokkene 4] namens [verweerder] een tegenvoorstel voor een verlenging bij Lazio toegestuurd waarin hij refereert aan [verweerder] als zijn cliënt:
‘As specifically requested by our client (hereinafter ‘the Player’), we herewith provide you with our counterproposal (…)’.
Ook uit de bewoordingen van de e-mail van 14 januari 2018 van [betrokkene 3] namens SEG aan [verweerder] blijkt duidelijk dat SEG bij de onderhandelingen met Lazio over een eventuele verlenging opkomt voor het belang van [verweerder]. Datzelfde geldt voor de e-mail van 15 januari 2018 van [betrokkene 1] aan [verweerder] met betrekking tot de onderhandelingen van SEG met Lazio. Vervolgens heeft [betrokkene 8] namens SEG in een e-mail van 26 januari 2018 aan [verweerder] geschreven:
‘Wij proberen de juiste deal te krijgen voor jou (…)’.
Op 1 februari 2018 heeft SEG nog een presentatie gegeven aan [verweerder] over zijn carrièreopties, waarin ook een eventuele overstap naar Internazionale aan de orde komt. Onder deze omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat bij [verweerder] de indruk is gewekt en hij ervan mocht uitgaan dat SEG hem bij de onderhandelingen over een eventuele verlenging bij Lazio dan wel bij een eventuele overstap naar Internazionale vertegenwoordigde en dat zij hun feitelijke werksituatie/-relatie zoals die al bestond sinds 2009 voortzetten. Indien dat anders was geweest, had SEG [verweerder] daarover vooraf moeten inlichten. Dat op basis van de toepasselijke reglementen andere/aanvullende voorwaarden aan een bemiddelingsovereenkomst worden gesteld, maakt dat niet anders en kan SEG niet baten. Gezien de gehele gang van zaken is het hof van oordeel dat [verweerder] er terecht op heeft vertrouwd dat er ten tijde van de onderhandelingen met Internazionale sprake was van een bemiddelingsovereenkomst van [verweerder] met SEG.
5.8.
Dit betekent dat er ten tijde van de onderhandelingen tussen [verweerder] en Internazionale sprake is geweest van een bemiddelingsovereenkomst tussen SEG en [verweerder]. Grief 2 faalt derhalve.
Schending mededelingsplicht
5.9.
Met grief 3 bestrijdt SEG het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] niet wist wat SEG aan de transactie met Internazionale zou verdienen en dat SEG schadeveroorzakend heeft gehandeld door ter zake een mededelingsplicht te schenden. SEG stelt primair dat op haar geen rechtsplicht rustte om mededelingen te doen aan [verweerder] over haar verdiensten uit hoofde van de transactie en/of over (de inhoud van) de samenwerkingsovereenkomst met Internazionale, omdat er geen enkele rechtsverhouding tussen [verweerder] en SEG bestond. SEG stelt subsidiair dat zij [verweerder] onverplicht heeft meegedeeld wat zij aan de transactie zou verdienen. [verweerder] was op de hoogte van het feit dat SEG uit hoofde van haar intermediairswerkzaamheden betaald zou worden door Internazionale. Informatie over de hoogte van de beloning van SEG zou voor [verweerder] echter niets uitmaken, aangezien de betaling aan SEG door Internazionale geen enkele invloed had op de hoogte van het salaris van [verweerder]. SEG stelt meer subsidiair dat de inhoud van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale al in december 2017 vast stond, vóórdat de Commissieovereenkomst en de Samenwerkingsovereenkomst tussen SEG en Internazionale werden gesloten. Die overeenkomsten zijn pas na het sluiten van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale ondertekend. Het is daarom uitgesloten dat het belang van SEG tegengesteld kon zijn aan het belang van [verweerder]. SEG stelt uiterst subsidiair dat zelfs als [verweerder] zich niet kan herinneren dat SEG alles heeft meegedeeld, dit voor [verweerder] niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Internazionale heeft geen totaalbedrag van € 47.000.000,00 of € 50.000.000,00 beschikbaar gehad voor de transactie, waaruit zowel [verweerder] als SEG betaald moesten worden met dien verstande dat de omvang van de betaling aan SEG noodzakelijkerwijs ten koste gaat van de omvang van de betaling aan [verweerder] (of andersom), aldus SEG.
5.10.
In artikel 7:418 BW is bepaald dat indien een lasthebber direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling, hij verplicht is de lastgever daarvan in kennis te stellen, tenzij de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten. Zoals hiervoor is overwogen, heeft SEG als bemiddelaar voor [verweerder] opgetreden bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] met Internazionale. Dit betekent dat op SEG een mededelingsplicht rustte met betrekking tot haar eigen financiële belang bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale, meer in het bijzonder de hoogte van de commissievergoeding die SEG van Internazionale zou ontvangen. Daarbij zijn de mededelingen van SEG bepalend in de periode voorafgaande aan 26 februari 2018, de datum waarop [verweerder] de arbeidsovereenkomst met Internazionale heeft ondertekend. [verweerder] had immers tot die tijd op basis van de door SEG verstrekte informatie andere afspraken met Internazionale kunnen maken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan evenwel niet worden afgeleid dat [verweerder] door SEG op enig moment voorafgaande aan 26 februari 2018 is geïnformeerd over het bestaan en de hoogte van de vaste commissie van € 7.500.000,00 en de flexibele commissie van € 2.000.000,00 zoals is neergelegd in de Commissieovereenkomst en over het bestaan en de hoogte van de transfervergoeding zoals is neergelegd in de Samenwerkingsovereenkomst.
Zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 3] hebben verklaard dat zij [verweerder] tijdens een bespreking op 8 februari 2018 hebben uitgelegd dat SEG een commissie van € 7.500.000,00 van Internazionale zou krijgen als [verweerder] de arbeidsovereenkomst met Internazionale zal tekenen. Naar het oordeel van het hof kan uit deze verklaringen in ieder geval worden afgeleid dat de stellingen van SEG erop neerkomen dat [betrokkene 3] en [betrokkene 1] [verweerder] niet hebben geïnformeerd over de flexibele commissie van € 2.000.000,00. Dat SEG [verweerder] wel op de hoogte heeft gesteld van de vaste commissie en de transfervergoeding is gemotiveerd door [verweerder] betwist. Bovendien kunnen voor de andersluidende stellingen van SEG in de stukken evenmin aanknopingspunten worden gevonden. SEG heeft in dit verband verwezen naar een e-mail van 2 januari 2018 waarin [betrokkene 1] namens SEG de concept arbeidsovereenkomst, de Commissieovereenkomst en de Samenwerkingsovereenkomst aan [verweerder] zou hebben doorgestuurd. In deze laatste twee overeenkomsten wordt de door SEG te ontvangen commissie- en transfervergoeding genoemd. [verweerder] heeft evenwel ter zitting verklaard dat hij deze e-mail wel heeft ontvangen maar dat hem daarbij maar één bijlage is meegestuurd, te weten de concept arbeidsovereenkomst. Dit is niet (voldoende) weersproken door SEG, noch aangetoond door overlegging van enig bewijsstuk waar de verzending van de andere bijlagen uit blijkt, zodat het hof er vanuit gaat dat [verweerder] de Commissie- en Samenwerkingsovereenkomst tussen SEG en Internazionale niet heeft ontvangen voorafgaand aan het tekenen van de arbeidsovereenkomst met Internazionale (en derhalve niet voordien op de hoogte is gesteld van de hoogte van de door SEG te ontvangen commissie- en transfervergoeding). Het hof concludeert dan ook dat SEG haar mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7:418 BW heeft geschonden. Dat de hoogte van de commissie van SEG en het salaris van [verweerder] geen communicerende vaten zijn, ontslaat, indien al juist. SEG niet van haar mededelingsplicht richting [verweerder].
5.11.
SEG heeft in dit verband onder meer aangeboden bewijs te leveren door het horen van [betrokkene 1] over (a) wat aan [verweerder] is verteld over alle elementen van de door Internazionale aan SEG te betalen commissie en (b) het gegeven dat de technisch directeur van Internazionale op 22 juni 2022 in een bespreking aan [verweerder] heeft bevestigd dat (i) tussen het bedrag dat Internazionale [verweerder] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst betaalt, en het bedrag dat zij SEG betaalt uit hoofde van de Commissieovereenkomst, geen afhankelijkheidsrelatie bestaat en (ii) dat Internazionale een specifieke vrijwaring aan [verweerder] heeft gegeven voor naheffingen door de Italiaanse (of een andere) fiscus. Het bewijsaanbod genoemd onder (b) ziet evenwel niet op de relevante periode, te weten voorafgaande aan 26 februari 2018, zodat dit bewijsaanbod om die reden als onvoldoende ter zake dienend wordt gepasseerd. Ook het bewijsaanbod genoemd onder (a) wordt gepasseerd. SEG heeft reeds een notariële verklaring van [betrokkene 1] overgelegd onder meer over ditzelfde onderwerp; in rov. 5.10. is mede op basis daarvan geoordeeld dat SEG de op haar rustende mededelingsplicht heeft geschonden. Het bewijsaanbod van SEG door het horen van [betrokkene 8] over de wetenschap van [verweerder] voor 2019 van het flexibele onderdeel van de commissie van SEG, wordt eveneens als onvoldoende ter zake dienend gepasseerd, omdat het niet, althans niet voldoende specifiek ziet op de mededelingen door of namens SEG op de periode vóór het totstandkomen van de arbeidsovereenkomst.
5.12.
SEG heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat tegenstrijdige belangen tussen SEG en [verweerder] zijn uitgesloten, omdat de inhoud van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale al vanaf 2017 nagenoeg vast stond. SEG heeft er in dit verband op gewezen dat zij al op 15 december 2017 namens Internazionale een indicatief voorstel aan [verweerder] heeft gecommuniceerd met de volgende kernelementen: een jaarlijks netto basissalaris van € 4.000.000,00, een looptijd van vijf jaar, en een flexibel element bestaande uit een aantal bonussen, afhankelijk van prestaties van Internazionale en van [verweerder]. Vervolgens heeft [verweerder] op 26 februari 2018 de arbeidsovereenkomst met Internazionale ondertekend waarin de kernelementen nagenoeg geheel overeen komen met die in het indicatieve voorstel. Pas daarna — op 7 maart 2018 — is de Commissieovereenkomst tussen Internazionale en SEG getekend. Het hof is van oordeel dat dit verweer van SEG, dat de mededelingsplicht gelet op het bepaalde in artikel 7:418, laatste volzin BW niet zou gelden, niet slaagt. In het indicatieve voorstel van december 2017 worden weliswaar enkele elementen van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] en Internazionale genoemd, maar het betrof nog slechts een concept versie die nadien nog gewijzigd kon worden (zeker als [verweerder] toen al geweten had dat SEG voor zichzelf een miljoenenprovisie had bedongen, dan wel van plan was dat te doen). Niet gezegd kan worden dat de inhoud van de arbeidsovereenkomst op dat moment al zodanig vast stond dat tegenstrijdige belangen waren uitgesloten. Begin januari 2018 is de concept documentatie door Internazionale aan SEG toegestuurd, waarin een vaste commissie van € 7.500.000,00 en een flexibele voorwaardelijke commissie van € 2.000.000,00 wordt genoemd. Pas ruim een maand later in februari 2018 wordt de daadwerkelijke arbeidsovereenkomst tussen Internazionale en [verweerder] getekend. In die tussenliggende periode had er opnieuw onderhandeld kunnen worden over de genoemde elementen. Dat dat niet is gebeurd, maakt niet dat deze afspraken als zodanig voldoende vast stonden dat tegenstrijdige belangen tussen SEG en [verweerder] waren uitgesloten. SEG was derhalve gehouden de genoemde mededelingen te verstrekken aan [verweerder], meer in het bijzonder voorafgaand aan de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Het beroep van SEG op de uitzondering van artikel 7:418 BW gaat hier dus niet op.
5.13.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat op SEG een mededelingsplicht rustte om [verweerder] te informeren over haar belang bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale en dat zij die mededelingsplicht heeft geschonden. Grief 3 faalt derhalve.
Causaal verband en schade
5.14.
Met grief 4 betoogt SEG dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerder] schade heeft kunnen lijden door toedoen van SEG, dat die schade moet worden begroot door de kans op een betere uitkomst te schatten, dat de kans op een betere uitkomst 50% is, en dat de betere uitkomst moet worden begroot op het bedrag dat SEG heeft ontvangen voor de transactie, zodat SEG [verweerder] € 4.750.000,00 moet betalen. Het is volgens SEG uitgesloten dat [verweerder] schade van welke omvang dan ook heeft geleden door toedoen van SEG. Daartoe voert SEG aan dat Internazionale [verweerder] niet meer zou betalen dan zij doet omdat: (a) Internazionale dat niet wilde met het oog op de toepasselijke regelgeving; (b) het niet zou passen bij de salarissen die Internazionale andere spelers betaalt; en (c) het salaris dat Internazionale hem ten tijde van de transactie bood destijds überhaupt het hoogste haalbare was (gezien zijn ervaringsjaren, positie op het veld, zijn salarishistorie en het hoogste concurrerende salarisaanbod ten tijde van de transactie). Daarnaast stelt SEG dat [verweerder] de inkomensschade wegens de betwiste tekortkoming dan wel normschending niet heeft bewezen. Volgens SEG ontbreekt een causaal verband tussen de gepretendeerde gemiste inkomsten en de (betwiste) tekortkoming/normschending. Internazionale had niet één totaalbedrag over voor de transactie waaruit zowel [verweerder] als SEG betaald moesten worden, zodat de commissie van SEG niet ten koste van [verweerder]'s salaris ging (of andersom). Tot slot stelt SEG dat de rechtbank een onjuiste en onbegrijpelijke schadebegroting heeft gemaakt.
5.15.
In het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming/normschending van SEG, te weten schending van de mededelingsplicht. In geschil is de vraag of en in welke mate [verweerder] daardoor schade heeft geleden in de vorm van gemiste inkomsten. Uit de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale blijkt dat partijen over de jaren 2018/2019, 2019/2020, 2020/2021, 2021/2022 en 2022/2023 een salaris van in totaal € 37.540.000,00 voor [verweerder] zijn overeengekomen. In de Commissieovereenkomst tussen SEG en Internazionale is evenwel voor de betaling van de voorwaardelijke vergoeding van € 2.000.000,00 als voorwaarde gesteld dat een arbeidsovereenkomst tussen Internazionale en [verweerder] tot stand zou komen waarin een maximaal basis brutosalaris van € 50.000.000,00 is overeengekomen. Niet kan met zekerheid worden vastgesteld of Internazionale ook daadwerkelijk een salaris van € 50.000.000,00 zou hebben betaald aan [verweerder], indien [verweerder] ten tijde van de onderhandelingen met Internazionale over zijn salaris op de hoogte was geweest van de hoge commissie die SEG zou ontvangen van Internazionale. Het is evenwel niet ondenkbaar dat indien [verweerder] bij het voeren van die onderhandelingen had geweten van de hoogte van de commissie die aan SEG zou worden betaald, de vergoedingen vanuit Internazionale aan zowel [verweerder] als aan SEG anders (verdeeld) waren geweest. Hoewel de exacte schade van [verweerder] niet precies kan worden vastgesteld, acht het hof wel aannemelijk dat sprake is van een causaal verband tussen de schending van de mededelingsplicht en enige gemiste inkomsten van [verweerder]. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de kansschadeleer geëigend om een oplossing te bieden voor dit soort situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491; HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:461).
5.16.
Het hof berekent de kansschade van [verweerder] als volgt. Tussen partijen staat vast dat Internazionale op basis van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] en de nadien gesloten Commissieovereenkomst met SEG in totaal € 47.040.000,00 heeft betaald. Dit totaalbedrag bestaat uit € 37.540.000,00 aan salaris van [verweerder] en € 9.500.000,00 aan commissie van SEG; partijen zijn het erover eens dat de bonus buiten beschouwing blijft. [verweerder] claimt dat van het meerdere boven zijn salaris (€ 9.500.000,00) ten minste een deel onderwerp van verdere onderhandelingen tussen hem en Internazionale had kunnen zijn, indien hij geweten had (op grond van door SEG ten onrechte aan hem onthouden informatie) dat die ruimte er was. Het deel dat als redelijke provisie aan SEG toekomt dient eveneens geschat te worden en van het bedrag van € 9.500.000,00 te worden afgetrokken. Het is aan SEG toe te rekenen dat [verweerder] niet over die informatie beschikte, zodat ook het niet gestart zijn van de (her-)onderhandelingen tussen [verweerder] en Internazionale aan de tekortkoming aan de zijde van SEG dient te worden toegerekend. In die onderhandelingen had [verweerder] kunnen inbrengen dat het door SEG geclaimde bedrag aanmerkelijk hoger was dan de provisie die SEG redelijkerwijs mocht verwachten op basis van enerzijds de eerdere arbeidsovereenkomsten van [verweerder] (bij Feijenoord, waarbij SEG voor hem was opgetreden), alsmede het aanbod van Lazio (waarin voor SEG 8,5% provisie gereserveerd was). SEG heeft betoogd dat zij met betrekking tot de deal bij Internazionale 12% zou hebben willen berekenen, maar zij heeft geenszins aangetoond dat [verweerder] daarmee akkoord zou zijn gegaan, noch dat er goede gronden waren voor een zoveel hoger percentage dan voorheen was gerealiseerd (bij Feijenoord), dan wel aangeboden (door Lazio). Het hof acht het schattenderwijs niet onaannemelijk dat [verweerder] (die immers wel tevreden was over de met behulp van SEG gerealiseerde transfer naar Internazionale) in onderhandelingen met SEG akkoord zou zijn gegaan met een percentage van 10%. Deze op 10% geschatte provisie zou dan de redelijkerwijs aan SEG toekomende provisie zijn, berekend op basis van het totaalbedrag dat Internazionale feitelijk betaald heeft (aan salaris en provisie: de bonus blijft, zoals hierboven overwogen, buiten beschouwing). Als salaris (100%) en provisie (10% daarover) optellen tot € 47.040.000,00, dan komt de 10% redelijke provisie voor SEG neer op 10/110e deel, dus € 4.276.363,64. Het hof acht op die grond de kans groot dat [verweerder], had hij tijdig geweten van de niet aan hem gecommuniceerde provisie-afspraak tussen SEG en Internazionale, een hogere beloning (in de vorm van salaris of éénmalig ‘tekengeld’) had kunnen bedingen ter hoogte van het na aftrek van de redelijke provisie resterende bedrag van de € 9.500.000,00, zijnde € 5.223.636,36 bruto.
5.17.
Gelet op het voorgaande faalt grief 4. Het hof zal, op basis van het incidenteel appel, de door [verweerder] gevorderde schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 5.223.636,36 bruto. Nu deze schadevergoeding reeds wordt toegekend op basis van de primaire grondslagen van [verweerder], komt het hof niet meer toe aan een bespreking van grief 6 (die is gericht tegen de subsidiaire grondslagen van de vorderingen van [verweerder]).
Grief 5: fiscale vrijwaring
5.18.
Met grief 5 betoogt SEG dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat SEG jegens [verweerder] een zorgplicht als intermediair heeft geschonden en [verweerder] moet vrijwaren voor eventuele naheffingen van de Italiaanse belastingdienst wegens ‘fringe benefits’ die [verweerder] zou hebben genoten. Volgens SEG ontbreekt een grondslag voor het verstrekken van een dergelijke fiscale vrijwaring, aangezien [verweerder] naar Italiaans fiscaal recht geen risico loopt. Hiertoe heeft zij verwezen naar een memorandum van 4 oktober 2022 van [betrokkene 9], een Italiaanse fiscalist. Volgens SEG heeft [verweerder] bovendien, na de van Internazionale alsnog ontvangen vrijwaring, geen belang meer bij deze gevorderde vrijwaring.
5.19.
Vastgesteld wordt dat [verweerder] in december 2020 van de Italiaanse belastingdienst daadwerkelijk een aanslag heeft ontvangen betreffende de door SEG van Lazio ontvangen commissie over de jaren 2014 en 2015. Dat er derhalve geen sprake was van (enige) fiscale risico's voor [verweerder], zoals SEG betoogt, kan onder deze omstandigheden niet worden aangenomen. Het verweer van SEG dat [verweerder] geen grondslag had voor de gevorderde vrijwaring/schadeloosstelling faalt derhalve. Het hof ziet evenmin voldoende aanleiding voor de conclusie dat [verweerder] geen belang heeft bij de gevorderde fiscale vrijwaring van de zijde van SEG. Vastgesteld kan worden dat Internazionale op 8 september 2021 aan [verweerder] een vrijwaring heeft gegeven voor eventuele fiscale naheffingen door de Italiaanse belastingdienst. Niet kan worden uitgesloten dat deze vrijwaring van Internazionale inhoudelijk afwijkt van een (naar het hof begrijpt: aanvullende) vrijwaring door SEG en dat daarmee niet dezelfde (belastingtechnische) risico's worden gedekt. Hoewel het hof de kans dat de vrijwaring van Internationale onvoldoende dekking geeft voor de door [verweerder] eventueel te lijden fiscale schade in de toekomst zeer beperkt acht, kan deze omstandigheid niet de conclusie rechtvaardigen dat [verweerder] geen enkel belang meer heeft bij de door hem gevorderde (aanvullende) vrijwaring. Uit het verweer van SEG vloeit bovendien voort dat SEG zelf geen belang heeft bij haar verzet tegen de door [verweerder] gevorderde fiscale vrijwaring. [verweerder] heeft, ook al is dat vooral theoretisch, toch voldoende belang bij zijn vordering. Grief 5 faalt derhalve.
Voorwaardelijke incidentele vordering op grond van Artikel 843a Rv
5.20.
In haar memorie van grieven heeft SEG op grond van artikel 843a Rv gevorderd om [verweerder] op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen vijf werkdagen na de datum van de beslissing aan SEG een afschrift te verstrekken van de door Internazionale aan hem gegeven vrijwaring voor eventuele fiscale naheffingen door de Italiaanse (of een andere) belastingdienst. In haar memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel heeft SEG deze vordering echter weer ingetrokken, zodat deze vordering verder geen bespreking behoeft. SEG heeft nog wel een kostenveroordeling van [verweerder] in dit verband gevorderd, maar het hof ziet hiervoor onvoldoende grond.
Wettelijke rente
5.21.
Met grief 7 betoogt SEG (onder meer) dat de rechtbank SEG ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een schadevergoeding van € 4.750.000,00, de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00, de proceskosten van € 9.773,71 en de nakosten van € 163,00, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 maart 2018. SEG betwist deze ingangsdatum van 8 maart 2018, te weten de dag na het tekenen van de contracten door SEG met Internazionale waarin de commissievergoeding voor SEG is vastgelegd. Volgens SEG heeft [verweerder] in de onjuiste benadering van de rechtbank aanspraak op wettelijke rente over vermeende toekomstige gederfde inkomsten en daarvoor biedt de wet geen grondslag. Het hof overweegt dat [verweerder] aanspraak heeft op een schadevergoeding van € 5.223.636,36 bruto (zie rov. 5.16 en 5.17). Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd. Voor de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente is van belang dat het in het onderhavige geval gaat om een vordering tot vergoeding van toekomstige inkomensschade. Indien de rechter de schade begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens moet volgens vaste jurisprudentie (zie HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7884) deze schade geacht worden te zijn geleden op de bij de kapitalisering tot uitgangspunt genomen peildatum. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de datum van het vonnis, en niet de datum van het tekenen van de contracten door SEG met Internazionale, heeft te gelden als de bij de kapitalisering tot uitgangspunt te nemen peildatum. Over het gekapitaliseerde bedrag van € 5.223.636,36 bruto is derhalve de wettelijke rente vanaf 6 april 2022 verschuldigd.
Voorwaardelijk incidenteel appel
5.22.
Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat grief 7 slaagt. Hiermee is voldaan aan de voorwaarde van het voorwaardelijk incidenteel appel van [verweerder], zodat het hof de in incidenteel appel ingestelde vorderingen zal beoordelen. [verweerder] heeft in incidenteel appel gevorderd om het bestreden vonnis te vernietigen voor zover de vorderingen van [verweerder] gebaseerd op schending van artikel 7:417 BW zijn afgewezen en om alsnog de vorderingen van [verweerder] zoals ingesteld bij dagvaarding in eerste aanleg toe te wijzen, althans het bestreden vonnis mede op de grondslag van artikel 7:417 BW te bekrachtigen.
5.23.
Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat SEG — kort gezegd — in strijd met de artikelen 7:417 en 7:418 BW heeft gehandeld, overweegt het hof als volgt. Op basis van de stukken kan niet worden vastgesteld dat SEG zowel namens Internazionale als namens [verweerder] is opgetreden als bedoeld in artikel 7:417 lid 1 BW. Zoals hierboven in rov. 5.10–5.13 is overwogen, heeft SEG wel gehandeld in strijd met artikel 7:418 BW. Dit leidt het hof ook tot de conclusie dat SEG jegens [verweerder] is tekort geschoten in de nakoming van de op SEG als opdrachtnemer uit hoofde van artikel 7:401 BW rustende verbintenissen. Deze gevorderde verklaringen voor recht zullen in zoverre worden toegewezen.
De gevorderde verklaring voor recht dat SEG jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld althans SEG ten koste van [verweerder] ongerechtvaardigd is verrijkt, wordt bij gebrek aan zelfstandig belang afgewezen, aangezien reeds een toerekenbare tekortkoming door SEG als bedoeld in artikel 6:74 BW is vastgesteld (zie rov. 5.10–5.13). De door [verweerder] gevorderde schadevergoeding ter hoogte van € 2.120.000,00 (seizoen 2018/2019, € 2.585.000,00 (seizoen 2019/2020) en € 2.585.000,00 (seizoen 2020/2021) en met betrekking tot de seizoenen 2021/2022 en 2022/2023 op te maken bij staat, wordt afgewezen. Het hof heeft de schade van [verweerder] reeds met toepassing van de kansschadeleer vastgesteld op een bedrag van € 5.223.636,36 bruto (zie rov. 5.16 en 5.17).
Het hof ziet evenmin aanleiding om de gevorderde verklaringen voor recht toe te wijzen dat SEG primair geen recht heeft op loon terzake de bemiddeling van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Internazionale voor de seizoenen 2018 2019 tot en met mei 2022/2023. Deze primair gevorderde verklaring voor recht is reeds in het bestreden vonnis in eerste aanleg toegewezen, zodat de subsidiair gevorderde verklaring voor recht (dat bij de bepaling van de door SEG aan [verweerder] te vergoeden schade rekening moet worden gehouden met een redelijk loon van 3% van het bruto jaarsalaris per seizoen van [verweerder]) onbesproken kan blijven.
De gevorderwaring en/of schadeloosstelling terzake alle naheffingen, boetes en/of rente is reeds door de kantonrechter in het bestreden vonnis toegewezen. Het bestreden vonnis wordt op dit punt niet vernietigd, zodat er geen reden is om deze vordering in hoger beroep (opnieuw) toe te wijzen. Datzelfde geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en nakosten.
Slotsom en kosten
5.24.
Partijen hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
5.25.
De conclusie is dat grief 7 in principaal appel slaagt en dat de grief in (voorwaardelijk) incidenteel appel slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal worden beslist zoals in onderstaand dictum. SEG zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel appel.
6. Beslissing
Het hof:
in principaal en in incidenteel appel:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover SEG is veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 4.750.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 maart 2018 tot de dag van volledige betaling;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt SEG om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 5.223.636,36 (vijf miljoen tweehonderddrieëntwintigduizend zeshonderdzesendertig euro en zesendertig cent) bruto, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 6 april 2022 tot de dag van volledige betaling;
verklaart voor recht dat SEG tekort is geschoten in de nakoming van de op SEG als opdrachtnemer uit hoofde van artikel 7:401 BW rustende verbintenissen en dat SEG heeft gehandeld in strijd met het in artikel 7:418 BW bepaalde;
veroordeelt SEG in de kosten van het geding in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 1.780,00 aan verschotten en € 12.118,00 aan salaris,
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. van der Burg, H.T. van der Meer en R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
mr. L. Alwin
Uitspraak 06‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Sports Entertainment Group Football (SEG) moet een profvoetballer 4,75 miljoen euro schadevergoeding betalen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/703483 / HA ZA 21-574
Vonnis van 6 april 2022
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SPORTS ENTERTAINMENT GROUP FOOTBALL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en SEG worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 7 mei 2021, met producties,
- -
de conclusie van antwoord, met producties,
- -
het tussenvonnis van 15 december 2021, waarin ambtshalve de mondelinge behandeling is bepaald,
- -
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 18 februari 2022, met de daarin genoemde stukken,
- -
de brief van mr. Klinkhamer van 10 maart 2022, naar aanleiding van het proces-verbaal,
- -
de brief van mr. Van Voskuilen van 11 maart 2022, naar aanleiding van het proces-verbaal.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] is profvoetballer en is momenteel onder contract bij de Italiaanse voetbalclub F.C. Internazionale Milano (hierna: Internazionale).
2.2.
SEG Football (hierna: SEG) is de voetbaltak van de overkoepelende Sports Entertainment Group, een grote internationale organisatie die zich bezighoudt met sport- en entertainmentmanagement. SEG opereert zowel nationaal als internationaal en heeft vele topvoetballers en -clubs als cliënt.
(Voormalig) bestuurders van SEG zijn [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Binnen SEG is onder meer als spelersagent werkzaam [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
2.3.
Vanaf zijn tiende speelde [eiser] bij de jeugd van Feyenoord en in 2009 debuteerde hij in het eerste elftal van Feyenoord. Vanaf de eerste arbeidsovereenkomst als profvoetballer die [eiser] met Feyenoord heeft gesloten, voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2012, is hij door [naam 2] bijgestaan als spelersmakelaar. [naam 2] ondertekende ook mede in die hoedanigheid de arbeidsovereenkomsten van [eiser] met Feyenoord. In de arbeidsovereenkomst met Feyenoord is bepaald, voor zover relevant:
“(…) Artikel 15: Spelersmakelaar
1. Bij de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst heeft de spelersmakelaar [naam 2] (KNVB gelicenseerd) de belangen van Speler behartigd.
2. Bij de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst heeft Feyenoord geen gebruik gemaakt van een gelicenseerde spelersmakelaar.
3. De spelersmakelaar zal gedurende de duur van deze overeenkomst jaarlijks een vergoeding van Feyenoord ontvangen van 5 %, exclusief BTW doch inclusief het voor Feyenoord niet verrekenbare deel van de BTW, van het door de speler ingevolge de onderhavige overeenkomst te ontvangen bruto basisjaarsalaris inclusief motiveringsbonus. Feyenoord en de spelersmakelaar leggen de afspraken betreffende de betaling van deze vergoeding vast in een separate overeenkomst (ook wel commissie overeenkomst genoemd). (…)”
Volgend op deze arbeidsovereenkomst met Feyenoord heeft [eiser] nog twee maal een arbeidsovereenkomst gesloten met Feyenoord. Deze twee arbeidsovereenkomsten kennen een soortgelijke bepaling als artikel 15 voornoemd, met het verschil dat voor de daaropvolgende arbeidsovereenkomsten van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2014, en van 1 augustus 2013 tot en met 30 juni 2015, een commissie is overeengekomen van 6 % voor [naam 2] . Feyenoord betaalde deze vergoeding altijd rechtstreeks uit aan [naam 2] .
2.4.
In de twee opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen [eiser] en Feyenoord, van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2014 en van 1 augustus 2013 tot en met 30 juni 2015, is daarnaast overeengekomen dat [eiser] een percentage van de doorverkoopsom kreeg indien hij werd getransfereerd naar een andere betaalde voetbalclub:
“(…) DOORVERKOOPPERCENTAGE
Indien de speler gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst contractspelers betaald voetbal wordt getransfereerd naar een andere betaald voetbal Organisatie in binnen- of buitenland in de zin van artikel 1 lid 2 ontvangt de speler bruto 10% van de netto afkoopsom c.q. transfervergoeding die Feyenoord daadwerkelijk ontvangt van de andere betaald voetbal Organisatie. Feyenoord verschaft de speler op zijn verzoek volledige inzage in de relevante transferdocumenten. (…)”
2.5.
In de zomer van 2014 heeft [eiser] de overstap gemaakt van Feyenoord naar de Italiaanse voetbalclub S.S. Lazio Roma (hierna: Lazio). SEG was ook betrokken bij deze transfer. Op 28 juli 2014 heeft [naam 2] een e-mail gestuurd aan [naam 4] , directeur van Lazio (hierna: [naam 4] ), waarin [naam 2] namens [eiser] commentaar heeft op het feit dat Lazio de conceptstukken niet wilde overleggen aan [eiser] . In reactie hierop heeft [naam 4] op 29 juli 2014 gereageerd, in deze e-mail staat, voor zover relevant:
“(…) I am really wondering and I do not understand what doubts you can have. We agreed upon all the terms of the contract and this is the first time – in my career – that I am working with an agent who wants to sign a contract by e-mail. (…)”
2.6.
Op 30 juli 2014 is door [eiser] een arbeidsovereenkomst met Lazio gesloten. In de Italiaanse versie van de arbeidsovereenkomst is bepaald, voor zover relevant:

In de Engelse vertaling staat:

2.7.
Op 5 april 2017 heeft SEG op Instagram een bericht geplaatst over [eiser] en medespeler bij Lazio, [naam 5] . Hierin staat:
“(…) Congratulations to SEG clients @ [eiser] and @ [naam 5] on qualifying to the Coppa Italia final (…)”
2.8.
Vanaf de zomer van 2017 heeft SEG gesprekken gevoerd met verschillende voetbalclubs over het eventueel aantrekken van [eiser] aan het einde van seizoen 2017/2018, omdat in de zomer van 2018 de arbeidsovereenkomst tussen Lazio en [eiser] af liep.
2.9.
In het najaar van 2017 hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen SEG en [eiser] om eventuele transfer opties te bespreken, waarbij [eiser] zijn wensen heeft doorgegeven aan SEG. Eén van de opties die wordt besproken is een overstap naar Internazionale.
2.10.
Op 15 december 2017 heeft [naam 1] een WhatsApp-bericht gestuurd aan [eiser] om het indicatieve aanbod van Internazionale, dat zij eerder mondeling bespraken, op hoofdlijnen nog eens te bevestigen:
“[15/12/2017, 09:33:43] [naam 1] : Hi [eiser] ik zou je nog het overzicht appen zoals van de week besproken...bij deze:
1. Duration: The contract commences on 1 July 2018 and will run until 30 June 2023.
2. Basic annual salary: EUR 4,000,000 net per annum. (…)”
2.11.
Op 2 januari 2018 heeft [naam 1] een concept arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale ontvangen. In dit concept is zowel bij Internazionale als bij [eiser] het vakje aangekruist dat ze zijn bijgestaan door een sportmakelaar, maar zonder dat hierbij een naam is vermeld.
2.12.
Ondertussen zijn ook nog onderhandelingen met Lazio over een verlenging van het contract tot medio 2019 gaande, waarbij SEG ook is betrokken. Op 8 januari 2018 heeft [naam 2] een e-mail gestuurd aan [naam 4] . Hierin staat, voor zover relevant:
“(…) As specifically requested by our client (hereinafter “the Player”), we herewith provide you with our counterproposal in response to your offer dated 30 December 2017. (…)
Sell on
The player is to be paid a fee (based on the total Transfer Fee receivable and without any deductions) by the Club, in case he’s transferred to another football club. The Player is entitled to a 10% gross payment of the Net Transfer Amount. (…)
Agency Commission:
EUR 737,500 excluding VAT to be paid in three (3) instalments:
EUR 337,500 excluding VAT;
EUR 200,000 excluding VAT;
EUR 200,000 excluding VAT.
The Club engaged the services of the Intermediary and the Club agrees to remunerate the Intermediary on behalf of the Club for his services in connection with negotiating an employment contract signed between the Player and the Club. All sums stated as payable to the Intermediary shall be rendered to the Intermediary free of any (Italian) withholding tax, income tax, stamp tax, value added tax or equivalent and charge to the bank account nominated by the Intermediary to the Club in writing in cleared funds and without any deduction. (…)”
[naam 4] heeft deze e-mail vervolgens zelf op 10 januari 2018 doorgestuurd naar [eiser] , met als begeleidende tekst: “Dit is de e-mail met het voorstel van SEG”.
2.13.
Bij de onderhandelingen met Lazio heeft namens SEG [naam 3] in een e-mail van 14 januari 2018 geschreven aan [eiser] :
“(…) In een eerdere mail hebben ze aangegeven dat we wel een oplossing vinden, maar die kennen we van Lazio. Moet keihard op papier komen, anders gaat het maanden duren voordat je je geld hebt. (…)
Dus als één detail door [eiser] wordt gemist dan verliest hij zijn aanspraak en we weten allemaal waar Lazio op uit is, want de volgende zin luidt: ‘In no other case, with exception of written agreement signed by the player and S.S. Lazio SpA legal representative, the sports company will be obliged to pay any sum arising from the transfer of the player’. Die zin moet er sowieso uit. Maar is al duidelijk dat ze een voorbehoud maken om niet uit te hoeven betalen. geeft mij al natte voeten.
En dan spelen ze bij Lazio heel slim good cop ( [naam 6] ) / bad cop ( [naam 7] ), dus als [eiser] erover gaat beginnen dan zal [naam 6] het wel wegpoetsen bij [eiser] , maar neemt niet weg wat de intentie van Lazio is (althans, die is mij volkomen duidelijk). (…)”
2.14.
In dezelfde periode half december 2017/begin januari 2018 heeft SEG aan [eiser] een aantal carrièreopties gepresenteerd, in een presentatie die zij voor [eiser] had gemaakt. In de presentatie stond, onder meer met betrekking tot Internazionale:


2.15.
Op 15 januari 2018 heeft [naam 1] aan [eiser] een e-mail gestuurd met betrekking tot de onderhandelingen van SEG met Lazio. Hierin staat, voor zover relevant:
“(…) [naam 8] , [naam 2] en ik gaan vandaag en morgen werken aan een antwoord email voor Lazio en een voor jou en ons acceptabele, waterdichte versie van de documenten. Je weet dat de kans erg klein is dat we er met Lazio op alle essentiële punten uit gaan komen, maar ‘we will give it try’. Mocht het inderdaad niet lukken dan winnen we er sowieso tijd mee, wat handig is voor het beslissingsproces. (…)”
2.16.
Ook [naam 8] (hierna: [naam 8] ), op dat moment ook werkzaam voor SEG, heeft op 26 januari 2018 een e-mail gestuurd aan [eiser] over de onderhandelingen met Lazio:
“(…) Wij proberen de juiste deal te krijgen voor jou en het moet niet zo zijn dat er getwijfeld wordt aan onze goede intenties. Onze advocaat in Italië heeft overigens moeite om een waterdichte opinie af te geven. Wij zijn nog in gesprek met ze maar het wordt lastig. (…)”
2.17.
SEG heeft op 1 februari 2018 nogmaals een presentatie gegeven aan [eiser] over zijn carrièreopties. In deze presentatie staat, voor zover relevant:


2.18.
Een week na de presentatie van SEG heeft nog een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en SEG. Tijdens deze bespreking zijn de verschillende opties nogmaals besproken.
2.19.
Op 26 februari 2018 heeft [eiser] bij hem thuis, in aanwezigheid van in ieder geval [naam 1] en enkele anderen, de arbeidsovereenkomst met Internazionale getekend. Begin maart 2018 heeft Internazionale deze arbeidsovereenkomst getekend. De arbeidsovereenkomst tussen hen is uiteindelijk gedateerd op 29 maart 2018.
[eiser] heeft getekend voor een vijfjarig contract met bruto basisloon voor vijf jaar van € 37.540.000 exclusief bonussen. De maximaal te behalen (bruto) bonussen bedragen jaarlijks € 2.148.000. Het maximaal te behalen bruto salaris inclusief bonussen bedraagt voor vijf jaar dus € 48.280.000. Daarnaast heeft Internazionale zich in de arbeidsovereenkomst verplicht om het brutoloon indien nodig aan te vullen zodat [eiser] een nettoloon ontvangt van in totaal € 20.250.000 voor vijf jaar. Er is geen doorverkoop-vergoeding opgenomen.
Daarnaast staat in de arbeidsovereenkomst tussen Internazionale en [eiser] dat SEG als intermediair voor Internazionale is opgetreden en niet voor [eiser] : (in de Nederlandse vertaling). [eiser] heeft deze pagina ook geparafeerd.


2.20.
SEG, vertegenwoordigd door [naam 2] , is op 7 maart 2018 een commissieovereenkomst overeengekomen met Internazionale (hierna: de Commissieovereenkomst) waarin de bezoldiging van SEG voor haar werkzaamheden ten aanzien van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale is vastgelegd:
“(…) E. Intermediary hereby declares and guarantees he shall carry out his activity exclusively in the interest of the Club. The intermediairy does not represent the player. (…)
3. As for the activity that the Intermediary shall carry out in the interest of Club, but at the double condition that, within 10 July 2018:
a) Club and the Player effectively enter into a sport labour contract, such a contract to be till 30 June 2023 for a whole fixed gross salary (any variable amount excluded) equal or lower than € 50.000.000,00 (fifty million euro); and
b) the Player is effectively registered at Club without Club paying any transfer amount and/or transfer fee related to the Player to S.S. Lazio;
then Club shall pay the Intermediary the whole amount of € 7.500.000,00 (seven million five hundred thousand euro), Club Agent Fee, which shall be paid as follows:
a) € 2.500.000,00 within 15 July 2018
b) € 2.500.000,00 within 15 February 2019
c) € 2.500.000,00 within 15 July 2019
The Club Agent Fee is unconditional, irrevocable and non-refundable (even in such case the Player is temporarily or permanently transferred to another club prior to the above mentioned due dates, the Intermediary will remain to be entitled to the Club Agent Fees as scheduled above) (…)”
Daarnaast is volgens artikel 5 van de Commissieovereenkomst tussen SEG en Internazionale SEG gerechtigd tot een voorwaardelijke vergoeding ter hoogte van in totaal twee miljoen euro (€ 2.000.000,-) indien uiterlijk op 10 juli 2018 tussen [eiser] en Internazionale een arbeidsovereenkomst voor de seizoenen 2018-2019 tot en met 2022- 2023 voor een maximaal basis brutosalaris van vijftig miljoen euro (€ 50.000.000) hebben ondertekend en [eiser] zich bij Internazionale heeft aangesloten zonder dat Internazionale aan Lazio een transfervergoeding dient te betalen. Dit bedrag wordt in tranches uitbetaald
van € 200.000,- per half jaar dat [eiser] aan Internazionale is verbonden.
2.21.
Ook heeft SEG, vertegenwoordigd door [naam 2] , een samenwerkings-overeenkomst met Internazionale gesloten (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst). Hierin is bepaald dat bij een transfer van [eiser] naar een derde-club en SEG uitsluitend zal optreden voor Internazionale, SEG gerechtigd is tot een gegarandeerde vergoeding van 7,5% van de transfervergoeding die effectief zal worden ontvangen door Internazionale.
2.22.
Bij e-mail van 17 september 2019 heeft de fiscaal adviseur van [eiser] , [naam 9] van Maisti e Associati, een memorandum gestuurd met betrekking tot fringe benefits [secundaire arbeidsvoorwaarden / extralegale voordelen, rb]. In deze e-mail staat, voor zover relevant:
“(…) please find below a high-level assessment for Mr. [eiser] (hereafter the “Client” or “Player”) regarding his risk exposure from an individual income tax standpoint vis-à-vis the possible claim by the Italian tax authorities concerning the existence of a fringe benefit.
(…)
In particular over the past years, Italian tax authorities have challenged the existence of taxable fringe benefits received by football players in connection with the services of sport agents, in cases where it was argued that the costs for the services was borne by the club whereas the agent acted in the negotiations with the latter exclusively (or almost exclusively) for the player’s benefit.
(…)
- in some cases (most notably related to the fiscal years 2016 onwards) Italian tax authorities had challenged that half of the fee incurred by clubs constituted a taxable fringe benefit for the player (…) in other cases (most notably related to the fiscal years 2013-2015, where a specific rule dealt with the matter) the amount of fringe benefit was lower and was determined in the amount of 15% of the fee paid to the agent
(…)
in some cases Italian tax authorities have raised the claim concerning the fringe benefit against the clubs, which have then recovered from the player the higher taxes paid to the
aforementioned authorities; in other cases Italian tax authorities have raised the claim against the players who — in addition to the taxes — were charged with administrative penalties ranging from a minimum of 90% up to a maximum of 180% of the taxes allegedly unpaid, plus interest;
(…)
However, based on the information I received, in the case at stake the Agency acted exclusively on behalf of the Club whereas the Player was not represented by an agent in the occasion of his registration at the Club. We are aware that in a number of cases the Italian tax authorities have challenged similar contractual settings particularly if the entire commission received by the Agent was borne by the Club.
On the basis of our experience, in these cases the risk of challenge regarding the existence of a fringe benefit is rather material. In this specific case, the risk is exacerbated by the fact that from internet searches, it seems that the Player has a long-standing relationship with the Agency as confirmed by the Agent’s website https://seginternational.com/football/ as well as by other public sources https://wwwtransfermarkt.it/seg-sports-entertainment-group/beraterfirma/berater/586 where the Player is listed as one of the players which are represented by the Agency. Irrespective of whether this information is accurate it may well be used by the Italian tax authorities to argue that, despite the absence of a contractual agreement between the Player and the Agent, nonetheless the Agent acted for the benefit of the Player, rather than the Club.
In many cases, Italian tax authorities have indeed used publicly available information (eg. on the internet or on newspapers) as indicia supporting the existence of a fringe benefit, most notably to provide evidence of the fact that the agent, although formally appointed by the Club (as in the case at stake), was in fact acting for the exclusive benefit of the player due to the fact that based on the information available on the media the agent appeared a defacto representative of the player.
In such situations, unless the player is able to prove the contrary (ie. that the agent genuinely acted exclusively in the benefit of the club), the risk of a challenge by the Italian tax authorities is rather likely to materialize in case the latter starts a tax audit to examine the position of the player. (…)”
2.23.
Bij brief van 25 september 2019 hebben advocaten, de heer Ledure en de heer Janssens, van het Belgisch advocatenkantoor Cresta verzocht om overlegging van de contracten tussen Internazionale en SEG over de vergoeding die SEG zou hebben ontvangen voor de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale.
2.24.
Op 2 oktober 2019 hebben [naam 3] en [naam 2] een bespreking gehad met de broer van [eiser] , [naam 10] . Tijdens deze bespreking heeft [naam 2] kopieën van de Commissieovereenkomst en de Samenwerkingsovereenkomst met [naam 10] gedeeld.
2.25.
Op 4 oktober 2019 heeft [naam 10] een e-mail verstuurd aan [eiser] met betrekking tot het salaris van [eiser] en de vergoeding die SEG heeft ontvangen voor deze transactie. [naam 10] heeft hierbij ook enkele berekeningen gemaakt en hij heeft, onder meer geschreven:
“(…) SEG heeft 12% commissie verdient op jouw deal. Volgens het contract is dit 9.500.000. Deze is zoals onderstaand opgebouwd met daarbij de volgende uitleg:
1. over jouw salaris in 5 jaar is 12% verdient;
2. SEG is ook beloond voor het feit dat jouw salaris onder de 50.000.000 is gebleven. (…)
3. ongeacht het feit dat je transfervrij naar Inter bent gegaan vertegenwoordigde je een marktwaarde. SEG heeft deze vastgezet over 25.000.000 en heeft hierover 12%, dus totaal 3.000.000 verdiend;
4. SEG heeft ook verdient over jouw bonussen (…)
5. de onderstaande berekening komt uit op totaal 9.550.200 commissie. Dit heeft met naar beneden afgerond in het contract tussen SEG en Inter naar 9.500.000; (…)”
2.26.
[eiser] heeft met brieven via de advocaten van Cresta van 23 december 2019 en 21 februari 2020 getracht buiten rechte tot afspraken te komen. Dit is niet gelukt.
Bij brief van 25 november 2019 en daarna bij brief van 10 januari 2020 is door SEG elke aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.27.
In december 2020 heeft [eiser] van de Italiaanse belastingdienst een aanslag ontvangen. Deze ziet op de door SEG van Lazio ontvangen commissie over de jaren 2014 en 2015, waarbij de Italiaanse belastingdienst de commissie van SEG voor 15 % heeft toegerekend aan het salaris van [eiser] en hem daarvoor fiscaal heeft belast en een administratieve boete heeft opgelegd.
Regelgeving FIFA / KNSB / FIGC
2.28.
De wereldwijde voetbalbond, de Fédération Internationale de Football Association (hierna: de FIFA) heeft in 2015 Regulations on Working with Intermediaries (RWI) ingevoerd.
In artikel 5 is bepaald over het schriftelijk vastleggen van de overeenkomst, voor zover relevant:
“(…) 2. The main points of the legal relationship entered into between a player and/or club and an intermediary shall be recorded in writing prior to the intermediairy commencing his activities. (…)”
In artikel 7.3, over de betaling aan de intermediair, is bepaald, voor zover relevant:
“(…) a) the total amount of remuneration per transaction due to intermediairies who have been engaged to act on a player’s behalf should not exceed three per cent (3%) of the player’s basic gross income for the entire duration of the relevant employment contract
b) the total amount of remuneration per transaction due to intermediairies who have been engaged to act on a club’s behalf in order to conclude a employment contract with a player should not exceed three per cent (3%) of the player’s basic gross income for the entire duration of the relevant employment contract. (…)”
In artikel 8.2 is bepaald over eventuele belangenconflicten, voor zover relevant:
“(…) No conflict of interest would be deemed to exist if the intermediary discloses in writing any actual or potential conflict of interest he might have with one of the other parties involved in the matter, in relation to a transaction, representation contract of shared interests, and if he obtains the express written consent of all the other parties involved prior to the start of the relevant negotiations.”
2.29.
Op basis van de RWI dienen de nationale voetbalbonden een aantal regels in hun lokale reglementen ten aanzien van intermediairs op te nemen. In Nederland heeft de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (de KNVB) de RWI geïmplementeerd in het ‘Reglement Intermediairs’ (het RI). In Italië heeft het FIGC de RWI geïmplementeerd in het ‘Regolamento Per I Servizi di Procuratore Sportivo’ (het RSPS).
SEG en [naam 2] staan als intermediair geregistreerd bij zowel de KNVB als de FIGC.
2.30.
Het RI en het RSPS bevatten een aantal bepalingen ten aanzien van
vertegenwoordigingsovereenkomsten tussen intermediairs en spelers en/of clubs.
Beide reglementen schrijven voor dat een dergelijke overeenkomst schriftelijk moet worden vastgelegd en dat deze schriftelijke vertegenwoordigingsovereenkomst moet worden geregistreerd bij de relevante voetbalbond (artikel 6 lid 1 RI en artikel 3.1 en 5.1 RSPS). Daarnaast schrijft het RI en het RSPS duidelijk voor dat een vertegenwoordigingsovereenkomst met een intermediair niet kan worden afgesloten voor een periode langer dan twee jaar (artikel 6 lid 2 RI en artikel 5.1 RSPS).
Spelers en clubs zijn ook verplicht ervoor zorg te dragen dat in de arbeidsovereenkomst tussen de speler en de club wordt vermeld welke intermediair voor de speler en voor de club heeft opgetreden (artikel 7 RI en artikel 3.4 RSPS). De intermediair is verplicht in het spelerscontract het bedrag en de voorwaarden te vermelden dat de intermediair zal ontvangen in verband met de onderhandelingen betreffende de totstandkoming van het contract (artikel 5 lid 1 sub h en artikel 8 van het RI en artikel 6.2 van het RSPS).
Indien de speler of club zich niet heeft laten vertegenwoordigen door een intermediair dient daar ook expliciete vermelding van worden gemaakt in de arbeidsovereenkomst. In artikel 8 lid 6 van het RI en artikel 6.3 RSPS wordt voor het geval geen afspraken zijn gemaakt over de hoogte van de aan een intermediair te betalen vergoeding als uitgangspunt geformuleerd dat gedurende de gehele looptijd van het spelerscontract een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van 3% van het door de speler en de club overeengekomen bruto jaarsalaris inclusief tekengeld naar rato, exclusief al dan niet gegarandeerde premies en/of bonussen.
2.31.
Tot medio 2019 was SEG lid van Pro Agent, een erkende vereniging van intermediairs in het betaald voetbal. Voor de leden van Pro Agent geldt een vastgestelde gedragscode. Kort samengevat houden de regels, voor zover hier van belang, in: de intermediair is verplicht misverstand over de hoedanigheid waarin hij optreedt te vermijden (regel 5), verplicht tot transparantie bij het opstellen van de declaratie en verplicht om op eigen initiatief het honorarium bekend te maken (regel 13), verplicht om afspraken schriftelijk vast te leggen (regel 16) en bepaalt dat het belang van de opdrachtgever te allen tijde bepalend is voor de wijze waarop de zaakwaarnemer zijn zaken dient te behandelen (regel 17). In regel 20 is een verbod neergelegd om zich met de behartiging van de belangen van twee of meer partijen te belasten indien de belangen van deze partijen tegenstrijdig zijn of een daarop uitkomende ontwikkeling aannemelijk is en de zaakwaarnemer dient voorts te allen tijde de reglementen van de KNVB en de FIFA met betrekking tot een mogelijk belangenconflict na te leven. Waar nodig ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil dient de zaakwaarnemer belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn opdrachtgever te bevestigen (regel 21).
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert samengevat – uitvoerbaar bij voorraad:
I. a. te verklaren voor recht dat SEG tekort is geschoten in de nakoming van de op SEG als opdrachtnemer uit hoofde van artikel 7:401 Burgerlijk Wetboek (BW) rustende verbintenissen en SEG heeft gehandeld in strijd met het in artikel 7:417 en 7:418 jo. artikel 7:425 BW bepaalde, althans te verklaren voor recht dat SEG jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld althans SEG ten koste van [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt, enb. SEG te veroordelen tot vergoeding en betaling van de door [eiser] tengevolge van het tekortschieten c.q. onrechtmatig handelen c.q. de ongerechtvaardigde verrijking van SEG geleden schade zijnde:Seizoen 2018/2019 € 10.000.000,- minus € 7.880.000,- = € 2.120.000,-- (bruto)Seizoen 2019/2020 € 10.000.000,- minus € 7.415.000,- = € 2.585.000,-- (bruto)Seizoen 2020/2021 € 10.000.000,- minus € 7.415.000,- = € 2.585.000,-- (bruto) envoorts met betrekking tot de seizoenen 2021/2022 en 2022/2023 te veroordelen tot vergoeding en betaling van de door [eiser] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de tekortkoming, althans het onrechtmatig handelen c.q. de ongerechtvaardigde verrijking zijnde 8 maart 2018, althans vanaf de data van de ontvangst door SEG van de met Internazionale overeengekomen betalingen, althans vanaf de datum der dagvaarding;
II. primair te verklaren voor recht dat SEG jegens [eiser] terzake de bemiddeling van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale voor de seizoenen 2018/2019 tot en met 2022/2023 geen recht heeft op loon,subsidiair te bepalen dat bij de bepaling van de door SEG aan [eiser] te vergoeden schade rekening dient te worden gehouden met een redelijk loon zijnde 3% van het bruto jaarsalaris per seizoen dat [eiser] vanaf het seizoen 2018/2019 tot en met het seizoen 2022/2023 in dienst van Internazionale speelt tegen het overeengekomen bruto jaarsalaris van € 7.880.000,- over het seizoen 2018/2019 en € 7.415.000,- bruto voor de daaropvolgende seizoenen, althans een op de gebruikelijke wijze berekend loon van 7,25% van het bruto jaarsalaris per seizoen dat [eiser] vanaf het seizoen 2018/2019 tot en met 2022/2023 in dienst van Internazionale speelt tegen het overeengekomen bruto jaarsalaris van € 7.880.000,- bruto voor het seizoen 2018/2019 en € 7.415.000,- bruto voor de volgende seizoenen;
III. SEG te veroordelen om [eiser] Euro voor Euro te vrijwaren en schadeloos te stellen terzake alle naheffingen, boetes en/of rente die – onder welke benaming ook – door de Italiaanse belastingadministratie aan [eiser] mochten worden opgelegd uit hoofde van fringe benefits terzake de bemiddeling van SEG voor de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Inter Milan ondertekend op 29 maart 2018;
IV. SEG te veroordelen tot vergoeding en betaling aan [eiser] van de door [eiser] geleden vermogensschade bestaande in buitengerechtelijke kosten conform BGK zijnde € 6.775,-;
V. Met veroordeling van SEG in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.
3.2.1.
SEG heeft haar verplichtingen jegens [eiser] om de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen en het verbod op het dienen van twee heren geschonden. Ook heeft SEG in strijd met de wet alsook de van toepassing zijnde reglementen RI en RIW alsook de gedragscode van Pro Agent [eiser] niet geïnformeerd over haar eigen belang. Het eigen belang van SEG houdt in dat zij bij de totstandkoming van het contract met Internazionale en zonder [eiser] daarover in te lichten een exorbitante vergoeding van Internazionale heeft bedongen. Daarmee heeft SEG haar verplichting om voor [eiser] een zo optimaal mogelijk contract uit te onderhandelen niet nagekomen aangezien SEG een rechtstreeks aan het belang van [eiser] strijdig eigen belang heeft gediend. Daarmee heeft SEG tevens een onrechtmatige daad gepleegd.
3.2.2.
Als gevolg daarvan vordert [eiser] onder I. de schade die hij hierdoor heeft geleden. [eiser] lijdt voor elk seizoen dat hij bij Internazionale in dienst is een schade van (€ 50.000.000/5) = € 10.000.000 minus het brutosalaris dat [eiser] op grond van zijn arbeidsovereenkomst met Internazionale feitelijk heeft en/of zal ontvangen. Dit komt uit op een totaal van € 12.460.000,-. Terzake de schadevergoeding op de grondslag ongerechtvaardigde verrijking beperkt [eiser] de vordering tot € 9.500.000,-.
Ten aanzien van de vordering onder II. stelt [eiser] zich op het standpunt dat het recht van SEG op beloning gezien het vorenstaande vervallen is. In geval SEG wel recht zou hebben op loon dient dit te worden bepaald op een redelijk loon.
3.2.3.
[eiser] stelt ten aanzien van de fiscale vrijwaring dat er een aanzienlijk fiscaal risico is gecreëerd doordat in de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale is opgenomen dat SEG als intermediair voor Internazionale is opgetreden in plaats van voor [eiser] , terwijl het in de praktijk andersom was. De Italiaanse belastingdienst kan dit zien als indirect loon van [eiser] en [eiser] hiervoor een aanslag op leggen. Dat is schade voor [eiser] .
3.2.4.
Tot slot vordert [eiser] een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten voor de werkzaamheden van de Belgische advocaten van Cresta en zijn Nederlandse advocaten. Op basis van de wettelijke staffel wordt het maximale bedrag van € 6.775,- gevorderd.
3.3.
SEG voert verweer.
3.3.1.
SEG is een van de actoren in de sportsector, die zich tussen partijen, als market maker, in beweegt en contact onderhoudt met meerdere partijen. Dit betekent uitdrukkelijk niet dat zij met iedere partij waarmee ze contact onderhoudt een contractuele rechtsverhouding heeft. Zo is met [eiser] in de loop der jaren contact geweest maar dat betekent niet dat daardoor SEG de belangen van [eiser] vertegenwoordigde en er een contractuele relatie is ontstaan. [eiser] heeft immers ook nooit voor enige door SEG verleende dienst betaald. Deze rol van market maker is ook in lijn met de rol van intermediar zoals bedoeld in de RWI, een bemiddelaar in een transactiestelsel waar per transactie wordt vastgelegd wie de intermediar vertegenwoordigt.
Omdat er geen overeenkomst tussen SEG en [eiser] tot stand is gekomen ten aanzien van de bemiddeling voor de arbeidsovereenkomst kan van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van enige verbintenis door SEG ten opzichte van [eiser] dus geen sprake zijn.
3.3.2.
Voor zover enige contractuele relatie is ontstaan tussen [eiser] en SEG, dan is dat op basis van de hiervoor geschetste feiten geen bemiddelingsrelatie als bedoeld in artikel 7:425 BW geweest. Artikelen 7:425 tot en met 7:427 BW en artikelen 7:417 en 7:418 BW zijn dus niet van toepassing. En voor zover wel, heeft SEG niet in strijd met artikel 7:417 lid 1 of 7:418 lid 1 BW heeft gehandeld. [eiser] is derhalve loon verschuldigd aan SEG.
SEG heeft verder geen enkele norm geschonden, zodat van een onrechtmatige daad jegens [eiser] geen sprake kan zijn.
3.3.3.
Voor zover de rechtbank wel oordeelt dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming of onrechtmatig handelen, dan geldt dat [eiser] geen schade heeft geleden. Het causaal verband ontbreekt tussen het handelen van SEG en de door [eiser] gevorderde schade.
3.3.4.
[eiser] heeft onderhavige procedure geïnitieerd op basis van een verkeerde interpretatie van overeenkomsten waarbij hij geen partij is en de daarop gebaseerde misvatting dat hij onvoldoende vergoeding heeft gekregen bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met Internazionale. Daarnaast is hij kennelijk op basis van door derden (lichtvaardig) ingewonnen advies in de veronderstelling geraakt dat hij mogelijk een fiscaal risico loopt. Onduidelijk is waarom SEG dit beweerdelijke fiscale risico zou moeten wegnemen. Dit geldt te meer nu Internazionale reeds bij voorbaat alle fiscale risico’s heeft willen wegnemen onder de voorwaarde dat [eiser] niet zelf het fiscale risico zou creëren. Alle vorderingen van [eiser] liggen voor afwijzing gereed.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Partijen werken al jaren met elkaar samen. SEG heeft [eiser] vaak geholpen bij het aangaan van arbeidscontracten met verschillende voetbalclubs. Tussen partijen is een geschil ontstaan over hoe deze rechtsverhouding tussen hen moet worden gekwalificeerd en wat daarvan de gevolgen zijn. [eiser] dacht dat SEG zijn spelersmakelaar was en hij vindt dat SEG niet eerlijk tegenover hem is geweest over de vergoeding die zij ontving voor haar diensten en dat hij hierdoor is benadeeld.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.2.
Aangezien [eiser] in Italië woonachtig is en SEG in Nederland is gevestigd, heeft de zaak een internationaal karakter en zal de rechtbank eerst ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil van partijen. Gedaagde, SEG, is gevestigd in de Europese Unie en de vordering in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, beantwoord wordt aan de hand van de Brussel I-bis-Verordening.1.De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis bevoegd van de vordering kennis te nemen, omdat de gedaagde, SEG, in Nederland is gevestigd.
4.3.
De vraag welk recht van toepassing is, wordt enerzijds beantwoord op basis van Rome I-Verordening2., voor de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen. Op grond van artikel 3 van Rome I kunnen partijen op elk moment een rechtskeuze maken. Anderzijds wordt de vraag beantwoord aan de hand van Rome II-Verordening3.waar het de onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking betreft. Op grond van artikel 14 lid 1 van Rome II kunnen partijen nadat de schade zich heeft voorgedaan schriftelijk dan wel mondeling, indien dit voldoende blijkt uit de omstandigheden, een rechtskeuze maken. Op grond van zowel Rome I als Rome II kunnen partijen dus een rechtskeuze maken. Beide partijen hebben ingestemd met toepassing van Nederlandse recht. De rechtbank zal dan ook het Nederlands recht toepassen.
Kwalificatie rechtsverhouding [eiser] en SEG
4.4.
[eiser] stelt dat er een contractuele relatie bestaat tussen hem en SEG. [eiser] voert hiertoe – kort samengevat – aan dat SEG hem al vanaf zijn Feyenoord-periode bij staat als spelersmakelaar. In onderhandelingen met voetbalclubs behartigde SEG ook altijd, uitsluitend, zijn belang.
4.5.
SEG betwist dat er sprake is van een contractuele relatie tussen haar en [eiser] . SEG geeft aan met een deel van de spelers een vaste vertegenwoordigingsovereenkomst te hebben, maar in dit geval niet met [eiser] . In de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale is vastgelegd dat Internazionale werd bijgestaan door SEG en [eiser] niet werd vertegenwoordigd door een spelersmakelaar en [eiser] heeft deze arbeidsovereenkomst ondertekend. Als [eiser] meent dat er tussen hem en SEG een stilzwijgende overeenkomst tot stand is gekomen, houdt dit ten eerste geen stand op basis van de feitelijke gedragingen van partijen. SEG heeft in haar rol als market maker namelijk contact met spelers en clubs om partijen bij elkaar te brengen. Zij behartigt daarbij zowel het belang van de club als van de speler, want alleen als beide partijen het eens zijn over de voorwaarden komt er een transactie tot stand. Daarnaast is een stilzwijgende vertegenwoordigingsovereenkomst niet verenigbaar met de regelgeving van het RWI, RI en RSPS. Daarin is immers bepaald dat vertegenwoordigingsovereenkomsten schriftelijk moeten worden aangegaan, bij betreffende nationale voetbalbond moeten worden gedeponeerd en maximaal voor twee jaar mogen worden aangegaan (zie 2.28 en 2.30). Ook heeft [eiser] SEG nooit betaald voor haar diensten en SEG heeft [eiser] ook geen factuur daarvoor gezonden, aldus SEG.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 7:425 BW is bepaald dat een bemiddelingsovereenkomst een overeenkomst van opdracht is waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt tegen loon als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden.
De vereisten voor het bestaan van een bemiddelingsovereenkomst tussen partijen houden dus in: (i) de opdrachtnemer moet als tussenpersoon werkzaam zijn bij het tot stand brengen van overeenkomsten tussen zijn opdrachtgever en een derde, (ii) de bemiddelaar moet op naam van de opdrachtgever handelen, (iii) bemiddelaar treedt op tegen loon, maar een bemiddelingsovereenkomst kan ook worden aangenomen, indien geen loon is afgesproken, en (iv) de tussenpersoon is werkzaam bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden. Dat houdt in dat de tussenpersoon werkzaamheden verricht die dienstbaar zijn aan het tot stand komen van de overeenkomsten.
4.7.
[eiser] heeft met Internazionale een overeenkomst getekend waarin is bepaald dat SEG optrad voor Internazionale en niet voor [eiser] (zie 2.19). Dat is een onderhandse akte die ingevolge artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tussen partijen dwingend bewijs oplevert van hetgeen daarin is opgenomen. De partijen zijn in dit geval [eiser] en Internazionale en SEG is daarbij een derde belanghebbende. Het dwingend bewijs geldt alleen ten opzichte van de wederpartij van de akte. Jegens een derde (SEG) biedt de akte vrij bewijs. Uit de akte blijkt namelijk niet van hun bedoeling zich jegens de Internazionale of [eiser] bewijsrechtelijk te binden (HR 20-1-2012 ECLI:NL:HR:2012:BU3100). Wel biedt de akte aanleiding tot het voorshands bewijs dat SEG namens Internazionale heeft opgetreden.
Tegen voorshands bewijs kan door [eiser] tegenbewijs worden geleverd. Het tegenbewijs kan bestaan uit het bewijs van een bemiddelingsovereenkomst tussen [eiser] en SEG.
4.8.
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding, daarbij hoeven aanbod en aanvaarding niet uitdrukkelijk plaats te vinden, zij kunnen in elke vorm geschieden - dus ook stilzwijgend - en kunnen besloten liggen in één of meer gedragingen. Het hangt dus af van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.
4.9.
Beoordeeld moet dus worden of er een opdrachtverhouding heeft bestaan tussen [eiser] en SEG. Het standpunt van SEG dat stilzwijgend een bemiddelingsovereenkomst sluiten niet mocht op basis van de regelgeving van de FIFA, KNVB en FIGC is niet doorslaggevend. Deze bepalingen van regelgeving binnen een bepaalde sport staan niet gelijk aan wetgeving. Zij kunnen wel tuchtrechtelijke gevolgen hebben binnen de sportfederatie waartoe de intermediair behoort. Het is een omstandigheid die kan worden meegewogen, maar niet van doorslaggevende betekenis naar het hier toepasselijke Nederlands recht. Naar Nederlands recht hoefde de bemiddelingsovereenkomst niet schriftelijk te worden aangegaan (artikel 7:427 jo. 7:417 lid 2 jo. 7:408 lid 3 BW) nu [eiser] handelde in de uitoefening van zijn beroep.
4.10.
Zoals hiervoor gesteld en artikel 7:427 BW (laatste volzin) ook bevestigt, is het niet noodzakelijk voor het bestaan van een bemiddelingsovereenkomst dat de bemiddelaar door [eiser] wordt betaald. De betaling door een opdrachtgever ( [eiser] ) aan de bemiddelaar (SEG) kan daarvoor wel een aanwijzing zijn, maar de betaling door de opdrachtgever ( [eiser] ) is niet beslissend. Het kwam meer voor dat de club de vergoeding voor de tussenpersoon direct betaalde, zonder tussenkomst van [eiser] . Dit deed Feyenoord ook, terwijl in dat contract SEG ( [naam 2] ) als tussenpersoon van [eiser] was benoemd. De stelling van SEG dat [eiser] hieruit de conclusie had moeten trekken dat SEG niet voor hem optrad gaat dus niet op.
4.11.
[eiser] heeft ter onderbouwing van het feit dat SEG voor hem heeft bemiddeld diverse e-mails, social media uitingen en presentaties die SEG voor hem heeft gemaakt, overgelegd.
Hoewel het gaat om de vaststelling van een opdrachtrelatie tussen SEG en [eiser] omtrent de arbeidsovereenkomst met Internazionale, zijn ook de feitelijke gedragingen over de onderhandelingen met Lazio relevant. Die onderhandelingen vonden namelijk voor een groot deel plaats in dezelfde periode en zoals SEG ter zitting heeft verklaard, gingen de onderhandelingen tussen SEG en Lazio op dezelfde wijze als die tussen SEG en Internazionale. [eiser] stelt dat in beide gevallen duidelijk is dat SEG zijn belang behartigde. Ten aanzien van de onderhandelingen met Internazionale zijn er geen e-mails. Omdat beide partijen bang waren dat die contacten zouden uitlekken is dit grotendeels mondeling gegaan.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat SEG handelde naar het belang van [eiser] en dit naar voren bracht in de onderhandelingen met de club. Het gaat hierbij met name om de volgende stukken:
- -
Het bericht op Instagram waarbij SEG benoemt dat [eiser] haar ‘cliënt’ is (zie 2.7)
- -
De e-mail van [naam 2] aan [naam 4] , van Lazio, waarin hij heeft geschreven dat [eiser] de cliënt is van SEG: “specifically requested by our client (hereinafter “the Player”)” (zie 2.12)
- -
In een e-mail van [naam 3] aan [eiser] omtrent de onderhandelingen met Lazio heeft [naam 3] zich negatief uitgelaten over de onderhandelingswijze van Lazio en duidelijk advies gegeven aan [eiser] in zijn voordeel (zie 2.13)
- -
De presentatie van eind december 2017/januari 2018 van SEG voor [eiser] bevat het volgende citaat: “It is not a bad thing to be transfer free; it has been your risk and your risk only and it should be your benefit. Don't let other people's interests influence you, it's your career!” (zie 2.14)
- -
[naam 1] heeft aan [eiser] een e-mail gestuurd omtrent de onderhandelingen met Lazio. [naam 1] heeft in de e-mail geschreven dat hij (uitsluitend) voor [eiser] en voor SEG zou zorgen dat de documenten in orde zouden zijn, en niet voor Lazio: “ [naam 8] , [naam 2] en ik gaan vandaag en morgen werken aan een antwoord email voor Lazio en een voor jou en ons acceptabele, waterdichte versie van de documenten”. (zie 2.15)
- -
Ook [naam 8] heeft aan [eiser] een e-mail gestuurd over de onderhandelingen met Lazio en duidelijk geschreven dat ze het beste willen voor [eiser] , en niets gezegd over het belang van Lazio: “Wij proberen de juiste deal te krijgen voor jou” (zie 2.16)
- -
De presentatie van SEG voor [eiser] van 1 februari 2018 over een keuze voor een volgende club sluit af met de woorden: “Whatever you choose, SEG will support you” (2.17)
Uit deze correspondentie en presentatie valt duidelijk af te leiden dat SEG op de hoogte is van wat [eiser] wil en hier ook naar handelt. In reactie hierop heeft SEG ter zitting aangegeven de belangen van beide partijen te behartigen. Hieruit kan worden afgeleid dat SEG in ieder geval ten dele voor [eiser] is opgetreden. Met andere woorden, door het verweer van SEG dat zij optreedt voor beide, ontkent SEG niet op te treden voor [eiser] . SEG heeft de stelling van [eiser] dat het op zijn niveau ook zeer ongebruikelijk is om zonder een spelersmakelaar een transfer naar een club als Internazionale overeen te komen, niet betwist. Hiermee is het tegenbewijs dat de letterlijke bewoordingen van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale niet de verhouding tussen SEG en [eiser] weerspiegelt geleverd. De bemiddelingsovereenkomst tussen [eiser] en SEG is dus rechtens vast komen te staan.
4.12.
In dit geval moet ervan uit worden gegaan dat SEG tevens bemiddelde voor Internazionale. Internazionale heeft ook het honorarium aan SEG betaald en tekende tevens de arbeidsovereenkomst waarin dit is opgenomen.
Het betoog van SEG dat zij optrad als market maker en daarbij een goede deal voor beide partijen tot stand probeerde te brengen, komt verder aan de orde bij de stelling van [eiser] dat SEG twee heren heeft gediend (7:417 BW)
Schending contractuele verplichting(en) ?
4.13.
Op grond van artikel 7:427 BW zijn de artikelen 7:417 BW (het verbod van dienen van twee heren) en artikel 7:418 BW (andere belangenverstrengeling) met betrekking tot lastgeving overeenkomstig van toepassing bij een overeenkomst van bemiddeling. Uit de laatste volzin van artikel 7:427 BW blijkt dat 7:417 en 7:418 BW ook (juist) van toepassing zijn indien de bemiddelaar voor beide partijen optreedt, maar slechts van één van die partijen loon heeft bedongen. Dat is hier namelijk het geval: SEG handelde als tussenpersoon voor [eiser] en de club, en kreeg hierbij betaald door de club.
De vraag is of SEG het verbod van het dienen van twee heren (artikel 7:417 BW) heeft overtreden door zowel als tussenpersoon voor [eiser] op te treden als voor de club, waarbij het dus niet relevant is dat SEG alleen werd betaald door de club. Daarnaast is het de vraag of SEG op grond van een andere vorm van belangenverstrengeling aansprakelijk is als bedoeld in artikel 7:418 BW.
4.14.
In artikel 7:417 BW is bepaald dat een lasthebber (hier de bemiddelaar) slechts tevens als lasthebber (bemiddelaar) van de wederpartij mag optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van beide lastgevers is uitgesloten.
4.15.
In artikel 7:418 is bepaald dat een lasthebber (bemiddelaar) buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 7:416 en 7:417 BW, verplicht is de lastgever (opdrachtgever) daarvan in kennis te stellen als de lasthebber (bemiddelaar) een direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling, tenzij de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten.
Met andere woorden, de bemiddelaar is gehouden de opdrachtgever op de hoogte te brengen van het belang dat hijzelf heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling (de mededelingsplicht).
4.16.
Het overtreden van 7:417 lid 1 en 7:418 lid 1 BW valt aan te merken als wanprestatie (zie voor artikel 7:417 lid 1 BW TM, Parl. Gesch. InvW 7, p. 348 en voor 7:418 BW Kamerstukken II 1991/92, 17779, 8, p. 6). Gevolg is volgens 7:417 lid 3 en 7:418 lid 2 BW het verval van recht op loon en gehoudenheid tot vergoeding van de dientengevolge geleden schade.
4.17.
Er is sprake van een situatie waarbij SEG optrad voor zowel [eiser] als de club, zoals SEG ook zelf erkent. De vraag is of daarbij sprake is van belangenverstrengeling, doordat ofwel SEG niet alleen het belang van [eiser] behartigde maar ook van Internazionale (het dienen van twee heren) ofwel SEG ook een eigen belang had en dit niet heeft medegedeeld (andere belangenverstrengeling).
4.18.
De rechtbank komt niet tot de conclusie dat SEG bij haar optreden in de onderhandelingen te veel het belang van Internazionale heeft behartigd. SEG heeft ter zitting wel gesteld dat met Internazionale is onderhandeld over het arbeidscontract met [eiser] , maar niet toegelicht wat die onderhandelingen inhielden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de schade die [eiser] meent te hebben geleden, is ontstaan doordat SEG het belang van Internazionale (te veel) heeft behartigd (geen dienen van twee heren).
Wat echter wel duidelijk is geworden, is dat SEG een eigen belang had bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen [eiser] en Internazionale. Bij totstandkoming van de overeenkomst kreeg SEG namelijk een (aanzienlijke) commissie.
Volgens artikel 7:418 BW hangt het er bij belangenverstrengeling van af of de bemiddelaar voldaan heeft aan haar mededelingsplicht. Als hij daaraan heeft voldaan, is er niet direct sprake van wanprestatie en schadeplichtigheid. SEG had [eiser] moeten mededelen dat en wat voor een commissie zij zou ontvangen als [eiser] en Internazionale een arbeidsovereenkomst zouden sluiten.
4.19.
SEG betoogt dat zij [eiser] hier meerdere keren over heeft ingelicht, [eiser] betwist dit.
SEG betoogt dat zij meerdere keren aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij een vergoeding van € 7,5 miljoen zou ontvangen bij totstandkoming van de transactie. Ook dat betwist [eiser] .
4.20.
SEG ontvangt echter niet een bedrag van € 7,5 miljoen, maar zelfs € 9,5 miljoen als [eiser] gedurende 5 jaar bij Internazionale blijft spelen. Dus als door nadere bewijsvoering de stelling van SEG komt vast te staan dat zij het bedrag van € 7,5 miljoen heeft medegedeeld aan [eiser] dan voldoet dit nog steeds niet aan de mededelingsplicht. Daarom wordt SEG niet toegelaten tot nadere bewijsvoering. SEG heeft namelijk niet volledige openheid van zaken gegeven door de aanvullende vergoeding van € 2.000.000,- in tranches van € 200.000,- niet te noemen. Daarnaast stelt SEG ook niet dat zij aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij een percentage van 7,5 % van de doorverkoopsom zou ontvangen als [eiser] tussentijds naar een andere club zou gaan en SEG daarbij zou bemiddelen, zoals overeengekomen in de Samenwerkingsovereenkomst. [eiser] heeft dit ter zitting ook niet verklaard. Hij heeft slechts gezegd dat hij de helft van de doorverkoopsom zou krijgen, maar niet hoe hoog die zou liggen. Ook dit is een schending van de mededelingsplicht.
SEG zou haar mededelingsplicht niet hebben geschonden als de inhoud van de rechtshandeling, te weten de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale, zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van [eiser] , Internazionale en SEG is uitgesloten. Uit het bovenstaande blijkt al dat de inhoud van de rechtshandeling niet zo nauwkeurig vaststaat dat er geen strijd van belangen zou kunnen zijn. [eiser] en SEG stellen beiden dat er is onderhandeld met Internazionale om tot de arbeidsovereenkomst te komen. Over hetgeen de uitkomst van de bemiddeling zou worden bestond vooraf dus nog geen duidelijkheid. Bovendien rust op SEG de stelplicht en bewijslast van het afwezig zijn van het gevaar voor een belangenconflict en dat heeft zij niet verder onderbouwd anders dan door de stelling dat zij [eiser] wel heeft medegedeeld dat de hoogte van haar vergoeding 7,5 miljoen was en dat [eiser] blij en tevreden was met zijn deel van de deal.
4.21.
Naast de schending van artikel 7:418 lid 1 BW is ook sprake van een schending van de FIFA reglementen, artikelen 5.2 en 8.2 (zie 2.28) en de Pro Agent regels. Volgens de FIFA reglementen diende een bemiddelingsovereenkomst op papier te staan en belangenconflicten te worden vermeden. Tot 2019 was SEG aangesloten bij Pro Agent en in die regels wordt bevestigd dat de afspraken tussen agent en speler helder moeten zijn en dat de intermediair bij twijfel de speler op de hoogte moet brengen van alle belangrijke informatie, feiten en afspraken (zie 2.31). Het niet hieraan voldoen vult de schending van de zorgplicht van SEG als bemiddelaar verder in.
4.22.
Er is dus sprake van een schending van artikel 7:418 BW door SEG.
Zoals hiervoor toegelicht in 4.16 is het gevolg van een schending van artikel 7:418 BW het verval van het recht op loon. Nu [eiser] geen loon heeft betaald aan SEG heeft dit geen gevolg. Los daarvan heeft [eiser] echter ook recht op schadevergoeding wegens deze schending (wanprestatie).
Nu sprake is van schending van artikel 7:418 BW en daardoor recht op schadevergoeding bestaat, behoeven de overige grondslagen, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad geen bespreking meer. Een ontbinding of vernietiging van de bemiddelingsovereenkomst of van de arbeidsovereenkomst is voor recht op schadevergoeding niet nodig.
Schadevergoeding
4.23.
De stelling van [eiser] is dat door de schending van de mededelingsplicht van SEG over het ontvangen van een aanzienlijke commissie [eiser] vermogensschade heeft geleden, bestaande uit het feit dat hij minder salaris heeft ontvangen van Internazionale dan mogelijk zou zijn geweest. SEG heeft volgens [eiser] afspraken met Internazionale gemaakt over een basissalaris dat 25% lager ligt dan het salaris dat Internazionale bereid was om aan [eiser] te betalen. De aanzienlijke vergoedingen die SEG voor zichzelf heeft bedongen zijn ten laste gekomen van het bedrag dat [eiser] bij Internazionale had kunnen verdienen.
Het feit dat Internazionale bereid was om [eiser] € 50 miljoen aan salaris te betalen volgt uit de Commissieovereenkomst tussen SEG en Internazionale. In artikel 3 van de Commissieovereenkomst is namelijk opgenomen dat tussen club (Internazionale) en speler ( [eiser] ) een arbeidsovereenkomst tot stand zou komen gelijk aan of lager dan € 50 miljoen (zie 2.20). Verder staat dat bedrag ook al in de presentatie van 1 februari 2018 van SEG (zie 2.17). [eiser] had dus € 50 miljoen bruto aan salaris kunnen verdienen bij Internazionale voor de periode van vijf jaar. Dat is dus € 10 miljoen per jaar. [eiser] heeft een salaris van € 37.450.000 miljoen bruto gekregen voor vijf jaar. De schade bestaat dan uit het verschil tussen de € 10 miljoen die [eiser] had kunnen/moeten krijgen per jaar en wat hij daadwerkelijk heeft gekregen. In werkelijkheid heeft hij het eerste jaar € 7.880.000 bruto en de vier jaren daarna € 7.415.000 bruto aan basissalaris ontvangen. Totaal komt dit voor vijf jaar neer op een bedrag van € 12.450.000. Ook is het niet gebruikelijk dat een speler die transfervrij is geen tekengeld ontvangt. Rond de tijd van de transfer was hij ongeveer € 40 miljoen waard, aldus [eiser] .
4.24.
SEG heeft als verweer tegen de beweerde schade aangevoerd dat de berekening van [eiser] niet te volgen is en niet deugdelijk is onderbouwd.
Daarnaast ontbreekt causaal verband tussen (i) de gestelde tekortkoming in de nakoming van enige verbintenis door SEG ten opzichte van [eiser] , en/of (ii) het gestelde onrechtmatig handelen van SEG ten opzichte van [eiser] . De schade van [eiser] is gebaseerd op een verkeerde lezing van de Commissieovereenkomst. Uit de verwijzing in de Commissieovereenkomst naar een totaal bruto salaris van € 50 miljoen kan niet worden opgemaakt dat Internazionale daadwerkelijk bereid was een totaal bruto salaris van € 50 miljoen aan [eiser] te betalen. SEG heeft toegelicht dat het bedrag genoemd in artikel 3 van de Commissieovereenkomst eerst namelijk € 38 miljoen was. Maar SEG was bang dat als het salaris van [eiser] iets hoger zou uitvallen SEG dan geen recht meer zou hebben op commissie, zo zou het uit de Commissieovereenkomst te lezen kunnen zijn. Het salaris van [eiser] stond al wel vast op € 37.450.000, maar als door fiscale wetgeving het door Internazionale gegarandeerde nettosalaris van € 20 miljoen moest worden gehaald en daardoor het brutosalaris zou worden verhoogd zou dit misschien boven de € 38 miljoen per jaar komen en dan zou SEG volgens de letter van de Commissieovereenkomst haar rechten verspelen. Alleen daarom hebben SEG en Internazionale afgesproken om € 50 miljoen op te nemen in artikel 3 van de Commissieovereenkomst. Verder voert SEG aan dat [eiser] reeds bij de 5 best betaalde spelers van Internazionale hoort en dat Internazionale gelet daarop geen hoger salaris zou uitbetalen omdat de verhoudingen tussen de spelers onderling scheef zouden lopen. Voorts is een vergoeding van het feit dat [eiser] transfervrij was, opgenomen in de hoogte van zijn salaris. Internazionale ging er daarbij van uit dat de transferwaarde van [eiser] € 25 miljoen was. De vergoeding van SEG is berekend op 12 % van het basissalaris plus 12 % van de geschatte transfersom, aldus SEG.
4.25.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de stellingen van [eiser] als volgt. Het betoog ten aanzien van de hoogte van de door hem geleden schade, dat hij een salaris van € 50 miljoen had moeten ontvangen en dat zijn schade bestaat uit verschil tussen het misgelopen salaris en zijn daadwerkelijk verkregen salaris, gaat niet op. Ten eerste kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat [eiser] daadwerkelijk meer salaris had ontvangen. Wel is voldoende aanleiding aan te nemen dat Internazionale voor de hele transactie – het salaris van [eiser] en de commissie voor SEG – in totaal € 47 miljoen heeft over gehad exclusief bonussen, maar dat wil niet zeggen dat [eiser] daadwerkelijk € 50 miljoen aan salaris had ontvangen. Aan bonussen heeft [eiser] over de jaren 2018/2019, 2019/2020 en 2020/2021 in totaal € 2.787.500 ontvangen. Tezamen met de vergoeding voor SEG komt het bedrag dat Internazionale betaalt dan in de buurt van € 50 miljoen. Ten tweede kan uit het feit dat in de Commissieovereenkomst is opgenomen dat het salaris van [eiser] gelijk aan of lager dan € 50 miljoen zou bedragen, niet volgen dat Internazionale dus bereid was om [eiser] € 50 miljoen te betalen. Kortom, het causaal verband tussen het verschil tussen het werkelijke salaris en € 50 miljoen en het handelen van SEG ontbreekt.
4.26.
Er is echter wel sprake van een normschending door SEG. Zij heeft, zoals hiervoor toegelicht (zie 4.22), haar eigen belang behartigd en is hier niet open en eerlijk over geweest tegen [eiser] door hem ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst niet de exacte hoogte van de door haar ontvangen commissie mede te delen. Door deze normschending is SEG schadeplichtig jegens [eiser] .
4.27.
Het is echter niet mogelijk om te achterhalen wat Internazionale bereid was om aan [eiser] te betalen als [eiser] wist van de hoge commissievergoeding aan SEG. Dat Internazionale [eiser] erg graag wilde contracteren, blijkt bijvoorbeeld uit het citaat uit de presentatie die SEG voor [eiser] heeft gemaakt in december 2017/januari 2018 waarin staat: “They really want you and need you. Financially they go ‘all the way’” (zie 2.14). Of en hoeveel Internazionale aan de deal meer had willen besteden, hetgeen SEG betwist, is niet te achterhalen. Ook is het niet mogelijk om te achterhalen wat Internazionale aan [eiser] zou hebben betaald als aan SEG daardoor een minder hoge vergoeding was betaald. Evenmin is duidelijk geworden wat Internazionale over had voor het feit dat [eiser] transfervrij was. Wel is duidelijk dat dit aspect voor Internazionale van groot belang is geweest, omdat het zowel bij de vergoeding van € 7,5 miljoen als bij de vergoeding van € 2 miljoen als voorwaarde voorkomt in de Commissieovereenkomst. Aan [eiser] is de kans ontnomen om de onderhandelingen over zijn salaris te kunnen voeren met de wetenschap wat SEG aan commissie zou ontvangen van Internazionale. Wel is aannemelijk dat de financiële verhouding tussen [eiser] , Internazionale en SEG in dat geval anders zou zijn geweest. Het condicio-sine-qua-non-verband tussen het verlies van die kans op nadere onderhandelingen en de onderhavige normschending is hiermee vastgesteld. Op de begroting van de schade moet daarom de zogenaamde kansschadeleer worden toegepast (zie onder meer ECLI:NL:HR:2021:461). Daartoe wordt tevens berekend wat een meer gebruikelijk honorarium voor SEG zou kunnen zijn geweest, ook daarop wordt de kansschade afgestemd.
4.28.
De volgende omstandigheden zijn hierbij van belang. Internazionale heeft voor de totale deal exclusief bonussen een bedrag van ruim € 47 miljoen over gehad. De door SEG ontvangen commissie is zeer veel hoger dan in alle voorgaande bemiddelingen voor [eiser] . Het percentage dat SEG aan commissievergoeding zou kunnen hebben ontvangen is op basis van de regelgeving van de FIFA, KNVB en FIGC een percentage 3% van het salaris van de speler (zie 2.28 en 2.30). Bij de arbeidsovereenkomst die [eiser] met Feyenoord had, bedroeg dit percentage 6 % van het salaris van [eiser] . [eiser] heeft onbetwist gesteld dat in de conceptovereenkomst met Lazio een percentage van 8,5 % als commissie voor SEG is opgenomen. SEG heeft wel betoogd dat het bij topspelers gebruikelijk is om een hoger percentage af te spreken, maar zij heeft dit niet aangetoond. Ook heeft SEG betoogd dat in haar standaard vertegenwoordigings-overeenkomst een percentage van 10% is bepaald, maar SEG heeft dit niet met stukken onderbouwd, waardoor ook dit niet is aangetoond. Evenmin heeft SEG aangetoond dat zij bij Internazionale op basis van een percentage van 12% commissie heeft ontvangen, nog daargelaten dat de commissie volgens haar naar dat percentage over het basissalaris én een percentage van 12 % over een fictieve transfersom is berekend. Zij heeft dit bij conclusie van antwoord wel aangevoerd, maar ter zitting heeft zij dit weer ontkend. Bij deze stand van zaken wordt gerekend met de kans dat het percentage van 8,5 % over het basissalaris van € 37.540.000 als commissievergoeding voor SEG bedraagt, een redelijke aanname is, dus een bedrag van € 3.190.900.
Tot slot speelt een grote rol bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding van [eiser] het feit dat nergens uit blijkt dat voor [eiser] tekengeld is uitonderhandeld. SEG heeft aangevoerd dat dit in het salaris van [eiser] zou zitten, maar SEG heeft onbetwist gesteld dat hij tot de vijf hoogste betaald spelers van Internazionale behoort en [eiser] stelt dat bij hen wel tekengeld is uit onderhandeld. Tekengeld is normaal gesproken een percentage van de waarde die de speler op de markt vertegenwoordigd. [eiser] heeft ter zitting gesteld dat zijn marktwaarde op dat moment ongeveer € 40 miljoen was, SEG voert aan dat dit volgens Internazionale € 25 miljoen zou zijn. Als het transferpercentage bijvoorbeeld 10% zou bedragen zoals is opgenomen in de conceptovereenkomst met Lazio, zou dat neerkomen op een bedrag van tussen € 4 miljoen en € 2,5 miljoen voor [eiser] . SEG stelt dat de vergoeding voor haar voor de transfer naar Internazionale, 12% van de fictieve transfersom zou zijn, ter zitting heeft zij dit standpunt overigens weer ingetrokken, maar dat komt neer op een bedrag van € 4,8 miljoen bij een fictieve transfersom van € 40 miljoen en € 3 miljoen bij een fictieve transfersom van € 25 miljoen.
SEG heeft voor zichzelf bij Internazionale een doorverkoopsom bedongen van 7,5% (zie Samenwerkingsovereenkomst 2.21) over de transfersom, volgens [eiser] om met hem te delen, maar dat ligt nergens vast. Uitgaand van dat percentage zou een transfervergoeding wegens het transfervrij zijn, tussen de € 3 miljoen bij een fictieve transfersom van € 40 miljoen en € 1.875 miljoen bij een fictieve transfersom van € 25 miljoen hebben kunnen liggen. [eiser] stelt niet op de hoogte te zijn geweest van dit laatste percentage, maar dit blijkt wel uit de Samenwerkingsovereenkomst en biedt dus een aanknopingspunt voor het te hanteren percentage. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomsten met de twee eerdere werkgevers van [eiser] blijkt verder dat de speler en de spelersmakelaar een gelijk percentage van de transfersom ontvangen. Als tekengeld zou [eiser] dus de helft van deze bedragen hebben moeten ontvangen.
Alle omstandigheden in aanmerking nemend en na berekening van een meer gebruikelijke verdeling van het salaris en de commissie, schat de rechtbank de kansschade van [eiser] op 50 % van hetgeen SEG heeft ontvangen voor de deal tussen [eiser] en Internazionale, dit vertegenwoordigt de maximale schade. Deze 50 % komt overeen met een bedrag van € 4,75 miljoen.
Fiscale vrijwaring
4.29.
[eiser] stelt dat door het feit dat in de arbeidsovereenkomst met Internazionale is opgenomen dat SEG heeft opgetreden voor Internazionale en niet voor [eiser] hij hierdoor blijkt bloot te staan aan het risico dat de Italiaanse belastingdienst aan [eiser] aanslagen en/of boetes oplegt vanwege het bestaan van een zogenoemde fringe benefit (secundaire arbeidsvoorwaarden, extralegale voordelen). Dat houdt in dat als de Italiaanse belastingdienst meent dat de intermediair in feite heeft opgetreden voor de speler, de door de club aan de intermediair betaalde commissievergoeding kan worden gezien als indirect salaris van de speler en ook op deze wijze kan worden belast (met inkomstenbelasting). [eiser] heeft dit toegelicht door overlegging van een e-mail van de Italiaanse fiscalist [naam 9] (2.22). De door de club betaalde vergoeding kan onderworpen worden aan 43% inkomstenbelasting te heffen bij [eiser] , verhoogd met lokale opslagen van 2-4 % en in sommige gevallen verhoogd met boetes ter hoogte van 90-180% van de verschuldigde belasting, aldus [eiser] .
4.30.
SEG voert als verweer aan dat ten eerste zijn eventuele fiscale risico’s ten aanzien van de arbeidsovereenkomst – voor zover deze überhaupt bestaan – reeds zijn weggenomen door Internazionale via de verschuldigdheid van een nettosalaris. Het gepretendeerde fiscale risico dat [eiser] meent te lopen, bestaat dus niet. Ten aanzien van eventuele fiscale risico’s dient [eiser] zich tot Internazionale te wenden, hetgeen hij kennelijk reeds gedaan heeft.
Ten tweede zal het gepretendeerde fiscale risico dat [eiser] meent te lopen zich niet verwezenlijken, althans de verwezenlijking daarvan is hoogst onwaarschijnlijk. De betrokken bepaling met betrekking tot de fringe benefits, artikel 4 bis, is in 2016 geschrapt.
Bovendien, als de stellingen van [eiser] hout zouden snijden zou [eiser] deze belasting(en) sowieso hebben moeten betalen; terwijl dit enkel geschiedt door [eiser] ’s eigen toedoen en door de ongefundeerde stelling in te nemen dat er een vertegenwoordigingsovereenkomst bestaat tussen SEG en [eiser] , aldus SEG.
4.31.
SEG heeft in de arbeidsovereenkomst tussen Internazionale en [eiser] laten opnemen dat alleen Internazionale is bijgestaan door SEG en [eiser] niet, terwijl dit op grond van de feitelijke situatie voor beiden was, zoals hiervoor is geoordeeld, hierdoor heeft SEG haar zorgplicht jegens [eiser] geschonden. SEG heeft namelijk ook een plicht om [eiser] goed in te lichten ten aanzien van deze financiële aspecten van de transactie. SEG heeft betoogd dat het in Italië gebruikelijk is dat de club is vertegenwoordigd door een spelersmakelaar en de speler niet en dat er in elk geval gekozen moet worden. Toch had SEG minimaal hierover overleg moeten voeren met [eiser] . [eiser] heeft nu niet zijn goedkeuring hiervoor gegeven. [eiser] heeft daardoor niet de juiste afweging ten aanzien van de financiële risico’s kunnen maken en daarom moet SEG [eiser] vrijwaren/ schadeloos stellen voor de eventueel hieruit voortvloeiende schade.
Dat er namelijk een risico op een aanslag van de Italiaanse belastingdienst bestaat, blijkt uit de memo van [naam 11] van 17 september 2019. Hij stelt dat er gedurende de afgelopen jaren zaken bekend zijn geworden waarbij de Italiaanse belastingdienst aanslagen en boetes hebben opgelegd voor fringe benefits verdiend in de jaren 2013 – 2015. In die periode werd 15 % geacht ten behoeve van de speler te zijn geweest en aldus belast bij de speler. In de periode vanaf 2016 werd 50 % geacht ten behoeve van de speler te zijn geweest en belast. Hieruit blijkt duidelijk dat Italiaanse belastingdienst ook niet alleen kijkt naar wat op papier staat, maar verder op zoek gaat op internet en dergelijke om te kijken of de intermediair niet feitelijk voor de speler heeft opgetreden. Als dat het geval is, is er een grote kans dat de commissie die is betaald aan de intermediair door de belastingdienst wordt gezien als indirect salaris van de speler en dat de speler daarvoor, met terugwerkende kracht (via inkomstenbelasting, eventueel vermeerderd met boetes) wordt belast. [eiser] heeft een dergelijke aanslag voor het werk van SEG ten behoeve van het Lazio contract al van de Italiaanse belastingdienst ontvangen (zie 2.27). Dit bewijst de juistheid van het standpunt van [eiser] . Dat de betrokken bepaling inzake de fringe benefits is geschrapt in 2016 heeft SEG niet aangetoond en mocht dit wel zo zijn, dan heeft een veroordeling geen gevolgen, omdat de Italiaanse belastingdienst in dat geval geen naheffing kan doen.
4.32.
Voor de Italiaanse belastingdienst kan relevant zijn dat in dit vonnis is vastgesteld dat SEG feitelijk mede voor [eiser] optrad. Mocht [eiser] hiervoor fiscaal worden aangeslagen, dan is van belang dat ook in dit vonnis is vastgesteld dat SEG niet alsnog recht heeft op een (fictieve) loonbetaling door [eiser] . In verband met de schending van artikel 7:418 BW zou zijn recht op loon immers zijn vervallen. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht onder II in zoverre toegewezen. Verder wordt reeds nu overwogen dat onder de gevorderde schadeloosstelling niet kan vallen hetgeen [eiser] had moeten betalen aan de Italiaanse belastingdienst, indien van meet af aan vast had gestaan dat SEG deels voor [eiser] was opgetreden. De fiscale aanslag Inkomstenbelasting en regionale aanslagen die hij dan had moeten betalen over het gedeelte dat [eiser] aan SEG verschuldigd was, kan niet als schade worden aangemerkt, hij had die belastingen in elk geval moeten betalen, de eventuele boete of andere strafmaatregelen vallen wel onder de schade.
Slotsom en kosten
4.33.
SEG heeft door niet aan [eiser] mede te delen wat haar exacte vergoeding zou zijn voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale haar mededelingsplicht zoals bedoeld in artikel 7:418 BW geschonden. [eiser] heeft schade geleden, doordat SEG niet transparant is geweest, de onderhandelingen met Internazionale zouden dan anders zijn verlopen. De rechtbank begroot deze schade op totaal € 4,75 miljoen. Vordering I b. zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf 8 maart 2018. Dat is de dag na het tekenen van de contracten door SEG met Internazionale waarin de commissievergoeding voor SEG is vastgelegd, en kan daardoor worden aangemerkt als de datum waarop SEG tekort is geschoten. Het verzuim is direct ingetreden, omdat correcte nakoming toen reeds blijvend onmogelijk was. De gevorderde verklaring voor recht onder I a. wordt afgewezen bij gebrek aan belang nu schadevergoeding wordt toegewezen. Omdat SEG de bepaling van artikel 7:418 BW heeft overtreden en op grond van hetgeen hiervoor onder 4.22 is overwogen, wordt de vordering onder II toegewezen. De schadeloosstelling/-vrijwaring voor eventuele fiscale claims van de Italiaanse belastingdienst (vordering III) wordt toegewezen met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4.32 is bepaald.
4.34.
[eiser] vordert op grond van artikel 6:96 lid 2 BW het maximumbedrag van € 6.775,- als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht doordat er brieven via de advocaten van Cresta zijn verstuurd op 23 december 2019 en 21 februari 2020 en ook werkzaamheden door de Nederlandse advocaten zijn verricht om te proberen om buiten rechte tot afspraken te komen. De buitengerechtelijke kosten worden toegewezen tot het volgens de staffel maximaal toe te kennen bedrag aan buitengerechtelijke kosten, zijnde € 6775,-.
4.35.
SEG zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:
- dagvaarding € 109,71
- griffierecht 1.666,00
- salaris advocaat 7.998,00 (2,0 punten × tarief € 3.999,00)
Totaal € 9.773,71
De nakosten worden ambtshalve toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.
4.36.
Tenslotte heeft SEG verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser] om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij de beoordeling of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard moet een belangafweging plaatsvinden. De maatstaf daarbij is of het belang van degene die de uitvoerbaarheid bij voorraad vordert, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand totdat de uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist (vgl. Hoge Raad 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2215NJ 1997,684).
4.37.
Doordat [eiser] een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, wordt hij vermoed belang te hebben bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad. SEG heeft haar verweer tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis niet verder onderbouwd. Dit is dus onvoldoende. De vorderingen van [eiser] zullen dus uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt SEG om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.750.000,00 (vier miljoen zevenhonderdvijftigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 8 maart 2018 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart voor recht dat SEG jegens [eiser] terzake de bemiddeling van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale voor de seizoenen 2018/2019 tot en met 2022/2023 geen recht heeft op loon,
5.3.
veroordeelt SEG om [eiser] Euro voor Euro te vrijwaren en schadeloos te stellen terzake alle naheffingen, boetes en/of rente die – onder welke benaming ook – door de Italiaanse belastingadministratie aan [eiser] mochten worden opgelegd uit hoofde van fringe benefits terzake de bemiddeling van SEG voor de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Internazionale ondertekend op 29 maart 2018, minus hetgeen [eiser] had moeten betalen aan de Italiaanse belastingdienst, indien van meet af aan vast had gestaan dat SEG deels voor [eiser] was opgetreden (zie 4.32),
5.4.
veroordeelt SEG om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.5.
veroordeelt SEG in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 9.773,71,
5.6.
veroordeelt SEG in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat SEG niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.4.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑04‑2022
de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)
de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)
type: EKcoll: